Uit: Geenen, Marie-José. (2025). Reflecteren. Boom Uitgevers. (p.64-66)
1. Omgeving/situatie
Welke ervaring heb je opgedaan?
Hoe zag die situatie eruit? Wat gebeurde er precies?
Welke consequenties had de situatie voor jou?
Wat raakt je in deze ervaring?
2. Gedrag
Wat deed je in die situatie?
Hoe deed je dat?
Op welk punt was je het meest tevreden over jezelf?
Wat was jouw invloed in de situatie?
Hoe had je nog meer invloed kunnen uitoefenen?
Zie je overeenkomsten met andere situaties?
3. Competenties
Welke van jouw sterke kanten kwamen naar voren?
Hoe kwamen die naar voren?
Wat heb je nodig om die in andere situaties ook naar voren te laten komen?
Welke van jouw zwakke kanten kwamen naar voren?
Hoe kwamen die naar voren?
Wat heb je nodig om dat in andere situaties te voorkomen?
Hoe kan je dat laten lukken?
Wat zou je dan moeten kunnen of leren?
Zie je overeenkomsten met andere situaties?
4. Overtuigingen
Wat vind je belangrijk in dit voorval?
Welke van jouw waarden worden hier zichtbaar?
Welke normen worden hier zichtbaar?
Zie je overeenkomsten met andere situaties?
5. Identiteit
Hoe zie je jezelf in deze situatie?
Wat motiveert jou in deze situatie?
Welke rol neem je in?
Kom je tot jouw recht?
Welke patronen kom je tegen in dit voorval?
Wil je zo blijven werken?
Past dat bij je?
Wat is voor jou het belangrijkst?
Welke nieuwe uitdagingen zie je?
Zie je overeenkomsten met andere situaties?
6. Betrokkenheid
Raakt dit jouw roeping?
Waar raakt het jouw zingeving?
Hoe maakt deze ervaring jou rijker/wijzer?
Welke levensles zit hier voor jou in?