Basisprincipes van sociaal
onderzoek
Soorten onderzoeksvragen:
1. Voorspellend ‘gebeurt Y onder omstandigheden A en B?’
2. Verklarend ‘wordt Y beïnvloed door x of is Y geen gevolg van X? Waarom?’
3. Evaluerend ‘levert Y de vooraf genoemde voordelen op? Hoe effectief?’
4. Beschrijvend ‘wat is Y? Aantallen?’
5. Ontwikkeling good practice ‘hoe kunnen we Y beter maken?’
6. Empowerment ‘hoe kunnen onderzochte mensen zelf hun welzijn verbeteren?’
7. Vergelijkend ‘verschillen A en B over onderwerp X?’
Data analyse
Primaire analyse: de data is verzameld door de onderzoeker zelf
Secundaire analyse: iemand anders heeft de data verzameld
Richting van theorieontwikkeling
Deductief: van theorie naar concrete hypothese, vooral bij kwantitatief onderzoek
Inductief: van specifieke observaties naar theorie, vooral bij kwalitatief onderzoek
Iteratieve strategie: het combineren van inductie en deductie
Ontologie (zijnsleer)
Wat is de fundamentele aard van de werkelijkheid? Hoe zit de (sociale) werkelijkheid in
‘elkaar’? Twee opvattingen:
- Objectivisme: er bestaat een externe werkelijkheid, die onafhankelijk is van het
menselijk bewustzijn. Natuurwetenschappen en harde feiten. Karl Popper sluit zich
hierbij aan
- Constructivisme: er bestaat geen externe werkelijkheid, die onafhankelijk is van het
mensenlijk bewustzijn. De werkelijkheid is een sociale constructie dat door
individuen of groepen wordt gevormd. Thomas Kuhn sluit zich hierbij aan.
Wetenschappers denken in paradigma’s
, Epistemologische overwegingen
Epistemologie (kennisleer): wat kan worden gezien of zou moeten worden gezien als
acceptabele kennis binnen een bepaald vakgebied
Positivisme: alleen kennis dat wordt bevestigd door zintuigen is rechtvaardig
Realisme: een epistemologische positie die de onafhankelijkheid van een realiteit erkent
en stelt dat deze realiteit toegankelijk is voor onderzoekers met de juiste methode.
Kritisch realisme: een realistische epistemologische positie die stelt dat de sociale wereld
zich bezig moet houden met de identificatie van de structuren die deze wereld generen
Positivisme is empirisch, kritisch realisme niet.
3 ideologische benaderingen
1. Positivistische school: verklaren (erklären)
2. Interpretatieve school: begrijpen/verplaatsen in iemand en daarmee de wereld
leren kennen (verstehen)
3. Kritische school: (ingrijpen/veranderen)
Nomothetische verklaringen: we zijn op zoek naar algemene wetten van menselijk gedrag
die altijd en overal opgaan.
Een inductieprobleem kan worden opgelost door falsificatie: op zoek naar een verlegging
onderzoek
Soorten onderzoeksvragen:
1. Voorspellend ‘gebeurt Y onder omstandigheden A en B?’
2. Verklarend ‘wordt Y beïnvloed door x of is Y geen gevolg van X? Waarom?’
3. Evaluerend ‘levert Y de vooraf genoemde voordelen op? Hoe effectief?’
4. Beschrijvend ‘wat is Y? Aantallen?’
5. Ontwikkeling good practice ‘hoe kunnen we Y beter maken?’
6. Empowerment ‘hoe kunnen onderzochte mensen zelf hun welzijn verbeteren?’
7. Vergelijkend ‘verschillen A en B over onderwerp X?’
Data analyse
Primaire analyse: de data is verzameld door de onderzoeker zelf
Secundaire analyse: iemand anders heeft de data verzameld
Richting van theorieontwikkeling
Deductief: van theorie naar concrete hypothese, vooral bij kwantitatief onderzoek
Inductief: van specifieke observaties naar theorie, vooral bij kwalitatief onderzoek
Iteratieve strategie: het combineren van inductie en deductie
Ontologie (zijnsleer)
Wat is de fundamentele aard van de werkelijkheid? Hoe zit de (sociale) werkelijkheid in
‘elkaar’? Twee opvattingen:
- Objectivisme: er bestaat een externe werkelijkheid, die onafhankelijk is van het
menselijk bewustzijn. Natuurwetenschappen en harde feiten. Karl Popper sluit zich
hierbij aan
- Constructivisme: er bestaat geen externe werkelijkheid, die onafhankelijk is van het
mensenlijk bewustzijn. De werkelijkheid is een sociale constructie dat door
individuen of groepen wordt gevormd. Thomas Kuhn sluit zich hierbij aan.
Wetenschappers denken in paradigma’s
, Epistemologische overwegingen
Epistemologie (kennisleer): wat kan worden gezien of zou moeten worden gezien als
acceptabele kennis binnen een bepaald vakgebied
Positivisme: alleen kennis dat wordt bevestigd door zintuigen is rechtvaardig
Realisme: een epistemologische positie die de onafhankelijkheid van een realiteit erkent
en stelt dat deze realiteit toegankelijk is voor onderzoekers met de juiste methode.
Kritisch realisme: een realistische epistemologische positie die stelt dat de sociale wereld
zich bezig moet houden met de identificatie van de structuren die deze wereld generen
Positivisme is empirisch, kritisch realisme niet.
3 ideologische benaderingen
1. Positivistische school: verklaren (erklären)
2. Interpretatieve school: begrijpen/verplaatsen in iemand en daarmee de wereld
leren kennen (verstehen)
3. Kritische school: (ingrijpen/veranderen)
Nomothetische verklaringen: we zijn op zoek naar algemene wetten van menselijk gedrag
die altijd en overal opgaan.
Een inductieprobleem kan worden opgelost door falsificatie: op zoek naar een verlegging