Samenvatting Hoorcollege - MCOS
Week 1 - Hoorcollege 1
Wetenschap:
1. Kenis
2. proces (systematisch observaties doen)
3. gemeenschap
Niet wetenschappelijke kennis:
- Inituition belief ⇾ “dit voelt als de beste”
- Consensus ⇾ “iedereen heeft een iPhone”
- Autorithy ⇾ “Omdat mij arts het zegt”
- Casual observation ⇾ “Het werkte die ene keer goed voor Tim”
- Tenacity/gewoonte ⇾ “zo heb ik het altijd gedaan
De wetenschappelijke methode:
1. Empirisch toetsbaar
Gebaseerd op de werkelijkheid met waarneembare data
2. Objectief
Bevindingen mogen niet persoons gebonden zij, het mag niet uitmaken wie het
onderzoek uitvoert. Geen ruimte voor subjectieve observaties. De conslusie zal
telkens hetzelfde zijn wie het ook uitvoert
3. Falsificeerbaar
Opzoek naar tegenbewijs. Is er een observatie mogelijk (denkbaar) die de
verwachtingen tegenspreken?
4. Repliceerbaar
Een studie moet herhaald kunnen worden en dan dezelfde resultaten leveren
5. Transparant en openbaar
Andere mensen kunnen checken of alles klopt. Verslagen maken dat te volgen is
voor iedereen en erbij moeten kunnen. Controleerbaar en open voor kritiek
6. Logische consistente / inhern coherent
Veranderen van je interpetatie kan niet
+ Nooit af. Spreek over steun geven aan niet dat het nu bewezen is.
Wetenscappelijke kennis staat niet gelijk aan ware kennis.
Karl Popper:
Opzoek gaan naar een waarneming die het tegendeel bewijst
Efficienter is het falsificeerbaar is.
Empirische cyclus
,Week 1 - Hoorcollege 2- Hoe ontstaat wetenschap?
Paradigma=
“een zienswijze”
- Een gedeeld wereldbeeld. Gedeelde opvattingen en aannames.
- Nieuwe kennis kan leiden tot een paradigma verschuiving
Ontologie=
“zijnsleer”
- Opvattingen over hoe de sociale werkelijkheid is opgebouwd
- Bepaalt hoe wetenschappers denken en onderzoek verichten
Epistemologie =
“Kennisleer”
- Opvattingen over wat als kennis telt en hoe kennis moet worden vergaard
- Bepaalt welke onderzoeksmethoden worden gebruikt en wat de kwaliteit daarvan is
Twee stromingen in Communicatiewetenschap (ook wel twee paradigma’s)
Worldview 1: Empirische analytisch (Kwantitatief onderzoek)
- Nadruk op nomothetische kennis (proberen wetmatigheden tellen/ook wel
generaliseren)
- Reductionistisch: Eenheid (persoon) gereduceerd tot variabelen
- Objectief: “derdepersoonsperspectief” (Als onderzoek zet je jezelf buiten het
onderzoek)
Worldview 2: Empirisch-interpretatief (Kwalitatief onderzoek)
- Nadruk op idiografische kennis (op zoek naar het begrip van het unieke,
“Verstehen” (=Begrijpen))
- Holistisch: Eenheid als geheel (alles wat die persoon maakt, neem je mee)
- Subjectief: “eerstepersoonsperspectief”
Verschillende ontologische en epistemologische uitgangspunten, maar beide zijn empirisch
onderzoek!
Vaak eerst werd er vaak kwalitatief onderzoek gedaan en daarna kwantitatief.
Paradigma (in CW)
1. Empirische analytisch (kwantitatief onderzoek)
2. Empirisch-interpretatief (kwalitatief onderzoek)
,Empirische cyclus heeft 5 fasen:
1. Observatie = Kan alles zijn.
2. Inductie = van het bijzondere naar het algemene redeneren
Een observatie → patroon → theorie
3. Deductie = een afleiding van het algemeen naar het bijzondere
Theorie → Specificeren → Hypothese
→ Deductieg-nomologische (DN) Model
Hieruit komt een onderzoeksvraag en een hypothesen
4. Toetsing = hoe gaan we meten?
We gaan op zoek naar variabelen (dingen die we kunnen
tellen)
SPS6 gebruiken, data analyseren
Je hebt 2 mogelijkheden
Verificatie:
Falsificatie: Deze is beter. Hier streven we naar.
5. Evaluatie = Conclusie trekken en advies vervolgonderzoek (je neemt in acht je eigen
limitaties)
Dus je ziet iets wat observatie is van iets heel specifieks naar iets wat gezien kan worden als
wetgeving.
Tussen inductie en deductie kan je ook kijken naar al bestaande theorieën
2 relevante CW-theorien
- agendasetting: Media bepalen de agenda van ontvangers; bepalen waar we over
praten
- Framing: Door bepaald taal- en woordgebruik emoties en gevoelens opwekken wat
ons denken kan beïnvloeden
Wetenschappelijke onderzoek is cyclisch
Het levert elke keer weer nieuwe inzichten op die een nieuw onderzoek starten
, Het onderzoeksplan
= een systematisch geheel van methodische beslissingen
Probleemstelling
- Doelstelling (waarom wil je het weten?)
- Vraagstelling (wat wil je precies weten?)
- Hypothesen (hoe denken we dat het werkt?)
Onderzoeksmethode → hoe ga je onderzoeken wat je wilt weten?
- Experiment
geschikt voor het onderzoek van effecten (oorzaak/gevolg)
- Survey
geschikt voor het onderzoeken van verbanden
- Inhoudsanalyse
geschikt van het onderzoeken van inhoud (data is er al)
- Bestaande data
kan van alles zijn, ‘snapshots’, verbanden
- Literatuuronderzoek
wat is er al bekend over een onderwerp
- Kwalitatief onderzoek
geschikt om hypothesen mee te ontwikkelen
Dataverzameling
- Tijd (wanneer?)
- Plaats (waar?)
- Eenheden (wie of wat)
Week 1 - Hoorcollege 1
Wetenschap:
1. Kenis
2. proces (systematisch observaties doen)
3. gemeenschap
Niet wetenschappelijke kennis:
- Inituition belief ⇾ “dit voelt als de beste”
- Consensus ⇾ “iedereen heeft een iPhone”
- Autorithy ⇾ “Omdat mij arts het zegt”
- Casual observation ⇾ “Het werkte die ene keer goed voor Tim”
- Tenacity/gewoonte ⇾ “zo heb ik het altijd gedaan
De wetenschappelijke methode:
1. Empirisch toetsbaar
Gebaseerd op de werkelijkheid met waarneembare data
2. Objectief
Bevindingen mogen niet persoons gebonden zij, het mag niet uitmaken wie het
onderzoek uitvoert. Geen ruimte voor subjectieve observaties. De conslusie zal
telkens hetzelfde zijn wie het ook uitvoert
3. Falsificeerbaar
Opzoek naar tegenbewijs. Is er een observatie mogelijk (denkbaar) die de
verwachtingen tegenspreken?
4. Repliceerbaar
Een studie moet herhaald kunnen worden en dan dezelfde resultaten leveren
5. Transparant en openbaar
Andere mensen kunnen checken of alles klopt. Verslagen maken dat te volgen is
voor iedereen en erbij moeten kunnen. Controleerbaar en open voor kritiek
6. Logische consistente / inhern coherent
Veranderen van je interpetatie kan niet
+ Nooit af. Spreek over steun geven aan niet dat het nu bewezen is.
Wetenscappelijke kennis staat niet gelijk aan ware kennis.
Karl Popper:
Opzoek gaan naar een waarneming die het tegendeel bewijst
Efficienter is het falsificeerbaar is.
Empirische cyclus
,Week 1 - Hoorcollege 2- Hoe ontstaat wetenschap?
Paradigma=
“een zienswijze”
- Een gedeeld wereldbeeld. Gedeelde opvattingen en aannames.
- Nieuwe kennis kan leiden tot een paradigma verschuiving
Ontologie=
“zijnsleer”
- Opvattingen over hoe de sociale werkelijkheid is opgebouwd
- Bepaalt hoe wetenschappers denken en onderzoek verichten
Epistemologie =
“Kennisleer”
- Opvattingen over wat als kennis telt en hoe kennis moet worden vergaard
- Bepaalt welke onderzoeksmethoden worden gebruikt en wat de kwaliteit daarvan is
Twee stromingen in Communicatiewetenschap (ook wel twee paradigma’s)
Worldview 1: Empirische analytisch (Kwantitatief onderzoek)
- Nadruk op nomothetische kennis (proberen wetmatigheden tellen/ook wel
generaliseren)
- Reductionistisch: Eenheid (persoon) gereduceerd tot variabelen
- Objectief: “derdepersoonsperspectief” (Als onderzoek zet je jezelf buiten het
onderzoek)
Worldview 2: Empirisch-interpretatief (Kwalitatief onderzoek)
- Nadruk op idiografische kennis (op zoek naar het begrip van het unieke,
“Verstehen” (=Begrijpen))
- Holistisch: Eenheid als geheel (alles wat die persoon maakt, neem je mee)
- Subjectief: “eerstepersoonsperspectief”
Verschillende ontologische en epistemologische uitgangspunten, maar beide zijn empirisch
onderzoek!
Vaak eerst werd er vaak kwalitatief onderzoek gedaan en daarna kwantitatief.
Paradigma (in CW)
1. Empirische analytisch (kwantitatief onderzoek)
2. Empirisch-interpretatief (kwalitatief onderzoek)
,Empirische cyclus heeft 5 fasen:
1. Observatie = Kan alles zijn.
2. Inductie = van het bijzondere naar het algemene redeneren
Een observatie → patroon → theorie
3. Deductie = een afleiding van het algemeen naar het bijzondere
Theorie → Specificeren → Hypothese
→ Deductieg-nomologische (DN) Model
Hieruit komt een onderzoeksvraag en een hypothesen
4. Toetsing = hoe gaan we meten?
We gaan op zoek naar variabelen (dingen die we kunnen
tellen)
SPS6 gebruiken, data analyseren
Je hebt 2 mogelijkheden
Verificatie:
Falsificatie: Deze is beter. Hier streven we naar.
5. Evaluatie = Conclusie trekken en advies vervolgonderzoek (je neemt in acht je eigen
limitaties)
Dus je ziet iets wat observatie is van iets heel specifieks naar iets wat gezien kan worden als
wetgeving.
Tussen inductie en deductie kan je ook kijken naar al bestaande theorieën
2 relevante CW-theorien
- agendasetting: Media bepalen de agenda van ontvangers; bepalen waar we over
praten
- Framing: Door bepaald taal- en woordgebruik emoties en gevoelens opwekken wat
ons denken kan beïnvloeden
Wetenschappelijke onderzoek is cyclisch
Het levert elke keer weer nieuwe inzichten op die een nieuw onderzoek starten
, Het onderzoeksplan
= een systematisch geheel van methodische beslissingen
Probleemstelling
- Doelstelling (waarom wil je het weten?)
- Vraagstelling (wat wil je precies weten?)
- Hypothesen (hoe denken we dat het werkt?)
Onderzoeksmethode → hoe ga je onderzoeken wat je wilt weten?
- Experiment
geschikt voor het onderzoek van effecten (oorzaak/gevolg)
- Survey
geschikt voor het onderzoeken van verbanden
- Inhoudsanalyse
geschikt van het onderzoeken van inhoud (data is er al)
- Bestaande data
kan van alles zijn, ‘snapshots’, verbanden
- Literatuuronderzoek
wat is er al bekend over een onderwerp
- Kwalitatief onderzoek
geschikt om hypothesen mee te ontwikkelen
Dataverzameling
- Tijd (wanneer?)
- Plaats (waar?)
- Eenheden (wie of wat)