4-1-2021 OneNote
Hoofdstuk 2
maandag 4 januari 2021 12:45
2.1 Productie
Produceren:
• Productiefactoren worden gebruikt om een product te maken.
Productiefactoren:
1. Arbeid
2. Kennis
3. Kapitaal
4. Locatie
Arbeid:
• Menselijk handelen tijdens productie
○ Docent voor de klas
○ Fabrieksarbeider
Kennis (ondernemerschap):
• Omvat alle kunde en vaardigheden die in het productie proces worden gebruikt.
○ Docent heeft eerst kennis nodig om voor de klas te staan
○ Fabrieksarbeider moet eerst opgeleid worden
Twee soorten kapitaal:
1. Fysiek kapitaal:
○ Bedrijfsauto
○ Fabriekshal
○ Halffabricaten; ijzerplaten en onbewerkt ijs
2. Financieel kapitaal:
○ Geld dat nodig is om te kunnen produceren
○ Geld nodig voor halffabricaten
Locatie:
• Waar productie plaatsvind
• Stuk grond
• Etage in kantorencomplex
Productiefunctie:
• Laat zien hoeveel nodig
is voor een bepaalde productie.
2.2 Productiekosten
https://eslooonderwijsgroep-my.sharepoint.com/personal/ll017813_leerlingml_nl/_layouts/15/Doc.aspx?sourcedoc={25747049-35b1-4710-9872-e2e83… 1/6
, 4-1-2021 OneNote
Aanbod van producten bepaald door:
1. Hoe duur het is om product te maken
2. Voor welke prijs het verkocht kan worden
Productiekosten:
• Produceren kost geld
• Twee soorten productiekosten:
1. Constante kosten
2. Variabele kosten
• Constante kosten (CK): zijn niet afhankelijk van de afzet. Denk hierbij aan de huurkosten en
afschrijvingskosten.
• Variabele kosten (VK): zijn wel afhankelijk van de afzet. Denk hierbij aan personeelskosten
en inkoopkosten.
• De totale kosten (TK) bestaan uit
de variabele en de constante
kosten binnen een bedrijf. De
functie is als volgt:
• TK = VK + CK
• TVK= VK x q (totale variabele kosten = variabele kosten x aantal)
Gemiddeld totale kosten (GTK):
• De gemiddeld totale kosten (GTK)
geven een beeld hoeveel de
productiekosten zijn bij een bepaalde
productie.
• GTK =TK/q (q = productieomvang)
• De GTK houdt dus rekening met zowel
CK als de VK
Marginale kosten (MK):
• Marginale kosten geven het bedrag aan waarmee de totale kosten toenemen als een
bedrijf een extra product produceert.
• Marginale kosten (MK) = Extra totale kosten / extra geproduceerde eenheid.
• MK = ΔTK / Δq
https://eslooonderwijsgroep-my.sharepoint.com/personal/ll017813_leerlingml_nl/_layouts/15/Doc.aspx?sourcedoc={25747049-35b1-4710-9872-e2e83… 2/6
Hoofdstuk 2
maandag 4 januari 2021 12:45
2.1 Productie
Produceren:
• Productiefactoren worden gebruikt om een product te maken.
Productiefactoren:
1. Arbeid
2. Kennis
3. Kapitaal
4. Locatie
Arbeid:
• Menselijk handelen tijdens productie
○ Docent voor de klas
○ Fabrieksarbeider
Kennis (ondernemerschap):
• Omvat alle kunde en vaardigheden die in het productie proces worden gebruikt.
○ Docent heeft eerst kennis nodig om voor de klas te staan
○ Fabrieksarbeider moet eerst opgeleid worden
Twee soorten kapitaal:
1. Fysiek kapitaal:
○ Bedrijfsauto
○ Fabriekshal
○ Halffabricaten; ijzerplaten en onbewerkt ijs
2. Financieel kapitaal:
○ Geld dat nodig is om te kunnen produceren
○ Geld nodig voor halffabricaten
Locatie:
• Waar productie plaatsvind
• Stuk grond
• Etage in kantorencomplex
Productiefunctie:
• Laat zien hoeveel nodig
is voor een bepaalde productie.
2.2 Productiekosten
https://eslooonderwijsgroep-my.sharepoint.com/personal/ll017813_leerlingml_nl/_layouts/15/Doc.aspx?sourcedoc={25747049-35b1-4710-9872-e2e83… 1/6
, 4-1-2021 OneNote
Aanbod van producten bepaald door:
1. Hoe duur het is om product te maken
2. Voor welke prijs het verkocht kan worden
Productiekosten:
• Produceren kost geld
• Twee soorten productiekosten:
1. Constante kosten
2. Variabele kosten
• Constante kosten (CK): zijn niet afhankelijk van de afzet. Denk hierbij aan de huurkosten en
afschrijvingskosten.
• Variabele kosten (VK): zijn wel afhankelijk van de afzet. Denk hierbij aan personeelskosten
en inkoopkosten.
• De totale kosten (TK) bestaan uit
de variabele en de constante
kosten binnen een bedrijf. De
functie is als volgt:
• TK = VK + CK
• TVK= VK x q (totale variabele kosten = variabele kosten x aantal)
Gemiddeld totale kosten (GTK):
• De gemiddeld totale kosten (GTK)
geven een beeld hoeveel de
productiekosten zijn bij een bepaalde
productie.
• GTK =TK/q (q = productieomvang)
• De GTK houdt dus rekening met zowel
CK als de VK
Marginale kosten (MK):
• Marginale kosten geven het bedrag aan waarmee de totale kosten toenemen als een
bedrijf een extra product produceert.
• Marginale kosten (MK) = Extra totale kosten / extra geproduceerde eenheid.
• MK = ΔTK / Δq
https://eslooonderwijsgroep-my.sharepoint.com/personal/ll017813_leerlingml_nl/_layouts/15/Doc.aspx?sourcedoc={25747049-35b1-4710-9872-e2e83… 2/6