Geneeskunde
1.1 Hoe zitten wij in elkaar?
Organisatieniveaus
Chemisch niveau -> Cel niveau -> weefsel niveau (bloed, vet, spierweefsel) -> orgaan
->
orgaanstelsel -> organisme
Orgaanstelsels
Huid, Botten, Spieren, Zenuwen, Endocrien, Cardiovasculair, Ademhaling, Lymfe,
Spijsvertering, Urine, Voortplanting
Homeostase
Constantheid samenstelling van het intern milieu
1.2 Cellen en weefsels
Organellen in de cel
Nucleus: chromosomen, bestaan uit opgerold DNA, Genen zijn stukjes op het DNA
In het cytosol liggen:
Mitochondriën, maakt energie voor cel zelf
Ribosomen, maakt eiwitten
Endoplasmatisch Reticulum, maakt suikers, maakt vetten, bewerkt eiwitten, ontgift,
opslag voor en transport naar het Golgi-apparaat
Golgi-apparaat, Bewerking, opslag en verpakking van eiwitten/suikers/vetten
, Mitose (PMAT)
Soorten weefsels
Epitheel: bekleding van holten, klieren en buizen
Bindweefsel: 3 soorten
- Striktweefsel: vetweefsel, pezen & banden
- Vloeibaarweefsel: bloed, lymfe
- Steunweefsel: kraakbeen, beenweefsel
Spierweefsel: 3 soorten
- Skeletspier: lang en gestreept, hebben meerdere kernen
- Hartspier: cellen zijn vertakt en gestreept, met meestal 1 celkern
- Glad spierweefsel: Cellen zijn kort en niet gestreept, 1 kern in het midden
Alleen skeletspierweefsel is willekeurig
Zenuwweefsel: Neuronen en gliacellen (helpercellen)