Hoorcollege 1- paradigmata, theorieën en risicofactoren
Paradigma = Een geheel van waarden, opvattingen en technieken,
gedeeld door leden van een bepaalde wetenschappelijke gemeenschap
Opvoeden ≠ trainen of dresseren
Twee pijlers opvoeden (Van der Horst et al., 2020 > college 5)
1. Ondersteunen (‘warmte’)
• Basale behoeften (voeding, verzorging, veilige en stabiele omgeving)
• Emotionele ondersteuning (warme relatie, respectvolle en betrokken
houding)
• Stimulatie (van cognitieve, verbale, psychomotorische, sociaal-
emotionele vaardigheden)
2. Structureren (‘controle’): hanteren en overdragen van normen en
waarden, grenzen en regels; houden van toezicht
Goede opvoeding afgestemd op kenmerken en behoeften kind
(‘sensitiviteit’)
Pavlov en klassieke conditionering
(Crain, 2015)
Neutrale stimulus
Ongeconditioneerde stimulus,
ongeconditioneerde respons
Geconditioneerde stimulus,
geconditioneerde respons
Klassieke conditionering heeft 3 fasen (zie
plaatje)
(on)geconditioneerd = (on)voorwaardelijk
Begrippen:
Extinctie (uitdoving) --> kwijlen stopt als
er steeds geen eten is, conditionering
verdwijnt
Spontaan herstel
Stimulusgeneralisatie
Stimulusdiscriminatie
o ‘Experimentele neurose’
Watson (Crain, 2015)
Little Albert --> witte rat
• Klassieke conditionering van angst
• Stimulusgeneralisatie (ook bang voor witte baard etc.)
,Little Peter --> konijn steeds dichterbij met iets lekkers eten als
ontspanning
• Deconditionering van angst (door nieuwe koppeling); systematische
desensitisatie
Paradigm clash: van factoren in persoon naar factoren in
omgeving (Crain, 2015)
Watson (1924, boek Behaviorism):
Geef me een dozijn gezonde en normale kinderen, en mijn eigen wereld
om ze in op te voeden, en ik garandeer dat ik er willekeurig één kan
uitkiezen en hem kan trainen tot eender welke specialist naar mijn: dokter,
advocaat, kunstenaar, handelaar, en zelfs bedelaar en dief, wat ook zijn
talenten, karakter, en afkomst moge zijn.
[Ik ga mijn boekje te buiten en dat geef ik toe, maar dat hebben de
voorstanders van de tegenovergestelde visie ook gedaan en zij doen dit al
duizenden jaren.]
Klassieke conditionering in het dagelijks leven
Fobie
Misselijkheidsreflex
Aanval astma of hooikoorts bij confrontatie met bloemetjesbehang
Op rem trappen bij rood licht
Skinner en operante conditionering
(Crain, 2015)
Operante (instrumentele) conditionering: leren door consequenties die op
gedrag volgen
Positieve en negatieve bekrachtiging
(reinforcement)
Positieve en negatieve straf (niet in
Crain)
Welk gedrag is veranderd?
Is het toegenomen of afgenomen?
Is er iets toegevoegd of weggehaald (meer
of minder geworden)
Positieve straf: iets fijns wegnemen of iets
van een boete
- Onmiddellijke consequenties
- Shaping --> het aanleren van ingewikkeld gedrag in kleine stukjes
(duiven pingpongen)
- Continue (elke keer een bekrachtiging) en partiële (soms wel soms
niet) bekrachtiging --> continue werkt sneller, partiele komt vaker
voor en is hardnekkiger
Innerlijke factoren (zoals cognitie) niet nodig om gedrag te verklaren
volgens skinner
Bandura’s sociale leerheorie
,Observationeel leren/imitatie/modeling: Leren dat het resultaat is van het
observeren van het gedrag van anderen (models).
Leren is vaak cognitief proces
• Innerlijke representatie
• Nadenken over lange termijn consequenties
• Plaatsvervangende (vicarious) bekrachtiging en straf (van model)
• Symbolisch leren
• Acquisition vs. Performance (Bobo doll-experiment met opblaaspop)
Gebruik van gereedschap door
primaten (Koops, 2022)
Cognitieve microparadigma
“A child’s behavior in a particular social
situation will occur as a direct
reflection of his or her mental
processing of that situation” (Dodge &
Schwartz, 1997)
Voorbeelden van disfunctionele SIP:
Stap 1: Attentional bias, d.w.z.
selectieve
aandacht voor bedreigende informatie
en het
missen van belangrijke andere sociale
informatie.
Stap 2: Interpretatiefouten, d.w.z. neiging om negatieve emoties bij
anderen waar te nemen. Bijv. vaker interpreteren van intenties van
anderen als vijandig (hostile attribution bias) en van emoties van anderen
als boosheid of leedvermaak
Stap 3: Sterkere emoties van woede bij sociale problemen en minder
vaardigheid in emotieregulatie, d.w.z. in het omgaan met deze boosheid;
Grotere behoefte aan wraak; Meer op dominantie gerichte doelen en
minder op vriendschap en positieve uitkomsten gerichte doelen
Stap 4: Een beperkter repertoire aan mogelijke reacties op sociale
situaties, waarvan een groter proportie agressief is.
Stap 5: Positieve evaluatie van wraak; Grotere voorkeur voor agressieve
reacties, waarbij van niet-agressieve reacties minder positieve uitkomsten
worden verwacht; Zich competent voelen in uitvoeren van agressie;
Overschatting van de mate waarin anderen agressief gedrag vertonen en
goedkeuren; Overschatting van eigen sociale competentie.
Kennis en ervaringen (‘database’): Negatieve geheugenbias, d.w.z.
negatieve ervaringen worden beter herinnerd dan positieve.
, OPP: Macroparadigma
Modellen van (ab)normale ontwikkeling:
- Nadruk op (organische of psychologische) factoren in het kind:
o Trek-/Statusmodel
- Nadruk op factoren in de omgeving:
o Contextueel/Omgevingsmodel
- Nadruk op wisselwerking tussen factoren in het kind en de
omgeving:
o Interactiemodel
o Transactioneel/Transformationeel model
Goodness-of-Fit (interactie)