4.1.2
Biologische eenheden
1. Moleculen zijn bouwstenen van stoffen, bv DNA à hieruit bestaan chromosomen, DNA bevat
de erfelijke informatie van een organisme.
2. Organel = deel van een cel dat naar bouw en functie apart te onderscheiden is, omgeven door
een celmembraan.
3. Cel
4. Weefsel = cellen met dezelfde vorm en functie.
5. Orgaan (blad van plant, lever van mens) = deel van een organisme met een specifieke bouw
en functie, opgebouwd uit meerdere weefsels.
6. Als organen samen een bepaalde functie uitoefenen wordt dit ook wel organenstelsel
(bloedvatenstelsel van vogels, verteringsstelsel van mens) genoemd.
7. Organismen = bestaat uit meerdere organenstelsels.
8. Populatie = groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leven en zich
onderling voortplanten.
9. Levensgemeenschap = binnen een gebied leven populaties van verschillende soorten.
10. Ecosysteem (bos, meer, koraalrif) = gebied waarin abiotische en biotische factoren een
eenheid vormen.
- Abiotisch = invloeden uit de levenloze natuur (temperatuur, zonlicht).
- Biotisch = invloeden uit de levende natuur (concurrentie tussen organismen).
11. Biosfeer = het geheel aan ecosystemen op aarde.
Cel Cel bevat DNA ligt in Organellen
Prokaryoten Geen celkern Los in cel -
Eukaryoten Wel celkern In celkern Meerdere (vocuolen, bladgroenkorrels,
celkern)
Emergente eigenschappen
Hoe hoger de organisatieniveaus, hoe meer nieuwe eigenschappen die emergente eigenschappen
worden genoemd.
Bv een bloedvatenstelsel (organenstelsel) kan bloed rondpompen, een bloedcel (cel) kan dat niet.
Nummer Niveau Gebeurtenis Plaats
1 Molecuul Chemische reactie Zintuigcellen in oog
3 Cel Elektrische impuls Zintuigcel
5 Orgaan Impulsen verplaatsen zich Naar hersenen
5 Orgaan Bewustwording Hersenen
7 Organisme Reageren Individu
8 Populatie Teamsportgedrag Samenleving
4.1.3
Zelfregulatie
= biologische eenheden die zichzelf hierdoor levend houden, hiervoor moeten eenheden goed zijn
georganiseerd.
Door bv herstel van schade. Om dit te doen moeten ze ademhalen, eten en aanpassen aan omgeving.
Zelfregulatie komt door hormonen, zenuwen, zintuigen en via transport van stoffen.
Autotrofe organismen = maken eigen voedselzonlicht à fotosynthese à chemische energie.
Heterotrofe organismen = verbruiken energie die door autotrofe organismen is vastgelegd.
Energiestroom + kringloop van stoffen die ook
op het niveau van biosfeer waarneembaar zijn.
Biologische eenheden
1. Moleculen zijn bouwstenen van stoffen, bv DNA à hieruit bestaan chromosomen, DNA bevat
de erfelijke informatie van een organisme.
2. Organel = deel van een cel dat naar bouw en functie apart te onderscheiden is, omgeven door
een celmembraan.
3. Cel
4. Weefsel = cellen met dezelfde vorm en functie.
5. Orgaan (blad van plant, lever van mens) = deel van een organisme met een specifieke bouw
en functie, opgebouwd uit meerdere weefsels.
6. Als organen samen een bepaalde functie uitoefenen wordt dit ook wel organenstelsel
(bloedvatenstelsel van vogels, verteringsstelsel van mens) genoemd.
7. Organismen = bestaat uit meerdere organenstelsels.
8. Populatie = groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leven en zich
onderling voortplanten.
9. Levensgemeenschap = binnen een gebied leven populaties van verschillende soorten.
10. Ecosysteem (bos, meer, koraalrif) = gebied waarin abiotische en biotische factoren een
eenheid vormen.
- Abiotisch = invloeden uit de levenloze natuur (temperatuur, zonlicht).
- Biotisch = invloeden uit de levende natuur (concurrentie tussen organismen).
11. Biosfeer = het geheel aan ecosystemen op aarde.
Cel Cel bevat DNA ligt in Organellen
Prokaryoten Geen celkern Los in cel -
Eukaryoten Wel celkern In celkern Meerdere (vocuolen, bladgroenkorrels,
celkern)
Emergente eigenschappen
Hoe hoger de organisatieniveaus, hoe meer nieuwe eigenschappen die emergente eigenschappen
worden genoemd.
Bv een bloedvatenstelsel (organenstelsel) kan bloed rondpompen, een bloedcel (cel) kan dat niet.
Nummer Niveau Gebeurtenis Plaats
1 Molecuul Chemische reactie Zintuigcellen in oog
3 Cel Elektrische impuls Zintuigcel
5 Orgaan Impulsen verplaatsen zich Naar hersenen
5 Orgaan Bewustwording Hersenen
7 Organisme Reageren Individu
8 Populatie Teamsportgedrag Samenleving
4.1.3
Zelfregulatie
= biologische eenheden die zichzelf hierdoor levend houden, hiervoor moeten eenheden goed zijn
georganiseerd.
Door bv herstel van schade. Om dit te doen moeten ze ademhalen, eten en aanpassen aan omgeving.
Zelfregulatie komt door hormonen, zenuwen, zintuigen en via transport van stoffen.
Autotrofe organismen = maken eigen voedselzonlicht à fotosynthese à chemische energie.
Heterotrofe organismen = verbruiken energie die door autotrofe organismen is vastgelegd.
Energiestroom + kringloop van stoffen die ook
op het niveau van biosfeer waarneembaar zijn.