Ecologie: Onderlinge relaties tussen organismen en hun omgeving.
Aanpassing is belangrijk als iemand zich ontwikkeld.
Bio-ecologisch: de rol die organismen spelen bij het vormgeven van hun
omgeving in de loop van de tijd.
Socialisatie:
Socialisatie: Het proces waarbij individuen
kennis/vaardigheden/karaktereigenschappen verwerven om deel te nemen
aan de samenleving. Het bestaan van de maatschappij en sociale orde
verwerven.
Vind plaats in verschillende systemen, door de jaren heen, door interacties
en communicatie en in emotioneel belangrijke contexten.
Uniek menselijk proces > taal en denken > vermogen tot redeneren >
kenmerkend gedragspatroon ontwikkelen > attitudes van anderen
internaliseren > gedrag aanpassen > generlized other.
Wederkerig: reactie van een lokt reactie van ander uit.
Dynamisch: responses geven en responses ontvangen.
Opzettelijk: Consequent en expliciet.
Onbedoelde: onbewust door bijv. observaties.
Kinderen eigen rol in socialisatie:
Genen: genotype x omgeving:
o Passief: bepaalde aanleg beïnvloed door omgeving.
o Evocatief: genotype heeft neiging van reacties in de omgeving
uitlokken.
o Actief: omgeving zoeken die past bij genetische aanleg.
Temperament: gevoeligheid van individu.
o Easy.
o Slow-to-warm-up.
o Moeilijk.
Maturation: verandering in iemands ontwikkeling die samengaan met
ouder worden.
Het bio-socio-ecologische model van Bronfenbrenner:
Microsysteem: familie, school, peergroup, gemeenschap/buurt en media.
Mesosysteem: verbinden en relaties tussen microsysteem.
Exosysteem: indirecte invloed via microsysteem.
Macrosysteem.
o Low-context: individualistisch.
o High-context: culturen en samenwerking.
Chronosysteem: tijdelijke veranderingen in ecologische systemen >
nieuwe omstandigheden die ontstaan.
Hoofdstuk 2: Ecology of socialization
Socialisatieprocessen: intenties, doelen, methoden en resultaten.
, o Biologische factoren.
o Sociaalculturele factoren.
o Interactieve factoren.
Doelen van socialisatie:
Ontwikkeling zelfconcept: perceptie van individu en identiteit.
o Self-esteem.
o Kindertijd: regels en standaarden door belangrijke mensen in nabije
omgeving.
Looking-glas self: attituden van anderen reflecteren.
o Adolescentie: relateren aan anderen.
o Latere adolescentie: relateren naar gemeenschap.
o 8 fases van psychosociale ontwikkeling:
Trust vs. Mistrust.
Kwaliteit en consistentie van zorg.
Autonomy vs. Shame and doubt.
Cognitief en fysiek ontwikkelen > autonomie.
Initiative vs. Guilt.
Communiceren, dingen inbeelden, leren en vragen
stellen.
Industry vs. Inferiority.
Succes ervaren vs. Minderwaardigheid.
Identity vs. Identity diffusion.
Achievement: keuzes verkend + toewijding gemaakt.
Foreclosure: toewijding gemaakt zonder keuzes te
verkennen.
Searching moratorium: keuzes + toewijding opnieuw
geëvalueerd en verkend.
Diffusion: weinig verkennig van keuzes + geen
toewijding.
Intimacy vs. Isolation.
Generativity vs. Self-absorption.
Interesse in het vestigen en begeleiden van volgende
generatie.
Integrity vs. Despair.
Voltooiing van vorige 3 fases > ego-integriteit:
verantwoordelijk voor eigen leven.
Wanhoop > slechte gezondheid.
Ontwikkelingsvaardigheden implementeren.
o Ontwikkelingstaak: tussen individuele behoefte en maatschappelijke
eis.
o Verschilt per maatschappij.
o Bijv. ontwikkelen bewustzijn of fysieke wereld leren begrijpen.
Socialisatieactoren:
Familie: Voornaamste invloed op ontwikkelingsuitkomsten.
o Interactie binnen familie
o Eerste referentiegroep: groep wiens waarden, normen en praktijken
een persoon aanneemt en evalueert voor eigen gedrag.
, o Culturele gedragspatronen:
Collectivistisch vs. Individualistische oriëntatie.
Actieve vs. Passieve coping stijl.
Gericht op dingen gedaan krijgen vs. Gericht op het
zijn/worden (alles gebeurd door het lot).
Onderdanig vs. Egalitaire attitude over autoriteit.
Open, expressieve vs. Terughoudende, privé communicatie.
o Interdependent: Gezinsloyaliteit.
o Onafhankelijk: Individuele prestatie.
School en kinderopvang: Overdracht kennis, vaardigeden, overtuigingen en
plichten van de maatschappij.
o Schoolcurricula:
Academisch: lezen, schrijven, rekenen.
Beroepsmatig: voorbereiding arbeidsmarkt.
Sociaal en burgerlijk: voorbereiding participatie democratie.
Persoonlijk: individuele ontwikkeling.
o Leerboeken en leraar.
Peers: individuen met dezelfde leeftijd, status en interesses.
o Vanaf 3 jaar minder egocentrisch.
Massamedia: groot publiek ontvangt snel een bericht.
o Rolmodellen en reflecteren sociale attituden.
o Nadelen: generalisatie en stereotypering.
Gemeenschap: Broederschap met dezelfde interesses, woonplaats en
politiek en economisch verbonden.
o Educatie, recreatie, gemeenschapsveiligheid, burgerbetrokkenheid
en fysieke omgeving.
o Sociaal kapitaal: individuele/gemeenschappelijke tijd en energie in
activiteiten die sociale relaties creëren.
o Verschillende perspectieven op het leven en rolmodellen.
o Directe betrokkenheid: leren door te doen.
o Indirecte betrokkenheid: leren door instructies.
o Informeel sociaal systeem: familie, vrienden en buren.
o Formeel sociaal systeem: instituties of belangenbehartiging: iemand
spreekt of schrijft ter ondersteuning van een persoon.
Socialisatiemethoden:
Operante socialisatiemethode: produceren van effect.
o Reinforcement:
Positieve reinforcement: positieve stimulus toegediend.
Negatieve reinforcement: negatieve stimulus wordt
weggenomen.
Nadelen: individuen reageren verschillend.
o Shaping: Systematisch, onmiddellijke bekrachtiging van gewenst
gedrag.
o Extinction: geleidelijk verdwijnen van aangeleerd gedrag als
bekrachtiging stopt.
o Straf: toedienen van fysieke/psychologische aversieve stimuli.
Effectiviteit:
Timing.