- Eerste helft van de 19e eeuw
- Rond 1800 veranderingen door de Franse revolutie en de industrialisering
- De kunst van het hof (Barok, Rococo) wordt burgerlijke kunst
- Machthebbers van de revolutie (Napoleon)geven opdrachten aan
kunstenaars.
- Verlichting: zelf status vinden in de roemrijke en heldhaftige
historie(neoclassicisme)
2 stromingen naast elkaar in de 19e eeuw: neoclassicisme en romantiek:
- Gericht op stoffelijkheid/materie, aards, berekenbaar (neoclassicisme)
- Oneindige, onvoorspelbare geestelijke, intellectuele elite(romantiek)
Er zijn verschillende stromingen in de romantiek:
- Droom en fantasie
- Terug naar de natuur
- Vluchten naar vreemde exotische culturen
- Vluchten uit de werkelijkheid naar het verleden (neogotiek, neorenaissance,
neobarok)
Schilderkunst in de 19e eeuw:
- Op basis van verstand. Neoclassicisme (Frankrijk: David, Ingres)
- Op basis van gevoel (romantiek, Frankrijk: Delacroix, Engeland: Constable en
Turner, Duitsland: Friedrich)
- Naar het realisme (Frankrijk: de school van Barbizon en Courbert)
Kenmerken Romantiek algemeen:
- Veel emotie
- In Zuid-Europa fel kleurgebruik, groot licht/donker contrast
- Schilderijen leveren commentaar op de eigentijdse geschiedenis (Z-Eu)
- Gericht op het verleden, de eigen tijd is bedreigend (N-Eu)
- Dramatisch geladen, onheilspellende schilderijen (beide)
- Afschuw van machines/techniek en industrie (N-Eu)
- In Noord-Europa vooral de natuur superieur aan de mens
- De mens is nietig tegenover de natuurkrachten en de overweldigende natuur
(beide)
- Weergeven van ongerepte niet door de mens bedorven natuur (beide)
- Interesse voor exotische en oosterse culturen (beide)
Realisme (1840-1875)
- Belangstelling voor het leven van gewone mensen
- Buiten schetsen de natuur als onderwerp
- Mensen worden echt weergegeven (niet geïdealiseerd) met hun eigen
individuele trekken.
- Eenvoudige composities bepaald door datgene wat zich aan het oog voordoet.
Bouwkunst 19e eeuw (1800-1900)
2-deling: