Opvoeding en maatschappij
Hervormingen in de steun bij opgroeien en opvoeden
Feiten en cijfers – Jeugdhulp
Jeugdhulp omvat alle vormen van ondersteuning aan jeugdigen, variërend van
lichte en ambulante hulp tot intensieve en specialistische zorg. De
term jeugdzorg wordt vaak gebruikt als verzamelnaam. Deze omvat niet alleen
jeugdhulp, maar ook jeugdbescherming en jeugdreclassering. In onze
communicatie gebruiken we echter liever de term jeugdhulp,
waarbij jeugdzorg als een verwante term wordt gezien.
In 2024 telde Nederland ruim 4,9 miljoen jeugdigen tot 25 jaar. Van deze groep
kregen 472.685 jeugdigen één of meerdere vormen van jeugdhulp. Dit betekent
dat ongeveer één op de tien jeugdigen in Nederland ondersteuning ontvangt.
Sinds 2015 is de Jeugdwet van kracht. Deze wet is ingevoerd om ondersteuning
bij het opgroeien en opvoeden beter te organiseren. Het belangrijkste doel van
de wet is ervoor te zorgen dat jeugdigen en hun gezinnen tijdige en passende
hulp krijgen. De invoering van de wet heeft een hervormingsproces in gang
gezet, waarbij de nadruk ligt op maatwerk en betere aansluiting bij de behoeften
van jeugdigen.
De Jeugdwet
De Jeugdwet, die sinds 2015 van kracht is, vervangt de Wet op de jeugdzorg en
onderdelen van de Zorgverzekeringswet (jeugd-ggz) en de AWBZ (zorg voor
jeugdigen met een licht verstandelijke beperking). Met de invoering van deze wet
zijn de bestuurlijke verantwoordelijkheden voor jeugdhulp gedecentraliseerd naar
de gemeenten.
De belangrijkste aanleiding voor de Jeugdwet was het aanpakken van
tekortkomingen in het toenmalige stelsel. Er was sprake van een grote druk op
professionele hulp, onnodige medicalisering, gebrekkige samenwerking tussen
verschillende instanties en bovendien hoge kosten.
Bij de invoering van de wet zijn twee centrale overwegingen gemaakt. Ten eerste
werd het bieden van steun bij opgroeien en opvoeden belegd bij de bestuurslaag
die het dichtst bij jeugdigen en ouders staat: de gemeenten. Ten tweede is
gekozen voor één financieringsstroom voor het ondersteuningsaanbod, om
versnippering tegen te gaan en meer samenhang te creëren.
De inhoudelijke overwegingen die aan de basis liggen van de Jeugdwet worden
ook wel de transformatiedoelen genoemd. Deze doelen geven richting aan de
hervorming van de jeugdhulp en benadrukken hoe het stelsel beter moet
aansluiten bij de behoeften van jeugdigen en hun gezinnen.
De belangrijkste transformatiedoelen zijn:
, Er moet meer nadruk liggen op preventie, zodat problemen zo veel
mogelijk kunnen worden voorkomen in plaats van pas aangepakt wanneer
ze ernstig zijn.
Het is belangrijk om de tendens tot medicaliseren tegen te gaan,
zodat kinderen en jongeren niet onnodig in een medisch traject
terechtkomen wanneer lichtere vormen van ondersteuning volstaan.
Jeugdigen en gezinnen moeten eerder de juiste hulp op maat kunnen
krijgen, zodat ondersteuning sneller, effectiever en meer afgestemd op de
situatie wordt ingezet.
Hulp moet zoveel mogelijk integraal worden geboden, waarbij
verschillende disciplines en domeinen samenwerken rond het kind en het
gezin.
Tot slot is het van belang dat er meer ruimte komt voor
professionals om hun deskundigheid in te zetten en maatwerk te
leveren, in plaats van te werken volgens strakke regels en protocollen.
Verbouwen en vernieuwen
De invoering van de Jeugdwet betekende niet alleen een transitie van het stelsel,
maar ook een transformatie van de inhoud. Met andere woorden:
de transitie ging over de nieuwe structuur van verantwoordelijkheden, terwijl
de transformatie draaide om de inhoudelijke vernieuwing van de jeugdhulp.
Samen vormen zij het nieuwe stelsel met bijbehorende werkwijzen.
Om de transformatie te ondersteunen zijn verspreid over het land projecten
gestart waarin wordt geëxperimenteerd met nieuwe werkwijzen die aansluiten bij
de transformatiedoelen. Een goed voorbeeld hiervan zijn de regionale
kenniswerkplaatsen jeugd.
In deze kenniswerkplaatsen werken professionals uit de praktijk, het beleid,
opleidingen en onderzoek samen met jeugdigen en ouders. Samen pakken zij
regionale vraagstukken op, wisselen ze kennis en ervaring uit en ontwikkelen zij
oplossingen die beter aansluiten bij de behoeften van kinderen en gezinnen.
Het Lectoraat Jeugd is actief betrokken bij twee Utrechtse werkplaatsen en
draagt daar bij aan de verbinding tussen kennis, praktijk en beleid.
Principes van ontzorgen en normaliseren
Een belangrijk inhoudelijk fundament onder de Jeugdwet wordt gevormd door de
principes van ontzorgen en normaliseren. Deze principes zijn in 2012
benadrukt in een adviesrapport van de Raad voor Maatschappelijke
Ontwikkeling (RMO).
Met ontzorgen wordt bedoeld dat gezinnen niet onnodig afhankelijk moeten
worden gemaakt van professionele hulp, maar dat hun eigen kracht en netwerk
, zoveel mogelijk worden benut. Normaliseren houdt in dat opgroeien en opvoeden
gepaard kan gaan met alledaagse problemen die niet altijd hoeven te leiden tot
formele jeugdhulp. Het doel is om eerst te kijken wat in de eigen omgeving en
binnen het gewone leven kan worden opgelost, en pas daarna professionele
ondersteuning in te zetten.
In 2020 heeft de toenmalige raad deze principes opnieuw onder de aandacht
gebracht en benadrukt dat ze nog steeds relevant zijn voor het verder verbeteren
van het jeugdstelsel.
Kern van het RMO-rapport (2012)
In 2012 bracht de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) een advies uit
waarin de principes van ontzorgen en normaliseren centraal stonden. De raad
stelde dat elk gezin vragen heeft over opvoeding. In de meeste gevallen
weten gezinnen daar zelf uit te komen, al dan niet met ondersteuning vanuit hun
eigen sociale netwerk of de nabije professionele omgeving. Soms is echter meer
professionele hulp nodig.
De RMO constateerde dat opvoedvragen in de praktijk vaak te snel uitgroeiden
tot opvoedproblemen. Het beschikbare hulpaanbod sloot daarbij onvoldoende
aan: het was vaak te zwaar, niet passend en bood geen duurzame oplossing.
Hierdoor liep de jeugdzorg tegen haar grenzen aan, met lange wachtlijsten en
stijgende kosten tot gevolg.
Oplossingsrichting: eerstelijns gezinszorg
Volgens de raad lag de oplossing in het versterken van eerstelijns
gezinszorg, gebaseerd op de principes van ontzorgen en normaliseren.
Ontzorgen betekent het versterken van de veerkracht bij ouders en
jongeren, zodat zij beter in staat zijn om zelf met uitdagingen om te gaan.
Normaliseren verwijst naar het tegengaan van het onnodig
problematiseren en etiketteren van alledaagse opvoedvragen.
Om steun bij opgroeien en opvoeden volgens deze principes vorm te geven, is
het volgens de RMO nodig om meer te investeren in de sociaalpedagogische
omgeving. Dit idee werd destijds al onderstreept in beleidsnota’s van het
voormalige ministerie voor Jeugd en Gezin. Toch bleef in de praktijk de focus
vooral liggen op ingrijpen, mede gedreven door incidenten en de wens om
risico’s te voorkomen. Hierdoor was er veel minder aandacht voor
het versterken van pedagogische basisvoorzieningen, zoals speeltuinen,
buurtwerk, onderwijs en kinderopvang, en voor het stimuleren van
(mede)opvoeders om elkaar onderling te steunen.
Veiligheidsbeleid en medicalisering
De RMO wees daarnaast op een bredere maatschappelijke trend waarin beleid
zich steeds meer ontwikkelde tot veiligheidsbeleid in plaats van
gezinsbeleid. In een samenleving waar afwijkend gedrag en risico’s steeds
minder worden geaccepteerd, ontstond een sterke neiging tot problematiseren.
Dit leidde tot een pathologiserende trend: het aantal diagnoses nam sterk toe,
Hervormingen in de steun bij opgroeien en opvoeden
Feiten en cijfers – Jeugdhulp
Jeugdhulp omvat alle vormen van ondersteuning aan jeugdigen, variërend van
lichte en ambulante hulp tot intensieve en specialistische zorg. De
term jeugdzorg wordt vaak gebruikt als verzamelnaam. Deze omvat niet alleen
jeugdhulp, maar ook jeugdbescherming en jeugdreclassering. In onze
communicatie gebruiken we echter liever de term jeugdhulp,
waarbij jeugdzorg als een verwante term wordt gezien.
In 2024 telde Nederland ruim 4,9 miljoen jeugdigen tot 25 jaar. Van deze groep
kregen 472.685 jeugdigen één of meerdere vormen van jeugdhulp. Dit betekent
dat ongeveer één op de tien jeugdigen in Nederland ondersteuning ontvangt.
Sinds 2015 is de Jeugdwet van kracht. Deze wet is ingevoerd om ondersteuning
bij het opgroeien en opvoeden beter te organiseren. Het belangrijkste doel van
de wet is ervoor te zorgen dat jeugdigen en hun gezinnen tijdige en passende
hulp krijgen. De invoering van de wet heeft een hervormingsproces in gang
gezet, waarbij de nadruk ligt op maatwerk en betere aansluiting bij de behoeften
van jeugdigen.
De Jeugdwet
De Jeugdwet, die sinds 2015 van kracht is, vervangt de Wet op de jeugdzorg en
onderdelen van de Zorgverzekeringswet (jeugd-ggz) en de AWBZ (zorg voor
jeugdigen met een licht verstandelijke beperking). Met de invoering van deze wet
zijn de bestuurlijke verantwoordelijkheden voor jeugdhulp gedecentraliseerd naar
de gemeenten.
De belangrijkste aanleiding voor de Jeugdwet was het aanpakken van
tekortkomingen in het toenmalige stelsel. Er was sprake van een grote druk op
professionele hulp, onnodige medicalisering, gebrekkige samenwerking tussen
verschillende instanties en bovendien hoge kosten.
Bij de invoering van de wet zijn twee centrale overwegingen gemaakt. Ten eerste
werd het bieden van steun bij opgroeien en opvoeden belegd bij de bestuurslaag
die het dichtst bij jeugdigen en ouders staat: de gemeenten. Ten tweede is
gekozen voor één financieringsstroom voor het ondersteuningsaanbod, om
versnippering tegen te gaan en meer samenhang te creëren.
De inhoudelijke overwegingen die aan de basis liggen van de Jeugdwet worden
ook wel de transformatiedoelen genoemd. Deze doelen geven richting aan de
hervorming van de jeugdhulp en benadrukken hoe het stelsel beter moet
aansluiten bij de behoeften van jeugdigen en hun gezinnen.
De belangrijkste transformatiedoelen zijn:
, Er moet meer nadruk liggen op preventie, zodat problemen zo veel
mogelijk kunnen worden voorkomen in plaats van pas aangepakt wanneer
ze ernstig zijn.
Het is belangrijk om de tendens tot medicaliseren tegen te gaan,
zodat kinderen en jongeren niet onnodig in een medisch traject
terechtkomen wanneer lichtere vormen van ondersteuning volstaan.
Jeugdigen en gezinnen moeten eerder de juiste hulp op maat kunnen
krijgen, zodat ondersteuning sneller, effectiever en meer afgestemd op de
situatie wordt ingezet.
Hulp moet zoveel mogelijk integraal worden geboden, waarbij
verschillende disciplines en domeinen samenwerken rond het kind en het
gezin.
Tot slot is het van belang dat er meer ruimte komt voor
professionals om hun deskundigheid in te zetten en maatwerk te
leveren, in plaats van te werken volgens strakke regels en protocollen.
Verbouwen en vernieuwen
De invoering van de Jeugdwet betekende niet alleen een transitie van het stelsel,
maar ook een transformatie van de inhoud. Met andere woorden:
de transitie ging over de nieuwe structuur van verantwoordelijkheden, terwijl
de transformatie draaide om de inhoudelijke vernieuwing van de jeugdhulp.
Samen vormen zij het nieuwe stelsel met bijbehorende werkwijzen.
Om de transformatie te ondersteunen zijn verspreid over het land projecten
gestart waarin wordt geëxperimenteerd met nieuwe werkwijzen die aansluiten bij
de transformatiedoelen. Een goed voorbeeld hiervan zijn de regionale
kenniswerkplaatsen jeugd.
In deze kenniswerkplaatsen werken professionals uit de praktijk, het beleid,
opleidingen en onderzoek samen met jeugdigen en ouders. Samen pakken zij
regionale vraagstukken op, wisselen ze kennis en ervaring uit en ontwikkelen zij
oplossingen die beter aansluiten bij de behoeften van kinderen en gezinnen.
Het Lectoraat Jeugd is actief betrokken bij twee Utrechtse werkplaatsen en
draagt daar bij aan de verbinding tussen kennis, praktijk en beleid.
Principes van ontzorgen en normaliseren
Een belangrijk inhoudelijk fundament onder de Jeugdwet wordt gevormd door de
principes van ontzorgen en normaliseren. Deze principes zijn in 2012
benadrukt in een adviesrapport van de Raad voor Maatschappelijke
Ontwikkeling (RMO).
Met ontzorgen wordt bedoeld dat gezinnen niet onnodig afhankelijk moeten
worden gemaakt van professionele hulp, maar dat hun eigen kracht en netwerk
, zoveel mogelijk worden benut. Normaliseren houdt in dat opgroeien en opvoeden
gepaard kan gaan met alledaagse problemen die niet altijd hoeven te leiden tot
formele jeugdhulp. Het doel is om eerst te kijken wat in de eigen omgeving en
binnen het gewone leven kan worden opgelost, en pas daarna professionele
ondersteuning in te zetten.
In 2020 heeft de toenmalige raad deze principes opnieuw onder de aandacht
gebracht en benadrukt dat ze nog steeds relevant zijn voor het verder verbeteren
van het jeugdstelsel.
Kern van het RMO-rapport (2012)
In 2012 bracht de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) een advies uit
waarin de principes van ontzorgen en normaliseren centraal stonden. De raad
stelde dat elk gezin vragen heeft over opvoeding. In de meeste gevallen
weten gezinnen daar zelf uit te komen, al dan niet met ondersteuning vanuit hun
eigen sociale netwerk of de nabije professionele omgeving. Soms is echter meer
professionele hulp nodig.
De RMO constateerde dat opvoedvragen in de praktijk vaak te snel uitgroeiden
tot opvoedproblemen. Het beschikbare hulpaanbod sloot daarbij onvoldoende
aan: het was vaak te zwaar, niet passend en bood geen duurzame oplossing.
Hierdoor liep de jeugdzorg tegen haar grenzen aan, met lange wachtlijsten en
stijgende kosten tot gevolg.
Oplossingsrichting: eerstelijns gezinszorg
Volgens de raad lag de oplossing in het versterken van eerstelijns
gezinszorg, gebaseerd op de principes van ontzorgen en normaliseren.
Ontzorgen betekent het versterken van de veerkracht bij ouders en
jongeren, zodat zij beter in staat zijn om zelf met uitdagingen om te gaan.
Normaliseren verwijst naar het tegengaan van het onnodig
problematiseren en etiketteren van alledaagse opvoedvragen.
Om steun bij opgroeien en opvoeden volgens deze principes vorm te geven, is
het volgens de RMO nodig om meer te investeren in de sociaalpedagogische
omgeving. Dit idee werd destijds al onderstreept in beleidsnota’s van het
voormalige ministerie voor Jeugd en Gezin. Toch bleef in de praktijk de focus
vooral liggen op ingrijpen, mede gedreven door incidenten en de wens om
risico’s te voorkomen. Hierdoor was er veel minder aandacht voor
het versterken van pedagogische basisvoorzieningen, zoals speeltuinen,
buurtwerk, onderwijs en kinderopvang, en voor het stimuleren van
(mede)opvoeders om elkaar onderling te steunen.
Veiligheidsbeleid en medicalisering
De RMO wees daarnaast op een bredere maatschappelijke trend waarin beleid
zich steeds meer ontwikkelde tot veiligheidsbeleid in plaats van
gezinsbeleid. In een samenleving waar afwijkend gedrag en risico’s steeds
minder worden geaccepteerd, ontstond een sterke neiging tot problematiseren.
Dit leidde tot een pathologiserende trend: het aantal diagnoses nam sterk toe,