Rechtshandhaving en politie
W3 gebleven
Leerdoelen toetsen
LIT 1
Adang, O. M. J. (2014)
Crowd control/ riot control -> Grootschalige handhaving van de openbare orde. Met
maatregelen om het gedrag van groepen mensen in te perken, al dan niet met het gebruiken
van geweld.
Crowd magament -> de systematische planning voor en het sturing geven aan het ordelijke
verloop van gebeurtenissen waarbij zich grote groepen mensen verzamelen.
Crowd control -> maatregelen die worden genomen als onderdeel van crowd management.
Krachtens de gemeentewet is de burgemeester ook belast met de handhaving van de
openbare orde in de gemeente. Krachtens de politiewet is de burgemeester ook het
bevoegd gezag voor het handelen van de politie op het gebied van ordehandhaving en moet
daarover verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
Repressieve tolerantie van de politie bij een demonstratie betekent dat de demonstratie
wordt toegestaan, maar onder strikte controle en met de dreiging van ingrijpen bij
overtredingen of ordeverstoringen.
Vergeleken met Frankrijk hebben wij in Nederland geen last van grootschallige etnische
rellen. Dit komt omdat er geen cumulatie is van etnisch gerelateerde risicofactoren. Ook
werken wij de-escalerend omdat wij achterstanden proberen weg te werken en het beleid
meer gericht is op sociale cohesie.
Flashpoint model -> model dat alle stadia van rellen omschrijft. Flashpoint -> startincident.
Het model maakt gebruik van 6 dimensies: de onmiddellijk interactionele dimensie, de
situationele dimensie, de contectuele, de culturele, de sociaalpolitieke en de structurele.
Het initiatie/escalatie model van collectief geweld-> maakt onderscheid tussen factoren die
interactioneel en situationeel een rol spelen bij het ontstaan van collectief geweld en
factoren die verantwoordelijk zijn voor de escalatie ervan.
2 manieren waarop collectief geweld begint:
- In reactie op een specifieke gebeurtenis die als aanleiding fungeert -> reactief
- Schijnbaar spontaan zonder aanleiding -> niet reactief
Young male syndrom -> de neiging van jonge mannen om risico’s te nemen of geweld te
gebruiken, met name in groepsverband.
,De politie wordt vaker vermeden dan opgezocht, zelfs als de harde kern de confrontatie
aangaat, doen ze het op afstand door bijvoorbeeld te schelden of te gebaren. Als ze ervoor
kiezen om de politie te belagen met objecten, houden ze ook afstand. Er zijn er maar weinig
die de fysieke escalatie echt durven aan te gaan in deze context. Het geweld tijdens
grootschalige evenementen zijn vaak opportunistisch van aard en gelegenheden om
ongestraft geweld te kunnen plegen, spelen een rol.
De dynamiek van intergroepsinteractie (bijv. rivaliserende voetbalsupporters) is verbonden
met de psychologie van massale ordeverstoringen.
4 strategische principes voor succesvolle openbare orde handhaving (Reicher)
1. Kennis: politietactieken moeten passen bij risico-inschattingen. Het is van groot
praktisch belang bekend te zijn met de sociale identiteiten van de betrokkenen. Hun
waarden, normen, doelen, gevoel voor wat rechtvaardig is, symboliek.
2. Communicatie: Het is belangrijk om duidelijk en actief met alle betrokkenen te
communiceren. Dit kan het beste gedaan worden door personen die bekend of
betrokkenen zijn en door de groep worden vertrouwd. Het liefst op een manier en in
een taal die ze begrijpen. Bijv. politiecollega’s van dezelfde afkomst inzetten bij
bepaalde etnische groeperingen.
3. Faciliteren binnen grenzen: Als de doelen en intenties redelijk en legitiem zijn dient
de politie deze te faciliteren binnen de gestelde kaders. Als er grenzen gesteld
worden is het belangrijk de redenen duidelijk te maken en aan te geven hoe
legitieme doelen op een andere manier kunnen worden bereikt.
4. Differentiatie: Differentiëren tussen individuen en groepen die daadwerkelijk een
bedreiging zijn voor de openbare orde. De mensen die het deviante gedrag niet
vertonen dienen te allen tijde uitgangspunt te zijn bij iedere tactische beslissing,
training, uitrusting en debriefing.
Volgens Muller is behoefte aan meer evidence based kennis over succesvolle maatregelen.
Op dit moment is de beschikbare kennis vooral experience/practice based.
Het belangrijkste verschil russen kleinschalig en grootschalig politieoptreden, is de schaal
van de gebeurtenissen: de (on)wetmatigheden in menselijke gedragingen veranderen niet.
Om goede werkwijzen te vinden, moet onderzoek zich niet beperken tot ordeverstoringen
en incidenten, maar zich ook richten op gebeurtenissen die niet uit de hand lopen of
escaleren en waarbij de orde gehandhaafd wordt.
Kop, N. & Klerks, P. (2024)
Opsporen en recherche is niet hetzelfde. Ook collega’s in de noodhulp zijn
opsporingsambtenaren. Fictional policing -> hoe het politiewerk eruit ziet in films en boeken
etc. factual policing -> zoals het echt gaat. Opsporing -> het verzamelen, registreren en
verwerken van gegevens en informatie – op grond van een redelijk vermoeden van te plegen
,strafbare feiten die gezien hun aard of het georganiseerde verband waarin ze worden
begaan, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, of – op grond van ten minste
duidelijke aanwijzingen van gepleegde strafbare feiten, met het doel te komen tot een
strafrechtelijke sanctie. Volgens Art. 132a: Sv -> Onder opsporing wordt verstaan het
onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de OvJ met als doel het nemen
van strafvorderlijke beslissingen. Kenmerkend voor de opsporing is het eenduidig en
routinematig werken waarbij protocollen een hoofdrol spelen. Een belangrijk doel is het
verzamelen van wettig en overtuigend bewijs. Uiteindelijk zal de rechter bepalen of het
wettige bewijs is geleverd en of de rechter diegene schuldig acht van het feit. De werkwijze
van opsporinginstanties -> wettige en overtuigend bewijs leveren dat een verdachte het
strafbare feit waarvan hij wordt verdacht, heeft begaan. Het opsporen van criminaliteit vindt
op lokaal, regionaal en landelijk niveau plaats. Lokale opsporing -> basisteams en
districstrecherche. Regionale en (inter)nationale opsporing -> regionale recherche en LX
(landelijke eenheid). Rijksrecherche -> doet onderzoek naar incidenten waarbij
politieambtenaren tijdens het uitvoeren van het beroep betrokken zijn. bijv. bij gebruik
vuurwapen of geweld. Districtsrecherche -> opsporing criminaliteit met een hoge impact
zoals geweld, straatroven, overvallen en inbraken. TGO-> team grootschalig onderzoek dat
wordt opgestart bij ernstige delicten met maatschappelijke impact zoals moord, ontvoering
en gijzeling. DRR-> Dienst regionale recherche -> meer specialistische criminaliteit zoals
zwaardere georganiseerde misdaad. DR hoort dus bij het basisteam en DRR niet.
Ophelderingspercentage -> een misdrijf is opgehelderd ongeacht of het tot een veroordeling
gaat leiden. Oplossingspercentage -> het percentage misdrijven dat daadwerkelijk juridisch
wordt opgelost. Het ophelderingspercentage is dan natuurlijk hoger.
3 indicatoren die van invloed zijn op de effectiviteit van opsporing:
- Snelheid van de reactie op een misdrijf ->gouden uur (onmiddellijk na het plegen van
een delict waarin de kans dat een verdachte wordt gevonden het grootst is) ook wel
heterdaadkracht of t=0 genoemd, als in tijd is 0
- Het vermogen van de politie om verkregen informatie snel en efficiënt te verwerken.
- Het vermogen om informatie uit talloze bronnen elkaar in verband te brengen.
De mate waarin de politie in staat is in deze factoren te voorzien bepaalt in hoeverre zij in
staat is om de ophelderingspercentage te verhogen.
Brengcriminaliteit -> opsporen nav informatie die er wordt gebracht door de burger bijv. via
de balie of telefoon
Haalcriminaliteit -> politie ‘haalt’ criminaliteit door eigen inspanningen.
P x Q- financiering -> budgetten van arrondissementsparketten (OM kantoor van een
rechtsgebouw) zijn voor een groot deel gebaseerd op het aantal afgehandelde
parketnummers. Een zaak krijgt een parketnummer als het is afgesloten of verdergebracht
naar de rechter.
, Aanwijzing voor de opsporing -> het afwegingskader voor de keuzes in de opsporing en
vervolging van misdrijven. 5 doelen van dit kader:
- De beschikbare capaciteit zo goed mogelijk inzetten
- Rechtsgelijkheid bevorderen
- OM bepaalt criteria voor casescreening (ter beoordeling of een zaak wordt opgepakt
en zo ja met welke prioriteit)
- Het definieert een ondergrens qua wat er van de politie wordt verwacht van de
opsporing
- Verantwoorden welke keuzes het OM heeft gemaakt bij de aanpak van criminaliteit
met een zo groot mogelijk maatschappelijk effect.
Terpstra, J., Duijneveldt, van, I., Eikenaar, T., Havinga, T. & Stokkom, van, B. (2016)
Basisteams en functies van politiewerk
Binnen de Nationale Politie zijn basisteams verantwoordelijk voor het reguliere politiewerk
in hun werkgebied, verdeeld over de vier functies: noodhulp, wijkwerk, opsporing en
intake. Deze teams moeten zelfstandig en slagvaardig kunnen werken, met voldoende
middelen en capaciteit.
Met de reorganisatie naar de Nationale Politie zijn oude termen en specialisaties veranderd.
Zo is de term “noodhulp” beleidsmatig vrijwel verdwenen, omdat deze te beperkt en
reactief werd geacht. Noodhulpmedewerkers zijn nu onderdeel van bredere basisteams, wat
leidt tot veranderingen in werkcultuur, autonomie en sociale banden. Veel medewerkers
ervaren weerstand tegen de nieuwe rol, omdat zij waarde hechten aan het traditionele
rijden van meldingen en de spanning van noodhulpwerk.
Bij wijkwerk hebben wijkagenten een centrale rol gekregen als regisseurs van
gebiedsgebonden politiewerk. Ze coördineren opdrachten binnen het team en met externe
partners. De overgang naar grotere basisteams kan echter leiden tot verlies van directe
contacten en informele samenwerking, waardoor sommige wijkagenten hun oude werkwijze
blijven hanteren om effectiever te kunnen opereren.
Kortom, de reorganisatie beoogt meer integratie, bredere taken en een strategischere
aanpak, maar op de werkvloer leiden dit tot weerstand, culturele botsingen en verschillen
per team in de uitvoering van politiewerk.
1. Werkwijze wijkagenten
Wijkagenten lossen problemen vaak op hun eigen manier op, vooral als zij geloven
dat formele opdrachten weinig helpen.
Ze onderhouden informele contacten met collega’s en partners en geven vaak
prioriteit aan directe aanpak in hun wijk.
W3 gebleven
Leerdoelen toetsen
LIT 1
Adang, O. M. J. (2014)
Crowd control/ riot control -> Grootschalige handhaving van de openbare orde. Met
maatregelen om het gedrag van groepen mensen in te perken, al dan niet met het gebruiken
van geweld.
Crowd magament -> de systematische planning voor en het sturing geven aan het ordelijke
verloop van gebeurtenissen waarbij zich grote groepen mensen verzamelen.
Crowd control -> maatregelen die worden genomen als onderdeel van crowd management.
Krachtens de gemeentewet is de burgemeester ook belast met de handhaving van de
openbare orde in de gemeente. Krachtens de politiewet is de burgemeester ook het
bevoegd gezag voor het handelen van de politie op het gebied van ordehandhaving en moet
daarover verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
Repressieve tolerantie van de politie bij een demonstratie betekent dat de demonstratie
wordt toegestaan, maar onder strikte controle en met de dreiging van ingrijpen bij
overtredingen of ordeverstoringen.
Vergeleken met Frankrijk hebben wij in Nederland geen last van grootschallige etnische
rellen. Dit komt omdat er geen cumulatie is van etnisch gerelateerde risicofactoren. Ook
werken wij de-escalerend omdat wij achterstanden proberen weg te werken en het beleid
meer gericht is op sociale cohesie.
Flashpoint model -> model dat alle stadia van rellen omschrijft. Flashpoint -> startincident.
Het model maakt gebruik van 6 dimensies: de onmiddellijk interactionele dimensie, de
situationele dimensie, de contectuele, de culturele, de sociaalpolitieke en de structurele.
Het initiatie/escalatie model van collectief geweld-> maakt onderscheid tussen factoren die
interactioneel en situationeel een rol spelen bij het ontstaan van collectief geweld en
factoren die verantwoordelijk zijn voor de escalatie ervan.
2 manieren waarop collectief geweld begint:
- In reactie op een specifieke gebeurtenis die als aanleiding fungeert -> reactief
- Schijnbaar spontaan zonder aanleiding -> niet reactief
Young male syndrom -> de neiging van jonge mannen om risico’s te nemen of geweld te
gebruiken, met name in groepsverband.
,De politie wordt vaker vermeden dan opgezocht, zelfs als de harde kern de confrontatie
aangaat, doen ze het op afstand door bijvoorbeeld te schelden of te gebaren. Als ze ervoor
kiezen om de politie te belagen met objecten, houden ze ook afstand. Er zijn er maar weinig
die de fysieke escalatie echt durven aan te gaan in deze context. Het geweld tijdens
grootschalige evenementen zijn vaak opportunistisch van aard en gelegenheden om
ongestraft geweld te kunnen plegen, spelen een rol.
De dynamiek van intergroepsinteractie (bijv. rivaliserende voetbalsupporters) is verbonden
met de psychologie van massale ordeverstoringen.
4 strategische principes voor succesvolle openbare orde handhaving (Reicher)
1. Kennis: politietactieken moeten passen bij risico-inschattingen. Het is van groot
praktisch belang bekend te zijn met de sociale identiteiten van de betrokkenen. Hun
waarden, normen, doelen, gevoel voor wat rechtvaardig is, symboliek.
2. Communicatie: Het is belangrijk om duidelijk en actief met alle betrokkenen te
communiceren. Dit kan het beste gedaan worden door personen die bekend of
betrokkenen zijn en door de groep worden vertrouwd. Het liefst op een manier en in
een taal die ze begrijpen. Bijv. politiecollega’s van dezelfde afkomst inzetten bij
bepaalde etnische groeperingen.
3. Faciliteren binnen grenzen: Als de doelen en intenties redelijk en legitiem zijn dient
de politie deze te faciliteren binnen de gestelde kaders. Als er grenzen gesteld
worden is het belangrijk de redenen duidelijk te maken en aan te geven hoe
legitieme doelen op een andere manier kunnen worden bereikt.
4. Differentiatie: Differentiëren tussen individuen en groepen die daadwerkelijk een
bedreiging zijn voor de openbare orde. De mensen die het deviante gedrag niet
vertonen dienen te allen tijde uitgangspunt te zijn bij iedere tactische beslissing,
training, uitrusting en debriefing.
Volgens Muller is behoefte aan meer evidence based kennis over succesvolle maatregelen.
Op dit moment is de beschikbare kennis vooral experience/practice based.
Het belangrijkste verschil russen kleinschalig en grootschalig politieoptreden, is de schaal
van de gebeurtenissen: de (on)wetmatigheden in menselijke gedragingen veranderen niet.
Om goede werkwijzen te vinden, moet onderzoek zich niet beperken tot ordeverstoringen
en incidenten, maar zich ook richten op gebeurtenissen die niet uit de hand lopen of
escaleren en waarbij de orde gehandhaafd wordt.
Kop, N. & Klerks, P. (2024)
Opsporen en recherche is niet hetzelfde. Ook collega’s in de noodhulp zijn
opsporingsambtenaren. Fictional policing -> hoe het politiewerk eruit ziet in films en boeken
etc. factual policing -> zoals het echt gaat. Opsporing -> het verzamelen, registreren en
verwerken van gegevens en informatie – op grond van een redelijk vermoeden van te plegen
,strafbare feiten die gezien hun aard of het georganiseerde verband waarin ze worden
begaan, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, of – op grond van ten minste
duidelijke aanwijzingen van gepleegde strafbare feiten, met het doel te komen tot een
strafrechtelijke sanctie. Volgens Art. 132a: Sv -> Onder opsporing wordt verstaan het
onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de OvJ met als doel het nemen
van strafvorderlijke beslissingen. Kenmerkend voor de opsporing is het eenduidig en
routinematig werken waarbij protocollen een hoofdrol spelen. Een belangrijk doel is het
verzamelen van wettig en overtuigend bewijs. Uiteindelijk zal de rechter bepalen of het
wettige bewijs is geleverd en of de rechter diegene schuldig acht van het feit. De werkwijze
van opsporinginstanties -> wettige en overtuigend bewijs leveren dat een verdachte het
strafbare feit waarvan hij wordt verdacht, heeft begaan. Het opsporen van criminaliteit vindt
op lokaal, regionaal en landelijk niveau plaats. Lokale opsporing -> basisteams en
districstrecherche. Regionale en (inter)nationale opsporing -> regionale recherche en LX
(landelijke eenheid). Rijksrecherche -> doet onderzoek naar incidenten waarbij
politieambtenaren tijdens het uitvoeren van het beroep betrokken zijn. bijv. bij gebruik
vuurwapen of geweld. Districtsrecherche -> opsporing criminaliteit met een hoge impact
zoals geweld, straatroven, overvallen en inbraken. TGO-> team grootschalig onderzoek dat
wordt opgestart bij ernstige delicten met maatschappelijke impact zoals moord, ontvoering
en gijzeling. DRR-> Dienst regionale recherche -> meer specialistische criminaliteit zoals
zwaardere georganiseerde misdaad. DR hoort dus bij het basisteam en DRR niet.
Ophelderingspercentage -> een misdrijf is opgehelderd ongeacht of het tot een veroordeling
gaat leiden. Oplossingspercentage -> het percentage misdrijven dat daadwerkelijk juridisch
wordt opgelost. Het ophelderingspercentage is dan natuurlijk hoger.
3 indicatoren die van invloed zijn op de effectiviteit van opsporing:
- Snelheid van de reactie op een misdrijf ->gouden uur (onmiddellijk na het plegen van
een delict waarin de kans dat een verdachte wordt gevonden het grootst is) ook wel
heterdaadkracht of t=0 genoemd, als in tijd is 0
- Het vermogen van de politie om verkregen informatie snel en efficiënt te verwerken.
- Het vermogen om informatie uit talloze bronnen elkaar in verband te brengen.
De mate waarin de politie in staat is in deze factoren te voorzien bepaalt in hoeverre zij in
staat is om de ophelderingspercentage te verhogen.
Brengcriminaliteit -> opsporen nav informatie die er wordt gebracht door de burger bijv. via
de balie of telefoon
Haalcriminaliteit -> politie ‘haalt’ criminaliteit door eigen inspanningen.
P x Q- financiering -> budgetten van arrondissementsparketten (OM kantoor van een
rechtsgebouw) zijn voor een groot deel gebaseerd op het aantal afgehandelde
parketnummers. Een zaak krijgt een parketnummer als het is afgesloten of verdergebracht
naar de rechter.
, Aanwijzing voor de opsporing -> het afwegingskader voor de keuzes in de opsporing en
vervolging van misdrijven. 5 doelen van dit kader:
- De beschikbare capaciteit zo goed mogelijk inzetten
- Rechtsgelijkheid bevorderen
- OM bepaalt criteria voor casescreening (ter beoordeling of een zaak wordt opgepakt
en zo ja met welke prioriteit)
- Het definieert een ondergrens qua wat er van de politie wordt verwacht van de
opsporing
- Verantwoorden welke keuzes het OM heeft gemaakt bij de aanpak van criminaliteit
met een zo groot mogelijk maatschappelijk effect.
Terpstra, J., Duijneveldt, van, I., Eikenaar, T., Havinga, T. & Stokkom, van, B. (2016)
Basisteams en functies van politiewerk
Binnen de Nationale Politie zijn basisteams verantwoordelijk voor het reguliere politiewerk
in hun werkgebied, verdeeld over de vier functies: noodhulp, wijkwerk, opsporing en
intake. Deze teams moeten zelfstandig en slagvaardig kunnen werken, met voldoende
middelen en capaciteit.
Met de reorganisatie naar de Nationale Politie zijn oude termen en specialisaties veranderd.
Zo is de term “noodhulp” beleidsmatig vrijwel verdwenen, omdat deze te beperkt en
reactief werd geacht. Noodhulpmedewerkers zijn nu onderdeel van bredere basisteams, wat
leidt tot veranderingen in werkcultuur, autonomie en sociale banden. Veel medewerkers
ervaren weerstand tegen de nieuwe rol, omdat zij waarde hechten aan het traditionele
rijden van meldingen en de spanning van noodhulpwerk.
Bij wijkwerk hebben wijkagenten een centrale rol gekregen als regisseurs van
gebiedsgebonden politiewerk. Ze coördineren opdrachten binnen het team en met externe
partners. De overgang naar grotere basisteams kan echter leiden tot verlies van directe
contacten en informele samenwerking, waardoor sommige wijkagenten hun oude werkwijze
blijven hanteren om effectiever te kunnen opereren.
Kortom, de reorganisatie beoogt meer integratie, bredere taken en een strategischere
aanpak, maar op de werkvloer leiden dit tot weerstand, culturele botsingen en verschillen
per team in de uitvoering van politiewerk.
1. Werkwijze wijkagenten
Wijkagenten lossen problemen vaak op hun eigen manier op, vooral als zij geloven
dat formele opdrachten weinig helpen.
Ze onderhouden informele contacten met collega’s en partners en geven vaak
prioriteit aan directe aanpak in hun wijk.