Quiz samenvatting
Basiskennis periode 2
Week 1
Genotype: erfelijke informatie in chromosomen. De complete set genen van een organisme;
de karakteristieken en het gedrag van een organisme.
Fenotype: het resultaat van de genen en de interactie met de omgeving (uiterlijk).
Allel: variatie van een specifiek gen.
Recessief allel fenotypisch tot uiting als beide ouders een recessief allel doorgeven kan dit
een kenmerk zijn van de kinderen.
Bijv. de kleur ogen bruin is dominant, blauw is recessief. Als je van beide ouders het allel
voor blauwe ogen erft, heb je blauwe ogen.
Evolutietheorie (natuurlijke selectie): dieren passen zich met de generatie aan, aan hun
omgeving en evolueren hierdoor.
Bijv. de muizen. In de middeleeuwen waren muizen erg groot. Later werd er meer bebouwd
en geasfalteerd en werden spleten/holletjes kleiner. Ze pasten er niet meer doorheen. De
muizen hebben zich zo geëvolueerd dat ze door de holletjes heen pasten. De kleinste muizen
overleefden en de grote gingen dood. De kleine muizen gingen zich voortplanten waardoor
er kleinere muizen ontstonden.
Ontdekking DNA evolutietheorie: DNA laat mutaties zien dat de sprongen in de evolutie
kan verklaren. Genetic mutation produces a selective advantage or disadvantage in terms of
survival or reproduction.
Proximate cause (directe oorzaken): invloed van de omgeving op karaktertrekken en gedrag
van een individu.
Ultimate cause (uiteindelijke oorzaken): waarom helpen bepaalde karaktertrekken en
gedragingen van een bepaalde soort, deze soort over grote tijdvakken om te overleven en
reproduceren.
Dierenwereld i.v.m. ons eigen gedrag: ons erfelijk materiaal toont veel overeenkomsten met
het erfelijk materiaal van andere dieren. Een gedeelde oorsprong lijkt dus erg plausibel. Al
zien we er anders uit (fenotype), de basis is min of meer het zelfde (stofwisseling, organen
etc.). Daarnaast is dierlijk gedrag wat eenvoudiger te interpreteren dan menselijk gedrag dat
meer ‘vervulling’ kent.
Bidsprinkhaan vrouw eet de man op tijdens/vlak na de paring: vrouwtjes die mannetjes
opeten na de paring leggen meer eitjes dan vrouwtjes die dat niet doen. De voedingsstoffen
afkomstig van het opgegeten mannetje helpen de eitjes om zich goed te ontwikkelen. Een
mannelijke bidsprinkhaan die tijdens of na de paring wordt opgegeten geeft dus behalve zijn
genetische informatie ook extra voedingsstoffen mee waardoor de eieren zich goed
ontwikkelen.
Aantekeningen:
, Week 2
Voorwaarden natuurlijke selectie: Variatie tussen individuen, meer kans op nakomelingen
(overlevingskans) bij individuen met een specifiek kenmerk, de succesvolle kenmerken
moeten worden doorgegeven van de ene generatie op de volgende generatie.
Intelligentie heritability ratio (erfelijkheidsratio) van 60: genetische spreiding/fenotypische
spreiding. Hoeveel van de IQ spreiding (fenotype) kan worden verklaard door genetische
factoren. 0,6 is een aanzienlijk deel, doch niet alles. Veel van de spreiding wordt ook
verklaard door omgevingsfactoren (begint al in de baarmoeder).
Personen met een lager IQ sterven niet uit door natuurlijke selectie omdat voortplanten met
een laag IQ ook kan (ernstige zwakbegaafdheid uitgezonderd).
Franjepoten evolutionair perspectief: het mannetje zorgt voor de jongen. Vanuit
evolutionair oogpunt kost het opvoeden van nakomelingen veel energie. De opvoeder is er
dus alles aan gelegen om de juiste partner te kiezen, maximale overlevingskans. Bij de
franjepoot kiest daarom het mannetje de partner i.p.v. het vrouwtje. Het is dus niet per se
sexe-driven wat de partner keuze bepaalt.
Evolutionair psychologen mannen seksuele trouw, vrouwen emotionele trouw
belangrijker: Seksuele trouw: weten dat het kind de zijne is, genen overdracht. Emotionele
trouw: de man blijft bij het gezin om deze te onderhouden (evolutionair perspectief).
Verklaring evolutie mensen lachen: lachen heeft een sociale functie. Zorgt voor verbinding
tussen mensen, het kan helpen om bij een groep te horen. Als je lacht worden in onze
hersenen twee stofjes aangemaakt; endorfine/dopamine. Deze stofjes werken pijnstillend en
zorgen voor een goed gevoel. Lachen is stress verlagend en versterkt je immuunsysteem.
Charles Darwin: “De dieren die het meest profijt hadden van het leven in groepen, de
individuen die het meeste plezier haalden uit de maatschappij, hebben de beste kans om
diverse gevaren te ontlopen, terwijl degene die het minst gaven om hun kameraden en
eenzaam leefden, in grote aantallen zullen vergaan”.
Aantekeningen:
Basiskennis periode 2
Week 1
Genotype: erfelijke informatie in chromosomen. De complete set genen van een organisme;
de karakteristieken en het gedrag van een organisme.
Fenotype: het resultaat van de genen en de interactie met de omgeving (uiterlijk).
Allel: variatie van een specifiek gen.
Recessief allel fenotypisch tot uiting als beide ouders een recessief allel doorgeven kan dit
een kenmerk zijn van de kinderen.
Bijv. de kleur ogen bruin is dominant, blauw is recessief. Als je van beide ouders het allel
voor blauwe ogen erft, heb je blauwe ogen.
Evolutietheorie (natuurlijke selectie): dieren passen zich met de generatie aan, aan hun
omgeving en evolueren hierdoor.
Bijv. de muizen. In de middeleeuwen waren muizen erg groot. Later werd er meer bebouwd
en geasfalteerd en werden spleten/holletjes kleiner. Ze pasten er niet meer doorheen. De
muizen hebben zich zo geëvolueerd dat ze door de holletjes heen pasten. De kleinste muizen
overleefden en de grote gingen dood. De kleine muizen gingen zich voortplanten waardoor
er kleinere muizen ontstonden.
Ontdekking DNA evolutietheorie: DNA laat mutaties zien dat de sprongen in de evolutie
kan verklaren. Genetic mutation produces a selective advantage or disadvantage in terms of
survival or reproduction.
Proximate cause (directe oorzaken): invloed van de omgeving op karaktertrekken en gedrag
van een individu.
Ultimate cause (uiteindelijke oorzaken): waarom helpen bepaalde karaktertrekken en
gedragingen van een bepaalde soort, deze soort over grote tijdvakken om te overleven en
reproduceren.
Dierenwereld i.v.m. ons eigen gedrag: ons erfelijk materiaal toont veel overeenkomsten met
het erfelijk materiaal van andere dieren. Een gedeelde oorsprong lijkt dus erg plausibel. Al
zien we er anders uit (fenotype), de basis is min of meer het zelfde (stofwisseling, organen
etc.). Daarnaast is dierlijk gedrag wat eenvoudiger te interpreteren dan menselijk gedrag dat
meer ‘vervulling’ kent.
Bidsprinkhaan vrouw eet de man op tijdens/vlak na de paring: vrouwtjes die mannetjes
opeten na de paring leggen meer eitjes dan vrouwtjes die dat niet doen. De voedingsstoffen
afkomstig van het opgegeten mannetje helpen de eitjes om zich goed te ontwikkelen. Een
mannelijke bidsprinkhaan die tijdens of na de paring wordt opgegeten geeft dus behalve zijn
genetische informatie ook extra voedingsstoffen mee waardoor de eieren zich goed
ontwikkelen.
Aantekeningen:
, Week 2
Voorwaarden natuurlijke selectie: Variatie tussen individuen, meer kans op nakomelingen
(overlevingskans) bij individuen met een specifiek kenmerk, de succesvolle kenmerken
moeten worden doorgegeven van de ene generatie op de volgende generatie.
Intelligentie heritability ratio (erfelijkheidsratio) van 60: genetische spreiding/fenotypische
spreiding. Hoeveel van de IQ spreiding (fenotype) kan worden verklaard door genetische
factoren. 0,6 is een aanzienlijk deel, doch niet alles. Veel van de spreiding wordt ook
verklaard door omgevingsfactoren (begint al in de baarmoeder).
Personen met een lager IQ sterven niet uit door natuurlijke selectie omdat voortplanten met
een laag IQ ook kan (ernstige zwakbegaafdheid uitgezonderd).
Franjepoten evolutionair perspectief: het mannetje zorgt voor de jongen. Vanuit
evolutionair oogpunt kost het opvoeden van nakomelingen veel energie. De opvoeder is er
dus alles aan gelegen om de juiste partner te kiezen, maximale overlevingskans. Bij de
franjepoot kiest daarom het mannetje de partner i.p.v. het vrouwtje. Het is dus niet per se
sexe-driven wat de partner keuze bepaalt.
Evolutionair psychologen mannen seksuele trouw, vrouwen emotionele trouw
belangrijker: Seksuele trouw: weten dat het kind de zijne is, genen overdracht. Emotionele
trouw: de man blijft bij het gezin om deze te onderhouden (evolutionair perspectief).
Verklaring evolutie mensen lachen: lachen heeft een sociale functie. Zorgt voor verbinding
tussen mensen, het kan helpen om bij een groep te horen. Als je lacht worden in onze
hersenen twee stofjes aangemaakt; endorfine/dopamine. Deze stofjes werken pijnstillend en
zorgen voor een goed gevoel. Lachen is stress verlagend en versterkt je immuunsysteem.
Charles Darwin: “De dieren die het meest profijt hadden van het leven in groepen, de
individuen die het meeste plezier haalden uit de maatschappij, hebben de beste kans om
diverse gevaren te ontlopen, terwijl degene die het minst gaven om hun kameraden en
eenzaam leefden, in grote aantallen zullen vergaan”.
Aantekeningen: