Dossier kenmerkende aspecten
Tijdvak: Tijd van steden en staten (1000-1500) (middeleeuwen)
De opkomst van handel en ambacht die de basis legden voor het herleven van een
agrarisch-urbane samenleving:
Toen in 500 na christus het Romeinse rijk viel, gingen de mensen naar het platteland en
werden ze zelfvoorzienend. Rond het jaar 1000 groeiden de landbouwopbrengsten. Dit
kwam door:
1. De nieuwe uitvindingen, zoals de ploeg.
2. Van het tweeslagstelsel ging men naar het drieslagstelsel.
- Tweeslagstelsel: het land werd opgedeeld in 2 delen → wintergraan en
zomergraan. Dit wisselt dan door.
- Drieslagstelsel: het land werd opgedeeld in 3 delen → wintergraan, zomergraan en
braak. Dit wisselt ook door jaarlijks.
Door deze uitvindingen komt er dus meer voedsel. Daardoor waren er minder mensen nodig
voor de landbouw, autarkisch zijn was nu in principe overbodig, er was namelijk al genoeg
voedsel. Mensen gaan naar steden en gaan onder andere met nijverheid levensonderhoud
proberen te voorzien, daarnaast maken sommigen van hun ambacht, hun beroep.
Een voorbeeld van iemand die dat deed was Medar, de dorpssmid in West-Vlaanderen. In
zijn kleine dorp kon hij met smeden niet genoeg geld verdienen, zijn akkertje leverde ook
niet genoeg graan op om zijn vrouw en kinderen te voorzien van brood. Daarnaast moest hij
nog jaarlijks tienden betalen aan de kerk, aan de kasteelheer moest hij een vetgemest
varken leveren en voor hem 12 dagen ploegen en oogsten. Voor Medar was wonen in een
stad dus veel aantrekkelijker dan wonen in het dorpje. Hij ging van zijn ambacht, zijn beroep
maken: Hij werd een smid. In de stad Brugge zou hij namelijk wel veel ijzerwaren kunnen
smeden voor de burgers en voor de graaf, daarbij mocht hij voor hem steeds meer
betekenen als smid, hij maakte onder andere zwaarden, pijlpunten en helmen voor zijn
soldaten.
Doordat steden dus groeien is er handel n odig, dit wordt een andere bron van inkomsten
voor mensen. Daarbij neemt de veiligheid in de steden toe en groeien de steden.
De noodzaak voor het hofstelsel valt weg, mensen kunnen al voedsel en veiligheid vinden in
de steden, de hofstelsels vallen daardoor leeg.
De agrarisch-urbane samenleving komt terug omdat ongeveer de helft van de bevolking op
het platteland werkt en de andere helft werkt in de steden. De boeren op het platteland
voorzienen voedsel aan de steden.
De koningen, graven en hertogen stimuleren juist de ontwikkeling van de steden, dat was
ten eerste zodat handel en nijverheid bevorderd konden worden, en daarbij hadden ze ook
een nog belangrijkere politieke reden: Vanuit de stad kon een graaf het omliggende
platteland besturen, controleren en verdedigen. Brugge moest bijvoorbeeld het graafschap
Vlaanderen beschermen tegen de Noormannen, ook wel vikingen, zij voerden
plundertochten uit. Later moest Vlaanderen beschermd worden tegen Hollandse graven.