Deel 1 — Hoofdstukken 1 t/m 8
200 meerkeuzevragen
Gebaseerd op Psychology (8e editie) van Peter Gray & David F. Bjorklund
Aantal vragen 200
Vraagtype Meerkeuze (A/B/C/D)
Hoofdstukken 8 (van Achtergrond t/m Basisprocessen van leren)
Vragen per hoofdstuk 25
Geschatte tijdsduur 180 minuten
Antwoordsleutel Aan het einde van het document
Instructies. Kies bij elke vraag het beste antwoord uit A, B, C of D. Per vraag staat een hyperlink
waarmee je direct naar een uitleg of definitie van de centrale begrippen kunt navigeren. Gebruik deze
links pas na het beantwoorden om je antwoorden te controleren. De volledige antwoordsleutel met
korte toelichting vind je achterin dit document.
,Hoofdstuk 1: Achtergrond van de studie van de psychologie
Vraag 1. Welke definitie van psychologie wordt gegeven in Gray & Bjorklund (8e editie)?
A. Psychologie is de wetenschap van gedrag en de geest; gedrag verwijst naar waarneembare
handelingen en geest naar subjectieve ervaringen én onbewuste kennis.
B. Psychologie is de wetenschap van bewust denken en rationeel redeneren, waarbij introspectie als
primaire onderzoeksmethode dient.
C. Psychologie is de systematische studie van mentale stoornissen en hun behandeling, gericht op
het vergroten van het welbevinden van de patiënt.
D. Psychologie is een toegepaste sociale wetenschap die menselijk handelen beschrijft via culturele
normen en sociale rollen in alledaagse contexten.
➜ Uitleg en definities
Vraag 2. Wat was het meest onderscheidende kenmerk van Descartes' versie van het dualisme ten
opzichte van eerdere versies?
A. Descartes stelde dat het lichaam een complexe machine is die warmte genereert en kan bewegen
zonder tussenkomst van de ziel, zodat gedrag mechanisch verklaard kan worden.
B. Descartes beweerde dat de ziel verantwoordelijk is voor alle handelingen, inclusief onvrijwillige
reflexen, waarmee hij het lichaam volledig ondergeschikt maakte aan de vrije wil.
C. Descartes introduceerde de tabula rasa en betoogde dat alle kennis voortkomt uit zintuiglijke
ervaringen die stap voor stap op het onbeschreven lichaam worden ingeschreven.
D. Descartes verwierp het onderscheid tussen lichaam en ziel volledig en verdedigde een vroeg
materialisme waarbij alleen materie en energie een rol spelen in het gedrag.
➜ Uitleg en definities
Vraag 3. Welk orgaan wees Descartes aan als de locatie waar de niet-materiële ziel op het materiële
lichaam inwerkt?
A. Descartes localiseerde de wisselwerking in de pijnappelklier, een klein orgaan dat diep tussen de
twee hersenhelften ligt en dat hij als uniek menselijk beschouwde.
B. Descartes wees de hersenschors aan als zetel van de ziel, omdat beschadigingen ervan complexe
denk- en taalprocessen verstoorden bij zijn proefdieren.
C. Descartes beschouwde de hypofyse als koppelvlak omdat dit klier hormonen afgeeft die het gedrag
direct reguleren en de wil in lichaamsbeweging omzetten.
D. Descartes veronderstelde dat de hersenbrug als interface fungeerde, omdat deze structuur
motorische en sensorische banen van beide hersenhelften samenvoegt.
➜ Uitleg en definities
Vraag 4. Thomas Hobbes verdedigde het filosofische standpunt van het materialisme. Wat hield dit
in?
A. Hobbes stelde dat de menselijke geest bestaat uit aangeboren ideeën die onafhankelijk van
zintuiglijke ervaring functioneren en de basis vormen van universele kennis.
B. Hobbes verdedigde een gematigd dualisme waarbij de ziel weliswaar bestaat, maar uitsluitend
passief reageert op prikkels die door de zintuigen worden doorgegeven.
C. Hobbes betoogde dat ziel of geest als begrip zinloos is en dat niets bestaat behalve materie en
energie, zodat ook bewust denken uitsluitend een product is van de hersenen.
D. Hobbes pleitte voor een empiristisch programma waarbij zintuiggewaarwordingen via associatie
door contiguïteit worden gecombineerd tot complexe ideeën in een lerende geest.
➜ Uitleg en definities
, Vraag 5. In 1822 demonstreerde de Franse fysioloog François Magendie een eigenschap van
spinaalzenuwen. Wat ontdekte hij?
A. Magendie toonde aan dat beschadiging van het ruggenmerggrijze stof leidt tot verlies van vrijwillige
bewegingen maar niet van reflexmatige responsen op pijnprikkels.
B. Magendie ontdekte dat de hersenzenuwkruising in de medulla oblongata verantwoordelijk is voor
de contralaterale besturing van lichaamsbeweging door de hersenschors.
C. Magendie liet zien dat spinaalzenuwen twee afzonderlijke banen bevatten: één voor sensorische
berichten naar het CZS en één voor motorische berichten naar de spieren.
D. Magendie bewees dat elektrische zenuwgeleiding sneller verloopt dan Descartes' hydraulisch
vloeistofmodel voorspelde, wat het reflexboog-principe empirisch bevestigde.
➜ Uitleg en definities
Vraag 6. De Russische fysioloog I.M. Sechenov was een verdediger van de reflexologie. Wat was de
kernstelling van zijn monografie 'Reflexen van de hersenen' (1863)?
A. Sechenov betoogde dat hogere cognitieve functies uitsluitend tot hogere hersencentra behoren en
principieel niet als reflexen beschreven mogen worden.
B. Sechenov introduceerde het concept van operante conditionering door aan te tonen dat
reflexmatige reacties versterkt of verzwakt kunnen worden door hun consequenties.
C. Sechenov verdedigde de opvatting dat vrijwillige handelingen fundamenteel van onvrijwillige
reflexen verschillen en dat alleen de laatste wetenschappelijk bestudeerd mogen worden.
D. Sechenov stelde dat elke menselijke handeling, van een lachend kind tot Newton die zijn wetten
neerschrijft, in principe als een reflex verklaard kan worden die door omgevingsstimuli wordt
geïnitieerd.
➜ Uitleg en definities
Vraag 7. Welke uitspraak beschrijft de bijdragen van Müller en Flourens aan lokalisatie van functie
het meest accuraat?
A. Müller voerde dierexperimenten uit die aantoonden dat schade aan hersendelen uiteenlopende
motorische tekorten geeft; Flourens stelde dat zintuigzenuwen aparte hersengebieden activeren.
B. Müller betoogde dat kwaliteitsverschillen in zintuigervaring ontstaan doordat zintuigzenuwen
specifieke hersengebieden activeren; Flourens toonde experimenteel dat hersenbeschadiging
motorische tekorten geeft.
C. Müller publiceerde de eerste taallocalisatiestudie waarbij afasie werd gekoppeld aan de
linkerhersenhelft; Flourens ontdekte de dubbele sensorische en motorische spinaalzenuwen.
D. Müller introduceerde de schedelleer om geestelijke vermogens via schedelbobbels te lokaliseren;
Flourens weerlegde deze aanpak door redundante werking van hersengebieden aan te tonen.
➜ Uitleg en definities
Vraag 8. Paul Broca publiceerde in 1861 bewijs voor een specifieke functionele lokalisatie. Wat was
zijn bevinding?
A. Broca toonde aan dat schade aan de rechterhersenhelft leidt tot verlies van het vermogen nieuwe
herinneringen op te slaan terwijl oude herinneringen intact blijven.
B. Broca ontdekte dat verlamming van de rechterlichaamshelft optreedt na beschadiging van de linker
motorische schors, waarmee hij kruislingse hersensturing bewees.
C. Broca demonstreerde dat bilaterale frontale beschadiging tot persoonlijkheidsveranderingen leidt
en executieve functies aantast terwijl het taalbegrip gespaard blijft.
D. Broca liet zien dat mensen met letsel aan een specifiek gebied in de linkerhersenhelft het vermogen
verliezen te spreken maar andere mentale vermogens behouden.
➜ Uitleg en definities