psychologie
Deel 1: Biologische invalshoek
1. Vraag: Noem de drie belangrijkste onderdelen van een neuron.
Antwoord: De dendriet, het cellichaam (soma) en de axon.
2. Vraag: Wat is de functie van de myelineschede?
Antwoord: De myelineschede is een isolerende laag rond de axon die zorgt voor een
snellere geleiding van de zenuwimpuls.
3. Vraag: Welke hersengebieden maken deel uit van het limbisch systeem? Noem er drie.
Antwoord: De amygdala, de hippocampus en de hypothalamus.
4. Vraag: Wat is de primaire functie van de amygdala?
Antwoord: De amygdala is betrokken bij de verwerking van emoties, met name angst en
agressie.
5. Vraag: Welk hersengebied is cruciaal voor de vorming van nieuwe (episodische)
herinneringen?
Antwoord: De hippocampus.
6. Vraag: Wat is het verschil tussen de linker- en rechterhersenhelft (hemisfeer) bij de
meeste mensen?
Antwoord: De linkerhelft is dominant voor taal en logica, de rechterhelft is sterker
betrokken bij ruimtelijk inzicht, gezichtsherkenning en emotie.
7. Vraag: Welke twee delen van het zenuwstelsel vormen samen het autonome
zenuwstelsel?
Antwoord: Het sympathische en het parasympathische zenuwstelsel.
8. Vraag: Beschrijf de functie van het sympathische zenuwstelsel.
Antwoord: Het bereidt het lichaam voor op actie in stressvolle of spannende situaties
("vechten of vluchten").
9. Vraag: Wat is de functie van het parasympathische zenuwstelsel?
Antwoord: Het zorgt voor rust, herstel en de opbouw van energie reserves ("rust en
verteer").
,10. Vraag: Noem de vier belangrijkste lobben van de cerebrale cortex en hun primaire
functie.
Antwoord: Frontaalkwab (beweging, planning, persoonlijkheid), Pariëtaalkwab (sensatie,
aanraking), Temporaalkwab (geluid, taal), Occipitaalkwab (zicht).
11. Vraag: Welk hormoon wordt vaak het "stresshormoon" genoemd?
Antwoord: Cortisol.
12. Vraag: Welke neurotransmitter is sterk betrokken bij de beleving van plezier en
beloning?
Antwoord: Dopamine.
13. Vraag: Een tekort aan welke neurotransmitter wordt geassocieerd met de ziekte van
Parkinson?
Antwoord: Dopamine.
14. Vraag: Wat wordt bedoeld met neuroplasticiteit?
Antwoord: Het vermogen van de hersenen om zichzelf te reorganiseren en nieuwe
verbindingen aan te maken, zelfs op latere leeftijd.
15. Vraag: Leg uit wat een gen is.
Antwoord: Een gen is een erfelijke eenheid, een stukje DNA dat de code draagt voor een
specifiek eiwit of een specifieke functie.
16. Vraag: Wat is het verschil tussen het genotype en het fenotype?
Antwoord: Het genotype is de genetische samenstelling van een organisme, het
fenotype is de waarneembare uiting daarvan (bijv. oogkleur, gedrag).
17. Vraag: Hoe beïnvloeden genen en omgeving elkaar volgens het concept van 'gen-
omgeving correlatie'?
Antwoord: Mensen zoeken, vormen en creëren omgevingen die passen bij hun
genetische aanleg (bijv. een muzikaal kind zoekt muziekles op).
18. Vraag: Wat is het doel van gedragsgenetica?
Antwoord: Het onderzoeken van de relatieve invloed van genetische en
omgevingsfactoren op individuele verschillen in gedrag.
19. Vraag: Wat meten tweeling- en adoptiestudies?
Antwoord: Ze vergelijken de gelijkenis tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen, of
tussen biologisch familie en adoptiefamilie, om de invloed van genen en omgeving te
scheiden.
, 20. Vraag: Leg uit waarom de biologische invalshoek belangrijk is voor een social
professional.
Antwoord: Het helpt om biologische risicofactoren (bijv. aanleg voor verslaving,
psychische aandoeningen) te begrijpen, waardoor men meer compassie kan hebben en
de cliënt kan wijzen op mogelijkheden voor medische ondersteuning.
21. Vraag: Welk hersengebied functioneert als een "regisseur" en is cruciaal voor planning,
impulsbeheersing en besluitvorming?
Antwoord: De prefrontale cortex.
22. Vraag: Welke klier in de hersenen is de "meesterklier" en regelt andere hormoonklieren
in het lichaam?
Antwoord: De hypofyse.
23. Vraag: Welke neurotransmitter is vooral betrokken bij stemming, slaap en eetlust? Een
tekort wordt gelinkt aan depressie.
Antwoord: Serotonine.
24. Vraag: Noem een belangrijk ethisch bezwaar tegen sterk biologisch determinisme.
Antwoord: Het kan leiden tot het idee dat gedrag vaststaat en niet veranderbaar is ("het
zit in mijn genen"), wat de eigen verantwoordelijkheid en motivatie voor verandering
kan ondermijnen.
25. Vraag: Hoe kan chronische stress, via het hormoon cortisol, schadelijk zijn voor het
lichaam?
Antwoord: Het kan leiden tot een verzwakt immuunsysteem, hoge bloeddruk,
slaapproblemen en schade aan de hippocampus.
Deel 2: Behavioristische invalshoek (Het behaviorisme)
26. Vraag: Wie wordt gezien als de grondlegger van het klassiek conditioneren?
Antwoord: Ivan Pavlov.
27. Vraag: Beschrijf het proces van klassiek conditioneren aan de hand van Pavlov's honden.
Antwoord: Een neutrale stimulus (een bel) wordt herhaaldelijk gepaard aangeboden
met een ongeconditioneerde stimulus (voedsel) die een ongeconditioneerde respons
(kwijlen) oproept. Uiteindelijk roept de neutrale stimulus alleen de respons op, en wordt
dan een geconditioneerde stimulus (de bel) die een geconditioneerde respons (kwijlen)
veroorzaakt.
, 28. Vraag: Wat is het verschil tussen een ongeconditioneerde stimulus en een
geconditioneerde stimulus?
Antwoord: Een ongeconditioneerde stimulus roept van nature, zonder leren, een
reflexmatige respons op (bijv. voedsel). Een geconditioneerde stimulus is eerst neutraal,
maar roept na conditionering de respons op (bijv. een bel).
29. Vraag: Wat is generalisatie binnen het klassiek conditioneren?
Antwoord: Het verschijnsel dat een stimulus die lijkt op de geconditioneerde stimulus,
ook de geconditioneerde respons oproept (bijv. bang zijn voor alle honden na een
bijtincident met één hond).
30. Vraag: Wat is extinctie (uitdoving) in de behavioristische leer?
Antwoord: Het geleidelijk verdwijnen van een geconditioneerde respons wanneer de
geconditioneerde stimulus herhaaldelijk wordt aangeboden zonder de
ongeconditioneerde stimulus.
31. Vraag: Wie is de belangrijkste vertegenwoordiger van het operant conditioneren?
Antwoord: B.F. Skinner.
32. Vraag: Wat is het fundamentele verschil tussen klassiek en operant conditioneren?
Antwoord: Bij klassiek conditioneren gaat het om het koppelen van stimuli (reflexmatig
gedrag). Bij operant conditioneren gaat het om het veranderen van vrijwillig gedrag door
de gevolgen (beloning of straf) die erop volgen.
33. Vraag: Leg uit wat positieve bekrachtiging is en geef een voorbeeld.
Antwoord: Het toevoegen van een prettige prikkel om gedrag te laten toenemen.
Voorbeeld: Een kind een compliment geven (toevoegen) omdat het zijn kamer heeft
opgeruimd.
34. Vraag: Leg uit wat negatieve bekrachtiging is en geef een voorbeeld.
Antwoord: Het wegnemen van een vervelende prikkel om gedrag te laten toenemen.
Voorbeeld: De riem van de autogordel vastmaken om het irritante piepgeluid
(wegnemen) te stoppen.
35. Vraag: Leg uit wat positieve straf is en geef een voorbeeld.
Antwoord: Het toevoegen van een onprettige prikkel om gedrag te laten afnemen.
Voorbeeld: Een boete (toevoegen) krijgen voor te hard rijden.
36. Vraag: Leg uit wat negatieve straf is en geef een voorbeeld.
Antwoord: Het wegnemen van een prettige prikkel om gedrag te laten afnemen.
Voorbeeld: De mobiele telefoon van een tiener afnemen (wegnemen) omdat hij te laat
thuis was.