Organisational behaviour
Deel 1: Individu in de Organisatie
1. Vraag: Wat is de definitie van Organisatiegedrag?
Antwoord: Organisatiegedrag is een studieveld dat het gedrag, de attitudes en de prestaties van
individuen en groepen in een organisatie onderzoekt, met als doel de organisatie-effectiviteit te
verbeteren.
2. Vraag: Noem de drie determinanten van organisatiegedrag.
Antwoord: Individuen, groepen en de organisatiestructuur.
3. Vraag: Wat zijn de drie componenten van een attitude volgens het ABC-model?
Antwoord: Affect (gevoel/emotie), Behavioural Intentions (neiging tot gedrag) en Cognition
(overtuiging/kennis).
4. Vraag: Wat is cognitieve dissonantie?
Antwoord: De psychologische oncomfortabele toestand die ontstaat wanneer iemands
attitudes en gedrag niet met elkaar in overeenstemming zijn. Mensen zijn gemotiveerd om deze
dissonantie te verminderen.
5. Vraag: Wat is het verschil tussen affectieve, continuance en normatieve commitment?
Antwoord: Affectieve commitment: emotionele binding aan de organisatie. Continuance
commitment: blijven vanwege de kosten van vertrek. Normatieve commitment: blijven uit een
gevoel van morele verplichting.
6. Vraag: Beschrijf de vijf fasen in het vijf-fasenmodel van teamontwikkeling van Tuckman.
Antwoord: Forming (oriëntatie), Storming (machtsstrijd), Norming (samenbindende regels),
Performing (samenwerking en taakuitvoering) en Adjourning (afronding).
7. Vraag: Wat is job satisfaction (taaktevredenheid)?
Antwoord: Een positief gevoel over iemands werk, voortkomend uit een evaluatie van de
kenmerken ervan.
8. Vraag: Noem de vijf kern-dimensies van het Job Characteristics Model (JCM) van Hackman
en Oldham.
Antwoord: Vaardigheidsvariatie, Taakidentiteit, Taakbelang, Autonomie en Feedback.
,9. Vraag: Wat is het verband tussen tevredenheid en productiviteit?
Antwoord: Tevredenheid leidt tot een bescheiden toename in productiviteit, maar
productiviteit kan ook tevredenheid verhogen. De relatie is wederkerig.
10. Vraag: Wat is emotionele arbeid (emotional labour)?
Antwoord: De verplichting om organisatiegewensde emoties te tonen tijdens het uitvoeren van
een taak.
11. Vraag: Definieer emotionele intelligentie (EI).
Antwoord: Het vermogen om eigen en andermans emoties te herkennen, te begrijpen, te
managen en te beïnvloeden.
12. Vraag: Wat is self-efficacy?
Antwoord: Het geloof van een individu in zijn of haar eigen vermogen om een specifieke taak
succesvol uit te voeren.
13. Vraag: Wat is het fundamentele attributiefout?
Antwoord: De neiging om het gedrag van anderen toe te schrijven aan interne factoren (hun
persoonlijkheid), terwijl situationele factoren worden genegeerd.
14. Vraag: Wat is het verschil tussen interne en externe locus of control?
Antwoord: Intern: geloof dat je je eigen lot controleert. Extern: geloof dat je leven wordt
gecontroleerd door externe krachten (lot, toeval).
15. Vraag: Noem de "Big Five" persoonlijkheidsdimensies.
Antwoord: Openstaan voor ervaringen, Consciëntieusheid, Extraversie, Aardigheid en
Neuroticisme (emotionele stabiliteit).
Deel 2: Motivatie
16. Vraag: Wat is motivatie?
Antwoord: De processen die de intensiteit, richting en volharding van iemands inspanningen
om een doel te bereiken, bepalen.
17. Vraag: Hoe onderscheidt de tweefactorentheorie van Herzberg motivatoren en
hygiënefactoren?
Antwoord: Motivatoren (bv. erkenning, verantwoordelijkheid) leiden tot
tevredenheid. Hygiënefactoren (bv. salaris, arbeidsomstandigheden) kunnen ontevredenheid
voorkomen, maar motiveren niet op zich.
18. Vraag: Beschrijf de behoeftehiërarchie van Maslow.
Antwoord: Een piramide van behoeften, van onder naar boven: fysiologisch, veiligheid, sociaal,
waardering en zelfactualisatie.
,19. Vraag: Wat is het doelstellings-theorie (Goal-Setting Theory) van Locke?
Antwoord: De theorie dat specifieke en uitdagende doelen, gecombineerd met feedback, leiden
tot betere prestaties.
20. Vraag: Wat is self-determination theory (Zelfbeschikkings-theorie)?
Antwoord: De theorie dat mensen worden gemotiveerd door de inherente behoefte aan
competentie, autonomie en verbondenheid.
21. Vraag: Wat is equity theory (gelijkwaardigheidstheorie)?
Antwoord: Mensen vergelijken hun input/uitkomst-ratio met die van anderen. Ongelijkheid
(onequity) leidt tot motivatie om de balans te herstellen.
22. Vraag: Wat is expectancy theory (verwachtingstheorie) van Vroom?
Antwoord: Motivatie = Expectancy (verwachting van inspanning->prestatie) x Instrumentality
(verwachting van prestatie->beloning) x Valence (waarde van de beloning).
23. Vraag: Wat is het verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie?
Antwoord: Intrinsiek: gedrag voor de interne voldoening. Extrinsiek: gedrag voor een externe
beloning of om straf te vermijden.
Deel 3: Groepen en Teams
24. Vraag: Wat is een formeel team?
Antwoord: Een team met een door de organisatie vastgestelde structuur en een specifiek doel.
25. Vraag: Wat is een informeel team?
Antwoord: Een alliantie die noch formeel gestructureerd, noch door de organisatie bepaald is.
26. Vraag: Wat is social loafing (sociaal lanterfanten)?
Antwoord: De neiging van individuen om minder inspanning te leveren wanneer ze collectief
werken in een groep.
27. Vraag: Wat is groupthink (groepsdenken)?
Antwoord: Een fenomeen waarbij groepsdruk leidt tot een verslechtering van de mentale
efficiëntie, de realiteitstoetsing en morele oordelen, gedreven door de wens tot consensus.
28. Vraag: Wat zijn roles (rollen) in een groep?
Antwoord: Een set van verwachtingen over het gedrag van iemand in een bepaalde positie.
29. Vraag: Wat zijn norms (normen) in een groep?
Antwoord: Aanvaarde standaards van gedrag die worden gedeeld door groepsleden.
, 30. Vraag: Wat is cohesie in een groep?
Antwoord: De mate waarin groepsleden tot elkaar worden aangetrokken en de groepsdoelen
willen behouden.
31. Vraag: Wat is de relatie tussen groepscohesie en productiviteit?
Antwoord: Hechte groepen zijn productiever, maar alleen als hun normen al hoog zijn. Als de
normen laag zijn, leidt cohesie tot lage productiviteit.
32. Vraag: Wat is een cross-functioneel team?
Antwoord: Een team met medewerkers uit verschillende functionele afdelingen die
samenwerken aan een specifieke taak.
33. Vraag: Wat is een virtueel team?
Antwoord: Een team dat gebruikmaakt van technologie om samen te werken over geografische,
temporele en relationele grenzen heen.
Deel 4: Communicatie
34. Vraag: Wat zijn de belangrijkste componenten van het communicatieproces?
Antwoord: Zender, codering, boodschap, kanaal, decodering, ontvanger, feedback en ruis.
35. Vraag: Wat is het verschil tussen formele en informele communicatie?
Antwoord: Formeel: volgt de officiële kanalen van de organisatie. Informeel: communicatie
buiten de formele kanalen (bijv. de grapevine).
36. Vraag: Wat is de "grapevine"?
Antwoord: Het informele communicatienetwerk binnen een organisatie.
37. Vraag: Wat zijn barrières voor effectieve communicatie?
Antwoord: Filteren, selectieve perceptie, informatie-overload, emoties, taal, communicatie-
angst en cultuurverschillen.
38. Vraag: Wat is actief luisteren?
Antwoord: Luisteren waarbij de volledige aandacht wordt gegeven aan de spreker, de
boodschap wordt geparafraseerd en er niet voortijdig wordt geoordeeld.
Deel 5: Leiderschap
39. Vraag: Wat is leiderschap?
Antwoord: Het vermogen om een groep individuen te beïnvloeden en te sturen naar het
bereiken van doelen.