LEH 1: FEDERALE RECHTSORDE EN SOEVEREINITEIT (BRIGHTSPACE)
Inleiding
De EU is opgericht door EU-lidstaten.
De EU-lidstaten hebben aan de EU:
bevoegdheden toegekend om gemeenschappelijke doeleinden te bereiken;
een deel van hun soevereiniteit (in de zin van exclusieve beslissingsmacht) overdragen.
De EU is hierdoor gaan functioneren als een soort federatie met: eigen wetgeving, bestuur en
rechtspraak.
Deze leereenheid (LEH 1) wordt besproken:
De gevolgen van de federale rechtsorde op de nationale soevereiniteit en nationale rechtsorde, met
speciale aandacht voor NL. De Nederlandse Grondwet lijkt onvoldoende rekening te houden met
de invloed van het EU-recht in de nationale rechtsorde.
Unie = EU
Unierecht of Europees recht = EU-recht
Gemeenschappelijke rechtsorde = EU-rechtsorde
Leerdoelen
Na het doorlopen van deze leereenheid kun je:
uitleggen wat de bronnen en leidende beginselen zijn die de verhouding tussen Unierecht
en nationaal recht beheersen;
uitleg geven over de gedeelde rechtsorde, de EU als constitutionele rechtsorde en de
verwevenheid van Europees en nationaal recht;
een analyse geven over de gevolgen van doorwerking van Europees recht voor de
soevereiniteit en de positie van Europese staten, inclusief rechtsvergelijkende aspecten;
uitleggen welke rol het Hof van Justitie en de nationale rechters spelen bij de toepassing
van Europees recht;
uitleggen wat institutionele autonomie inhoudt.
Verplichte bronnen
Studieboek H1 en H3
PP: De verhouding tussen EU-recht en nationaal recht
Tekst: De relevantie van artt. 93 en 94 Gw.
Verplichte jurisprudentie
HvJ EG 9 oktober 2001, C-377/98, Jur. 2001, p. 1-7079, ECLI:EU:C:2001:523 (Nederland v.
Europees Parlement en Raad).
HvJEG 13 september 2005, C-176/03, Jur. 2005, p. I-7879, ECLI:EU:C:2005:542 (Commissie v.
Raad).
Bundesverfassungsgericht 30 juni 2009, Zaak 2 BvE 2/08 (Lissabon Urteil).
HvJEG 2 maart 2010, C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (Janko Rottmann v. Freistaat Bayern).
HvJEG 8 maart 2011, C-34/09, Jur. 2011, p. I-01177, ECLI:EU:C:2011:124 (Ruiz Zambrano).
ECtHR 21 juni 2016, No. 76136/12, Ramadan v. Malta (Burgerschap van Malta).
Pag. 1 van 7
, Voorrang en voortgang
Art. 4 VEU = De EU mag alleen optreden binnen de bevoegdheden die het Verdrag toekent; alles
wat niet is toegewezen aan de EU, blijft bij de EU-lidstaten.
Het optreden van de EU moet berusten op een rechtsgrondslag in het Verdrag; de vermelding van
de rechtsgrondslag is een vormvoorschrift.
Bij meervoudige doelen met de rechtsgrondslag aansluiten bij het hoofddoel.
Voorbeeld:
Algemene verdragsbepalingen als art. 114 VWEU zijn voldoende voor een maatregel die
harmonisatie van nationale wetgevingen tot doel heeft.
De EU moet een aantal beginselen in acht nemen bij het vaststellen van EU-wetgeving, zoals:
1. Art. 5 lid 2 VEU: het beginsel van bevoegdheidstoedeling
2. Art. 5 lid 3 VEU: het subsidiariteitsbeginsel
3. Art. 5 lid 4 VEU = het evenredigheidsbeginsel
EU-instellen moeten bij de uitoefening van hun bevoegdheden ervoor zorgen dat deze beginselen in
acht worden genomen; bij een onderzoek hiernaar moet worden getoetst aan de doelstellingen die
de EU nastreeft.
Om zorgen over dat de EU-wetgever onvoldoende rekening houdt met grondrechten, toetst het HvJ
EU de EU-wetgeving aan o.m.:
Het gelijkheidsbeginsel
Het recht op een eerlijk proces
Het ne bis in idem-beginsel
Het recht op menselijke waardigheid
De eerbiediging van de fysieke integriteit
Bepalingen die garanderen dat de EU en EU-lidstaten de mensenrechten respecteren, te
weten: artt. 2, 6 lid 1, 2 en 3 VEU.
De bemoeienis van het HvJ EU met de mensenrechtenproblematiek kan leiden tot spanningen met
EU-lidstaten, vooral bij EU-burgerschapsrechten.
Het HvJ EU verdedigt de autonome EU-rechtsorde. Zo heeft het (primair en secundair) EU-recht in
beginsel voorrang op nationaal recht (Costa/E.N.E.L-arrest); dit betekent dat nationale rechters met
het EU-recht strijdig nationaal recht buiten toepassing moeten laten – nationale instanties moeten
het EU-recht dus loyaal toepassen en uitvoeren (‘’het beginsel van loyale samenwerking’’ binnen de
EU als neergelegd in art. 4 lid 3 VEU).
Leerdoel:
Na het doorlopen van deze studietaak kun je: uitleggen wat de bronnen en leidende beginselen zijn
die de verhouding tussen Unierecht en nationaal recht beheersen.
Studeeraanwijzing(en):
Bestudeer PP ‘’De verhouding tussen EU-recht en nationaal recht’’.
Pag. 2 van 7
Inleiding
De EU is opgericht door EU-lidstaten.
De EU-lidstaten hebben aan de EU:
bevoegdheden toegekend om gemeenschappelijke doeleinden te bereiken;
een deel van hun soevereiniteit (in de zin van exclusieve beslissingsmacht) overdragen.
De EU is hierdoor gaan functioneren als een soort federatie met: eigen wetgeving, bestuur en
rechtspraak.
Deze leereenheid (LEH 1) wordt besproken:
De gevolgen van de federale rechtsorde op de nationale soevereiniteit en nationale rechtsorde, met
speciale aandacht voor NL. De Nederlandse Grondwet lijkt onvoldoende rekening te houden met
de invloed van het EU-recht in de nationale rechtsorde.
Unie = EU
Unierecht of Europees recht = EU-recht
Gemeenschappelijke rechtsorde = EU-rechtsorde
Leerdoelen
Na het doorlopen van deze leereenheid kun je:
uitleggen wat de bronnen en leidende beginselen zijn die de verhouding tussen Unierecht
en nationaal recht beheersen;
uitleg geven over de gedeelde rechtsorde, de EU als constitutionele rechtsorde en de
verwevenheid van Europees en nationaal recht;
een analyse geven over de gevolgen van doorwerking van Europees recht voor de
soevereiniteit en de positie van Europese staten, inclusief rechtsvergelijkende aspecten;
uitleggen welke rol het Hof van Justitie en de nationale rechters spelen bij de toepassing
van Europees recht;
uitleggen wat institutionele autonomie inhoudt.
Verplichte bronnen
Studieboek H1 en H3
PP: De verhouding tussen EU-recht en nationaal recht
Tekst: De relevantie van artt. 93 en 94 Gw.
Verplichte jurisprudentie
HvJ EG 9 oktober 2001, C-377/98, Jur. 2001, p. 1-7079, ECLI:EU:C:2001:523 (Nederland v.
Europees Parlement en Raad).
HvJEG 13 september 2005, C-176/03, Jur. 2005, p. I-7879, ECLI:EU:C:2005:542 (Commissie v.
Raad).
Bundesverfassungsgericht 30 juni 2009, Zaak 2 BvE 2/08 (Lissabon Urteil).
HvJEG 2 maart 2010, C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (Janko Rottmann v. Freistaat Bayern).
HvJEG 8 maart 2011, C-34/09, Jur. 2011, p. I-01177, ECLI:EU:C:2011:124 (Ruiz Zambrano).
ECtHR 21 juni 2016, No. 76136/12, Ramadan v. Malta (Burgerschap van Malta).
Pag. 1 van 7
, Voorrang en voortgang
Art. 4 VEU = De EU mag alleen optreden binnen de bevoegdheden die het Verdrag toekent; alles
wat niet is toegewezen aan de EU, blijft bij de EU-lidstaten.
Het optreden van de EU moet berusten op een rechtsgrondslag in het Verdrag; de vermelding van
de rechtsgrondslag is een vormvoorschrift.
Bij meervoudige doelen met de rechtsgrondslag aansluiten bij het hoofddoel.
Voorbeeld:
Algemene verdragsbepalingen als art. 114 VWEU zijn voldoende voor een maatregel die
harmonisatie van nationale wetgevingen tot doel heeft.
De EU moet een aantal beginselen in acht nemen bij het vaststellen van EU-wetgeving, zoals:
1. Art. 5 lid 2 VEU: het beginsel van bevoegdheidstoedeling
2. Art. 5 lid 3 VEU: het subsidiariteitsbeginsel
3. Art. 5 lid 4 VEU = het evenredigheidsbeginsel
EU-instellen moeten bij de uitoefening van hun bevoegdheden ervoor zorgen dat deze beginselen in
acht worden genomen; bij een onderzoek hiernaar moet worden getoetst aan de doelstellingen die
de EU nastreeft.
Om zorgen over dat de EU-wetgever onvoldoende rekening houdt met grondrechten, toetst het HvJ
EU de EU-wetgeving aan o.m.:
Het gelijkheidsbeginsel
Het recht op een eerlijk proces
Het ne bis in idem-beginsel
Het recht op menselijke waardigheid
De eerbiediging van de fysieke integriteit
Bepalingen die garanderen dat de EU en EU-lidstaten de mensenrechten respecteren, te
weten: artt. 2, 6 lid 1, 2 en 3 VEU.
De bemoeienis van het HvJ EU met de mensenrechtenproblematiek kan leiden tot spanningen met
EU-lidstaten, vooral bij EU-burgerschapsrechten.
Het HvJ EU verdedigt de autonome EU-rechtsorde. Zo heeft het (primair en secundair) EU-recht in
beginsel voorrang op nationaal recht (Costa/E.N.E.L-arrest); dit betekent dat nationale rechters met
het EU-recht strijdig nationaal recht buiten toepassing moeten laten – nationale instanties moeten
het EU-recht dus loyaal toepassen en uitvoeren (‘’het beginsel van loyale samenwerking’’ binnen de
EU als neergelegd in art. 4 lid 3 VEU).
Leerdoel:
Na het doorlopen van deze studietaak kun je: uitleggen wat de bronnen en leidende beginselen zijn
die de verhouding tussen Unierecht en nationaal recht beheersen.
Studeeraanwijzing(en):
Bestudeer PP ‘’De verhouding tussen EU-recht en nationaal recht’’.
Pag. 2 van 7