Aantekeningen literatuur
Week 1: Verdieping onrechtmatige daad
Onrechtmatige daad 1: Verdieping onrechtmatige daad en Europees
aansprakelijkheidsrecht
1. S.D. Lindenbergh, ‘Wat is aansprakelijkheidsrecht?’, NTBR 2021/14
College:
Lindenbergh (2021) → in het aansprakelijkheidsrecht gaat het eigenlijk om de verplichtingen
● Aansprakelijkheidsrecht is aansprakenrecht: gaat over aanspraken die iemand in rechte
geldend kan maken o.g.v. OD, ovk of subjectief recht
● Aansprakelijkheidsrecht is dus breder dan OD recht en breder dan verbintenissenrecht:
gaat over verbintenissen en andere rechtsplichten
● Artikel 3:296 is de kern van het aansprakelijkheidsrecht (rechtshandhaving), niet art.
6:95 BW (schadevergoeding)
Het artikel “Wat is aansprakelijkheidsrecht?” (Lindenbergh, NTBR 2021/14) is een
reflectieve beschouwing over de grondslagen en reikwijdte van het aansprakelijkheidsrecht.
Kernboodschap
Lindenbergh betoogt dat het begrip aansprakelijkheidsrecht minder vanzelfsprekend is dan
juristen vaak aannemen. Hoewel het aansprakelijkheidsrecht doorgaans wordt vereenzelvigd
met de verplichting tot schadevergoeding (zoals bij onrechtmatige daad, art. 6:162 BW),
omvat het in wezen een veel breder terrein van aanspraken en verplichtingen binnen het
vermogensrecht. Volgens Lindenbergh draait aansprakelijkheidsrecht uiteindelijk om de
verhouding tussen aanspraak en gehoudenheid — om het geheel van rechten en plichten
die uit rechtsplichten voortvloeien, niet alleen die tot schadevergoeding.
Lijn van het betoog
1. Probleemstelling:
Lindenbergh begint met de observatie dat het woord aansprakelijkheid nergens in art.
6:162 BW voorkomt, en zelfs niet wordt gedefinieerd in het Burgerlijk Wetboek. Toch
spreken juristen als vanzelfsprekend over ‘aansprakelijkheidsrecht’.
2. Taalkundige en conceptuele verkenning:
Hij onderzoekt de woorden aanspraak en aansprakelijkheid en laat zien dat
‘aansprakelijkheid’ taalkundig de verplichting tot iets impliceert — een
gehoudenheid. Daarmee zou men beter kunnen spreken van gehoudenheidsrecht dan
van aansprakelijkheidsrecht.
1
, 3. Van verplichting naar aanspraak:
Lindenbergh maakt vervolgens de stap naar de actieve zijde van de verplichting: de
aanspraak. Niet alleen verbintenissen (art. 3:6 BW) maar ook zogeheten kale
rechtsplichten kunnen aanleiding geven tot een rechtsvordering (bijv. art. 3:296 BW).
Dat betekent dat het aansprakelijkheidsrecht breder is dan schadevergoeding bij
onrechtmatige daad of wanprestatie.
4. Brede interpretatie:
Vanuit deze optiek omvat het aansprakelijkheidsrecht eigenlijk het hele
vermogensrecht, omdat het gaat over alle situaties waarin iemand in rechte een
aanspraak kan geldend maken tegenover een ander.
5. Slotgedachte:
Lindenbergh besluit dat wie dit inziet, verder kijkt dan veel juristen die het
aansprakelijkheidsrecht beperken tot schadevergoeding. Het begrip vraagt om meer
conceptuele precisie en bewustzijn van zijn grondslag in de verhouding tussen
rechtsplichten en aanspraken.
Kort samengevat
Lindenbergh’s kernidee is dat aansprakelijkheidsrecht niet enkel gaat over wie schade moet
vergoeden, maar over de bredere juridische structuur waarin aanspraken tegenover
verplichtingen staan. Daarmee plaatst hij het aansprakelijkheidsrecht niet als een deelgebied
van schadevergoedingsrecht, maar als een fundamenteel onderdeel van het gehele
vermogensrecht.
2. Asser/Sieburgh 6-IV 2023
72. Grondrechten, waaronder begrepen persoonlijkheidsrechten
Het onderdeel “Grondrechten, waaronder begrepen persoonlijkheidsrechten” uit
Asser/Sieburgh 6-IV (2023, nr. 71) bespreekt de rol van grondrechten binnen het civiele
aansprakelijkheidsrecht, vooral in relatie tot art. 6:162 BW (onrechtmatige daad).
Persoonlijkheidsrechten gaan veelal terug op grondrechten. Deze bieden burger bescherming
tegen inmenging overheid, maar dienen ook als richtsnoer bij het invullen van de
zorgvuldigheid die de ene burger jegens de andere burger in acht moet nemen.
Punt van aandacht: de mogelijkheid om in een rechtsverhouding tussen burgers onderling de
van grondrechten afgeleide belangen te effectueren. Zo veroorzaakt de onrechtmatige
schending van een grondrecht niet noodzakelijk vermogensschade. Gezien de aard van het
geschonden belang wordt het wenselijk geacht op de schending ook op andere wijzen in
rechte te kunnen reageren dan met instellen van een vordering tot vergoeding van
vermogensschade. Hier worden een aantal grondslagen voor genoemd, zoals
schadevergoeding ogv 6:106 BW, vorderen van winstafdracht ogv 6:104 BW, en een
algemeenbelangenactie ogv 3:305a BW.
2
,Emaus pleit ervoor om in het aansprakelijkheidsrecht naast de onrechtmatige daad een regel
op te nemen die meer rechtstreeks op de EVRM rechten is toegespitst en kan dienen als basis
voor de handhaving van EVRM rechten. De rechtsgevolgen zouden hetzelfde zijn als bij een
onrechtmatige daad. Sieburgh betoogt dat zijn voorkeur voor de bescherming van
grondrechten in horizontale rechtsverhoudingen voor buitencontractuele aansprakelijkheid
ligt om dit te laten verlopen via de zorgvuldigheidsnorm van 6:162 BW, en aan de schending
daarvan te verbinden gevolgen, waaraan naar reeds geregeld recht zo nodig verdragsconform
invulling aan worden gegeven.
342- Europees recht en onrechtmatige overheidsdaad
● Lidstaten zijn op grond van Unierecht aansprakelijk voor schendingen van EU-recht
(Francovich, Brasserie du Pêcheur/Factortame).
● Deze aansprakelijkheid geldt voor alle staatsmachten: wetgever, bestuur én
rechterlijke macht (ook hoogste rechter: Köbler).
● Voorwaarden: (1) schending van een EU-rechtelijke norm die particulieren rechten
geeft, (2) voldoende gekwalificeerde schending, (3) causaal verband.
● Voor uitlatingen van ambtenaren geldt: wanneer burgers redelijkerwijs dachten dat de
ambtenaar namens de Staat sprak, worden diens handelingen aan de Staat toegerekend
(A.G.M.-COS.MET).
● Het nationale recht moet bij beoordeling van deze aansprakelijkheid aansluiten bij de
EU-rechtelijke richtsnoeren.
343 – Samenloop EU-aansprakelijkheid en nationale overheidsaansprakelijkheid
● EU-recht werkt als ondergrens: nationale regels mogen niet minder bescherming
bieden dan het EU-regime.
● In Nederland biedt het nationale stelsel vaak méér bescherming, behalve bij
rechterlijke beslissingen in hoogste instantie—daar biedt het EU-recht juist meer
bescherming.
● Nationaal recht (zoals formele rechtskracht en relativiteit) mag de EU-rechten van de
benadeelde niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (beginselen van
gelijkwaardigheid en doeltreffendheid).
● Als nationaal recht lichter is (bijv. gewone onrechtmatigheid), mag de rechter niet
ineens de zwaardere EU-maatstaf (gekwalificeerde schending) eisen.
Kortom: bij samenloop moet de rechter het ruimste beschermingsniveau toepassen.
343a – Fundamentele rechten (EVRM) en onrechtmatige overheidsdaad
● Schending van een EVRM-recht kan een onrechtmatige daad opleveren (beoordeling
via art. 6:162 BW).
● Voor uitvoerende en wetgevende macht geldt geen eis van gekwalificeerde
onrechtmatigheid, maar beleidsvrijheid kan relevant zijn.
● Voor rechterlijke macht gelden strengere eisen voor aansprakelijkheid.
● Art. 6:162 BW geldt als een effectief rechtsmiddel in EVRM-zin.
3
, ● Wanneer het EHRM een bepaald schade- of aansprakelijkheidskader heeft uitgewerkt,
moet de nationale rechter dit volgen.
● Via gelijkwaardigheid kan deze EVRM-systematiek ook gelden voor vergelijkbare
EU-rechtelijke schendingen.
343b – Positieve verdragsverplichtingen en onrechtmatige overheidsdaad
● De Staat kan aansprakelijk zijn als hij faalt in een positieve verdragsverplichting
(EVRM of EU-recht): de plicht burgers te beschermen tegen schendingen door derden.
● Deze plicht kan gelden voor wetgever, bestuur én rechterlijke macht.
● Mogelijke gevolgen: bevel tot handelen/nalaten of schadevergoeding.
● Specifieke eisen hangen af van het toepasselijke internationale regime (EVRM of
EU-recht).
● Ook buiten territoriale rechtsmacht kan er een bijzondere verantwoordelijkheid
bestaan voor Nederlandse staatsburgers (bijv. IS-vrouwen en kinderen).
● Voorbeelden: Urgenda, Groningenveld, zorgplichten en voorzorgverplichtingen.
4