1. Leg de stappen van eiwitsynthese (translatie) uit, inclusief de rol van codons en
anticodons.
2. Noem drie typen eiwitmodificaties en leg uit hoe deze de eiwitfunctie
beïnvloeden.
3. Waarom is primase nodig voor DNA-replicatie?
4. Leg uit hoe eiwitten toegang krijgen tot het endoplasmatisch reticulum (ER)
tijdens hun synthese.
5. Waarom wordt RNA beschouwd als de waarschijnlijke bron van leven?
6. Welke rol speelt DNA-polymerase in DNA-replicatie en in welke richting
synthetiseert het nieuwe strengen?
7. Welke rol speelt telomerase bij DNA-replicatie en waarom is het belangrijk?
8. Leg de functie van het endoplasmatisch reticulum (ER) en het Golgi-apparaat uit
in het proces van eiwitverwerking en -transport.
9. Noem twee typen genen die betrokken zijn bij kanker en leg uit hoe mutaties in
deze genen bijdragen aan de ontwikkeling van kanker.
10. Beschrijf de vier niveaus van eiwitstructuur.
11. Welke functie vervullen lysosomen en peroxisomen binnen de cel?
12. Beschrijf de opbouw van DNA en RNA, en noem de belangrijkste verschillen
tussen deze twee nucleïnezuren.
13. Beschrijf kort twee mechanismen van DNA-reparatie.
14. Wat is het verschil tussen totipotent, pluripotent en multipotent celpotentieel?
15. Noem de twee hoofdtypen mutaties en geef een voorbeeld van een kleine
mutatie.
anticodons.
2. Noem drie typen eiwitmodificaties en leg uit hoe deze de eiwitfunctie
beïnvloeden.
3. Waarom is primase nodig voor DNA-replicatie?
4. Leg uit hoe eiwitten toegang krijgen tot het endoplasmatisch reticulum (ER)
tijdens hun synthese.
5. Waarom wordt RNA beschouwd als de waarschijnlijke bron van leven?
6. Welke rol speelt DNA-polymerase in DNA-replicatie en in welke richting
synthetiseert het nieuwe strengen?
7. Welke rol speelt telomerase bij DNA-replicatie en waarom is het belangrijk?
8. Leg de functie van het endoplasmatisch reticulum (ER) en het Golgi-apparaat uit
in het proces van eiwitverwerking en -transport.
9. Noem twee typen genen die betrokken zijn bij kanker en leg uit hoe mutaties in
deze genen bijdragen aan de ontwikkeling van kanker.
10. Beschrijf de vier niveaus van eiwitstructuur.
11. Welke functie vervullen lysosomen en peroxisomen binnen de cel?
12. Beschrijf de opbouw van DNA en RNA, en noem de belangrijkste verschillen
tussen deze twee nucleïnezuren.
13. Beschrijf kort twee mechanismen van DNA-reparatie.
14. Wat is het verschil tussen totipotent, pluripotent en multipotent celpotentieel?
15. Noem de twee hoofdtypen mutaties en geef een voorbeeld van een kleine
mutatie.