Introductie
Dit oefenexamen is gebaseerd op de hoofdstukken 1, 2, 4 t/m 9, 16 en 34 t/m 36 van het boek
Guyton & Hall – Textbook of Medical Physiology (14e editie), ter voorbereiding op het
toelatingsexamen van de Premaster Geneeskunde.
Het doel van dit oefenexamen is om studenten te helpen bij het toetsen van hun kennis van de
geselecteerde hoofdstukken voor de cognitieve toets van het toelatingsexamen.
De toets bestaat uit 100 meerkeuze vragen, gelijkmatig verdeeld over de twaalf hoofdstukken.
Elke vraag is zorgvuldig ontworpen om inzicht, begrip en toepassing van de leerstof te
evalueren. Daarnaast zijn de vragen gemaakt om zoveel mogelijk op de stijl van de vragen van
het echte toelatingsexamen van de RUG te lijken.
Aan het einde van de toets is een antwoordmodel opgenomen, waarmee de antwoorden
gecontroleerd kunnen worden.
Disclaimer
Dit oefenexamen is zelfstandig samengesteld en is niet officieel verbonden aan of erkend door
de RUG of enig ander onderwijsinstituut. Hoewel uiterste zorg is besteed aan de juistheid en
volledigheid van de vragen, kunnen er geen rechten worden ontleend aan dit document. Gebruik
dit oefenexamen uitsluitend als studiehulpmiddel ter voorbereiding op de officiële toets.
Dit oefenexamen is uitsluitend bestemd voor persoonlijk gebruik van de koper. Het is niet
toegestaan dit document te kopiëren, te delen, door te sturen, te uploaden of op enige andere
wijze te verspreiden.
1
, 1. Wat is de primaire reden dat de rustpotentiaal van een neuron dichter bij het
evenwichtspotentiaal van kalium (-94 mV) ligt dan bij dat van natrium
(+61 mV)?
A. De concentratiegradiënt voor kalium over het membraan is veel groter dan die
voor natrium.
B. Het celmembraan in rust is significant meer permeabel voor kaliumionen dan
voor natriumionen.
C. De natrium-kaliumpomp pompt meer natriumionen uit dan kaliumionen in, wat
de binnenkant negatiever maakt.
D. Chloride-ionen diffunderen de cel in, wat de negatieve lading versterkt en de
invloed van natrium compenseert.
2. Welk mechanisme verklaart het plateau (fase 2) van de actiepotentiaal in een
ventriculaire spiervezel?
A. Een snelle opening van spanningsafhankelijke kaliumkanalen direct na de
depolarisatie.
B. Continue activiteit van de natrium-kaliumpomp die de depolarisatie in stand
houdt.
C. De gelijktijdige instroom van calciumionen via L-type kanalen en een
verminderde uitstroom van kaliumionen.
D. Een langdurige opening van snelle, spanningsafhankelijke natriumkanalen.
3. Hoe verschilt de regulatie van contractie in glad spierweefsel fundamenteel
van die in skeletspierweefsel?
A. Glad spierweefsel gebruikt troponine C om calcium te binden, net als
skeletspierweefsel.
B. Contractie wordt geïnitieerd door de fosforylering van de lichte keten van
myosine, geactiveerd door het calmoduline-calciumcomplex.
C. De calciumionen die contractie initiëren, komen uitsluitend uit een uitgebreid
sarcoplasmatisch reticulum.
D. De energie voor contractie wordt geleverd door GTP in plaats van ATP.
2