Hoofdstuk 6.4 - wet verplichte ggz en wet zorg en dwang
Uitgangspunt in de gezondheidszorg is zelfbeschikking, dit wil zeggen dat mensen zelf beslissen of ze zorg
wensen en dat er geen zorg wordt geboden die ze niet willen. Onvrijwillige zorg, is zorg die tegen de wens van
de patiënt wordt geboden. Alleen mogelijk als een wet die mogelijkheid uitdrukkelijk biedt.
Gedwongen zorg op basis van Wvggz kan gedwongen zorg ook buiten een instelling worden geboden, zoals
bijvoorbeeld gedwongen medicatie thuis.
• Gedwongen zorg is een juridische term uit de Wet verplichte ggz (Wvggz).
Het gaat om zorg die door een rechterlijke beslissing (zoals een zorgmachtiging) mag worden
toegepast.
• Onvrijwillige zorg (hulp) is een algemenere term: elke zorg waar iemand niet mee instemt. Je vindt
deze term o.a. in de Wet zorg en dwang (Wzd).
Wet verplichte ggz (Wvggz) -> Richt zich op gedwongen zorg, wanneer een patiënt door een psychische
stoornis of ernstige nadeel voor zichzelf of anderen veroorzaakt en vrijwillige zorg niet voldoende is dit nadeel
af te wenden.
Als iemand mogelijk verplichte zorg nodig heeft, wordt dat eerst onderzocht. Iemand kan hiervoor een melding
doen bij een gemeentelijk ggz-meldpunt.
1. De gemeente kijkt of verplichte zorg misschien nodig is.
• Zo ja, dan vertelt de gemeente dit aan de officier van justitie.
• Ook hulpverleners die direct met de patiënt werken, kunnen zelf naar de officier van justitie stappen.
2. De officier van justitie schakelt vervolgens:
• De geneesheer-directeur in, die een zorgverantwoordelijke aanwijst en een onafhankelijke
psychiater, die onderzoekt of verplichte zorg echt nodig is.
3. Als het nodig lijkt, vraagt de officier van justitie de rechter om een zorgmachtiging.
4. Bij dat verzoek zitten o.a.:
• De verklaring van de psychiater
• Het zorgplan, dat zoveel mogelijk samen met de patiënt en familie is gemaakt.
5. De rechter beslist. Als de rechter een zorgmachtiging geeft, mag verplichte zorg worden toegepast.
• Deze zorgmachtiging is de basis voor de verplichte zorg.
Bij jeugdigen tot 12 jaar geldt de zorg als gedwongen wanneer (een van) de wettelijke vertegenwoordigers niet
met de zorg instemmen.
Bij jeugdigen tussen 12 en 16 jaar is de zorg gedwongen als de wilsbekwame jeugdige of (een van) de wettelijke
vertegenwoordigers niet met zorg instemmen.
Vanaf 16 jaar is er sprake van gedwongen zorg als de wilsbekwame jeugdige, of de vertegenwoordiger van de
wilsonbekwame (niet goed kan beslissen) jeugdige, niet met de zorg instemt.
,Wet zorg en dwang (Wzd) -> Gericht op gedwongen zorg voor personen met een psychogeriatrische
aandoening (ziekte of stoornis is de hersenen) of met een verstandelijke beperking.
Opmerkelijk is dat het besluit over het al dan niet toepassen van onvrijwillige zorg in de Wzd niet door de
rechter wordt genomen maar door hulpverleners in een multidisciplinair verband. Bij verlenging van de termijn
van de onvrijwillige zorg dienen steeds meer deskundigen aan dit overleg deel te nemen.
Een zogeheten Wzd-functionaris binnen de instelling toets alle zorgplannen waarin onvrijwillige zorg is
opgenomen. Hij beoordeelt met name of voldaan is aan de eis van de Wzd dat onvrijwillige zorg alleen wordt
toegepast als er echt geen vrijwillige opties zijn, of kijkt of er voldoende wordt gedaan om onvrijwillige zorg af
te bouwen.
• Voor jeugdigen gelden dezelfde leeftijdsgrenzen als in de Wvggz:
Bij jeugdigen tot 12 jaar geldt de zorg als gedwongen wanneer (een van) de wettelijke vertegenwoordigers niet
met de zorg instemmen.
Bij jeugdigen tussen 12 en 16 jaar is de zorg gedwongen als de wilsbekwame jeugdige of (een van) de wettelijke
vertegenwoordigers niet met zorg instemmen.
Vanaf 16 jaar is er sprake van gedwongen zorg als de wilsbekwame jeugdige, of de vertegenwoordiger van de
wilsonbekwame (niet goed kan beslissen) jeugdige, niet met de zorg instemt.
• Deze twee wetten (Wvggz en Wzd) zijn in 2020 in werking gebracht, zij vervangen de Wet Bopz.
De Wzd biedt een mogelijkheid van verplichte zorg voor jongvolwassenen, dit wil zeggen jongeren tussen de 18
en 23 jaar. Doel van de maatregel is enige grip houden op jongeren die voor hun 18e jaar jeugdhulp hadden,
vaak in de gedwongen setting van jeugdbescherming en die daarna eigenlijk nog enige dwang nodig hebben
om hulp te aanvaarden. De voorwaardelijke machtiging is een soort stok achter de deur. Als de
jongvolwassenen zich niet aan de voorwaarden houdt, bijvoorbeeld de hulp niet meer accepteert dan wordt hij
opgenomen.
De voorwaardelijke machtiging is mogelijk voor jongeren met een verstandelijke beperking, al dan niet met een
psychische stoornis, die jeugdhulp hebben (gehad) en van wie het gedrag, als gevolg van de beperking of de
stoornis leidt tot ernstig nadeel.
Is er twijfel of de jongere deze voorwaarde vrijwillig zal naleven, dan kan het Centrum indicatiestelling zorg
(CIZ) de rechtbank verzoeken om een voorwaardelijke machtiging. Wanneer de jongere zich niet aan de
voorwaarden houdt die in de machtiging staan, dan neemt de instelling die in de machtiging wordt genoemd
de jongere gedwongen op. De machtiging wordt door de rechter alleen opgelegd als de jongvolwassene met
de voorwaarden instemt.
Een voorwaardelijke machtiging heeft een maximale duur van een jaar en kan, als er nog steeds niet aan de
voorwaarden wordt voldaan, telkens met een jaar verlengd totdat de jongere 23 jaar wordt.
,Hoofdstuk 11 – inleiding strafrecht
Typerend voor strafrecht is dat er gedragingen in worden beschreven waarop straf wordt gesteld. De politie
heeft de taak verdachten van strafbare feiten op te sporen, zodat de officier van justitie hen kan vervolgen en
de rechter over hun schuld kan oordelen. In het strafrecht zijn vooral die gedragingen opgenomen die een
bedreiging vormen voor de rust en veiligheid van de samenleving.
Materieel -> In het materieel strafrecht worden de strafbare gedragingen en de straffen beschreven.
Dit deel beschrijft:
• De verboden gedragingen (zoals diefstal, vernieling en verkrachting)
• De straffen en maatregelen die aan veroordeelden kunnen worden opgelegd
• Een aantal algemene bepalingen die voor alle verboden gedragingen in het strafrecht gelden
Het materieel strafrecht staat vooral in het Wetboek van Strafrecht (Sr). Zo heb je ook andere wetten die
strafbepalingen bevatten:
• Opiumwet -> handel in verdovende middelen
• Wegenverkeerswet -> rijden onder invloed van alcohol
• Wet wapens en munitie -> wapenbezit zonder vergunning
Deze wetten worden "bijzondere wetten" genoemd, omdat ze een bepaald onderwerp in het bijzonder
regelen.
Formeel -> Het formeel deel regelt de handhaving van het materiaal strafrecht, het beschrijft wat er gebeurt
als er eenmaal een strafbaar feit is gepleegd.
Het formeel strafrecht bevat:
• De bevoegdheden van politie en justitie als er een strafbaar feit is gepleegd
• De rechten van de verdachte en zijn raadsman
• De gang van zaken tijdens het proces
Het formeel strafrecht wordt vooral beschreven in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook bijzondere
wetten bevatten wel regels van formeel strafrecht. Vaak gaat het om ruimere bevoegdheden voor politie en
justitie om strafbare feiten uit die bepaalde wet op te sporen, zo geven bijvoorbeeld de Opiumwet en de Wet
wapens en munitie de politie meer armslag bij het opsporen van verdovende middelen en verboden
wapenbezit.
Kort samengevat: het materieel strafrecht beschrijft welke gedragingen strafbaar zijn en het formeel strafrecht
beschrijft op welke wijze het materieel strafrecht gehandhaafd wordt.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) -> in dit verdrag worden de rechten van
jeugdigen omschreven, ook van jeugdigen die vanwege een strafbaar feit van hun vrijheid zijn beroofd. De wet
zorgt ervoor dat jeugdigen zo snel mogelijk weer op verantwoorde wijze terug kan keren in de samenleving.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) -> De verdachte heeft recht op een eerlijk proces en
het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Het bevat ook de basisregel van ons
strafrecht, dat ieder geacht wordt onschuldig te zijn tot een onafhankelijke rechter de schuld heeft vastgesteld.
, Vanwege het ingrijpende karakter van het strafrecht moeten burgers erop kunnen vertrouwen dat de overheid
op een zorgvuldige manier met het strafrecht omgaat. Die garantie biedt het legaliteitsbeginsel, zoals verwoord
in artikel 1 Sr (en art. 16 Grondwet): 'Geen feit is strafbaar dan uit de kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.' De legaliteitsbeginsel bevat drie belangrijke elementen:
1. Wet
Een strafbepaling is alleen geldig als zij is opgenomen in een wet. Veel strafbepalingen zijn opgenomen in
wetten die afkomstig zijn van onze 'hoogste' wetgever (regering en Eerste en Tweede kamer samen), zoals het
Sr, de Opiumwet en de Leerplichtwet. Maar ook wetten van 'lagere' wetgevers, zoals de regering, de minister,
de provinciale staten en de gemeenteraad, kunnen strafbepalingen bevatten.
2. Niet achteraf
Iemand kan alleen worden gestraft vanwege gedrag dat al strafbaar was op het moment van de daad. Een
dader moet op het moment van zijn daad (kunnen) weten dat hij met zijn gedrag het risico loopt dat hij gestraft
zal worden.
3. Geen gewoonte
Gedrag kan alleen strafbaar worden gesteld in een wet. Strafbaarstelling op basis van gewoonte is niet
mogelijk. Ook analogie is verboden. Analogie wil zeggen dat de betekenis van een strafbepaling wordt
opgerekt, zodat er ook gedrag onder valt dat er eigenlijk niet onder hoort, maar er wel op lijkt. (Je
mag alleen straffen voor precies datgene wat de wet verbiedt, niet voor iets dat er slechts op lijkt.)
Strafbepalingen moeten nauwkeurig en duidelijk zijn, zodat helder is welk gedrag er wel en welk gedrag er niet
onder valt.
Ook het Sv kent een legaliteitsbeginsel. Artikel 1 Sv luidt: 'Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de
wet voorzien.' Dit betekent dat het optreden van de overheid gedurende het hele strafproces is vastgelegd in
de wet. Regels over de rechten van de verdachte, over de bevoegdheden van de politie en bijvoorbeeld de
gang van zaken tijdens de zitting staan altijd in een wet die is gemaakt door de regering en Eerste en Tweede
kamer samen (hoogste wetgever).
Strafprocesrecht vind je bijvoorbeeld in Sv of in de Opiumwet, maar niet in 'lagere' wetten, zoals een
provinciale of gemeentelijke verordening.
Met het jeugdstrafrecht wordt gedoeld op speciale regels in het Sr en Sv voor jeugdigen. Het bevat een eigen
pakket straffen en maatregelen voor jeugdigen tussen 12 en 18 jaar en jongvolwassenen tot 23 jaar, en hebben
een opvoedkundig karakter.
Het strafproces biedt speciale procesregels voor minderjarige verdachten. Zo krijgen zij, als ze voor de
rechtbank verschijnen, automatisch een advocaat. De ouders hebben toegang tot het kind als hij wordt
vastgehouden en wordt een rechtszaak tegen een jeugdige meestal achter gesloten deuren behandeld om zijn
privacy te beschermen.