Een cel is de kleinste stofwisselingseenheid van ons lichaam. Ons lichaam
is opgebouwd uit cellen.
Meerdere cellen bij elkaar met een soortgelijke bouw en een gezamenlijke
functie noemen we weefsel.
De vier hoofdgroepen weefsels zijn:
Epitheelweefsel: Dit weefsel heeft als doel het afscheiden van
stoffen, transport en bescherming.
Bindweefsel: Dit weefsel verbindt, ondersteunt en beschermt
andere weefsels.
Spierweefsel: Dit weefsel kan samentrekken en beweging
veroorzaken. Er zijn drie soorten spierweefsel:
skeletspierweefsel, glad spierweefsel en hartspierweefsel.
Zenuwweefsel: Dit weefsel is opgebouwd uit zenuwcellen. Het is
verantwoordelijk voor het ontvangen, verwerken en doorgeven van
elektrische signalen.
Meerdere weefsels samen met één doel noemen we een orgaan.
Meerdere organen die samenwerken aan een specifieke taak, zoals
transport, gaswisseling of uitscheiding, noemen we een orgaanstelsel.
De cel en de celbouw
Een cel bestaat uit een vrij dun celmembraan gevuld met cytoplasma.
In dit cytoplasma zijn stoffen zoals water, eiwitten, vetten en zouten
opgelost.
De cel is dus omgeven door een celmembraan.
De celmembraan is een dubbele laag en de functie is vooral het
beschermen en reguleren van het celmilieu.
Elke cel bestaat uit celorganellen.
Een organel is een soort mini-orgaan van een cel.
De belangrijkste zijn:
De celkern: Hierin ligt het DNA met de erfelijke eigenschappen en
informatie voor eiwitsynthese.
De ribosomen: Deze zijn verantwoordelijk voor de eiwitsynthese;
hier worden aminozuren aan elkaar gekoppeld tot eiwitten. Ze
bevinden zich vrij in het cytoplasma of gekoppeld aan het ruw
endoplasmatisch reticulum.
, De mitochondriën: De “powerhouses” van de cel.
Ze veranderen opgeslagen energie (uit bijvoorbeeld glucose
(C₆H₁₂O₆)) in energie (ATP).
Net zoals mensen heeft een cel ook een stofwisseling.
Wat een cel doet, is dat hij glucose als het niet direct nodig is assimileert
(opbouwt) naar een andere stof als voorraad.
Wanneer er energie nodig is wordt dit weer afgebroken (=
gedissimileerd) en omgezet in energie (ATP).
Stofwisseling en enzymen
Alle stofwisselingsreacties worden gedaan met hulp van enzymen.
Deze enzymen werken het best bij een temperatuur van ongeveer 37°C.
Daarom probeert je lichaam die temperatuur constant te houden.
Te laag is gevaarlijk, te hoog ook, omdat enzymen dan niet goed werken →
dus ook niet voordelig voor je lichaam.
Celademhaling
Celademhaling is een voorbeeld van een katabole reactie.
Het doel is het afbreken van geassimileerde stoffen en dit vervolgens
omzetten in ATP.
Om aan het volledige lichaam te distribueren vindt deze reactie plaats in
de mitochondriën.
Voor het maken van ATP (energie) via aerobe dissimilatie (verbranding met
zuurstof) is zuurstof (O₂) en glucose (C₆H₁₂O₆) nodig.
Na verbranding ontstaan ATP, CO₂ (koolstofdioxide) en H₂O (water).
De formule van het proces is:
C₆H₁₂O₆ + 6 O₂ → 6 CO₂ + 6 H₂O + ATP
Dus glucose en zuurstof worden verbrand.
Daaruit wordt energie, CO₂ en H₂O gevormd.
Deze verbranding gaat dag en nacht in cellen door.
’s Nachts gaat het alleen op een wat lager tempo.
Dus nog even kort:
Als wij eten wordt dit omgezet in energie; alles wat wij doen vraagt
energie op dat moment.