Samenvatting IDM
Hoorcollege 1
Identiteit is een subjectief gevoel van de persoon wie ik ‘echt’ ben en waar je hoort.
➔ Consistent en continue over tijd en contexten
o Functioneel voor welbevinden
o Geeft betekenis aan levensgebeurtenissen en beïnvloedt keuzes
▪ Samenhangend geheel
Persoonlijke identiteit = waarmee identificeer ik me?
Sociale identiteit = met wie identificeer ik me?
Zelfconcept
1. Zelfwaardering
2. Competentiebeleving
3. Interpretaties en waarnemingen
Identiteit → zelfconcept → zelf (ik als totaliteit)
Identiteit vanuit verschillende perspectieven
- Klinische psychologie → identiteit als symptoom of causale factor
o Trauma modellen (DIS)
o Self-concept clarity = hoe stabiel of verward ben je?
- Sociale psychologie → sociale identiteiten
o Sociale identiteitstheorie (Turner) = processen zijn sociale of zelf
categorisatie, identificatie en sociale vergelijking
o Social identity complexity (Brewer) = hoe omgaan met je eigen identiteit
▪ Intersection = gedeeltelijke overlap (beetje bij elkaar horen)
▪ Dominance = één identiteit sterker dan ander
▪ Compart mentalisation = switchen van identiteit per situatie
(apart houden van identiteiten)
▪ Merger = samenvoegen van alle identiteiten tot één
- Psychologische functieleer → cognitieve functies in relatie met identiteit
o Waarneming of aandacht
o Semantische/conceptuele kennis = wat je over jezelf weet
o Episodische kennis = herinneringen ver specifieke persoonlijke ervaring
, - Ontwikkelingspsychologie → traditionele identiteitsmodellen (Erikson/Marcia)
o Erikson : crisis in adolescentie
▪ Identiteitsverwarring = lukt niet altijd om een heldere stabiele
identiteit te vormen
▪ Identiteit = formatie van een helder, stabiele
identiteit waarin je plek in de wereld duidelijk is
o Marcia’s vier stage model
▪ Exploratie = verkennen wie je bent
▪ Commitment = aan je keuzes of zelfbeeld blijven
o Dynamische identiteitsmodellen (Crocetti)
- Persoonlijkheidsleer → deel van persoonlijkheid
o McAdams = levensnarratieven vormen je identiteit
o Nadruk op culturele en maatschappelijke context (Hammack)
Simpele narratieven hebben simpele oplossingen nodig dus is makkelijk uit te voeren.
➔ Bv. sekse heeft een rol in sociale media gebruik en mental health problemen
o Erger als je een meid bent
o Heeft een moderator rol!
, Hoorcollege 2a
Persoonlijke identiteit kan bestaan uit verschillende identiteiten; nationaliteit, familie,
leeftijd, ethisch en geslacht.
Sociale identiteitstheorie (SIT) = basisprincipes zijn categorisatie, identificatie en
vergelijking
➔ Groep als een belangrijk deel van je zelfbeeld en zelfconcept zien
o Wat als de sociale status van de groep laag is?!
Sociale categorisatie = bij welke groep hoor je?
➔ Cognitieve proces waarin mensen de wereld indelen in groepen waar ze bij horen
(wij) en waar ze niet bij horen (zij) op basis van overeenkomsten en verschillen
o Automatisch proces om wereld te versimpelen (ik ben een vrouw)
Sociale identificatie = hoe belangrijk is de groep voor je?
➔ Mate waarin we ons psychologisch verbonden voelen aan de groepen waar we lid
van zijn
o De groep is een belangrijke bron van zelfdefinitie en zelfvertrouwen
Saillent = ogenschijnlijke belang van informatie
Contextuele cues = welke identiteit er op dit moment belangrijk voor je is, is afhankelijk
van context → bv. op dit moment een vrouw tussen alleen maar mannen
Waarom identificeren met groepen?
- Need to belong = basisbehoefte
- Zelfvertrouwen hypothese = groep waar je bij hoort helpt met zelfvertrouwen
- Optimale dinstinctiviteitstheorie = belangrijk om erbij te horen bij groep die
anders is dan andere groep → uniek willen zijn
- Onzekerheidsreductie theorie (OWP) = in puberteit graag willen zeggen dit ben
ik of zou ik kunnen zijn
o Alternatief voor zelfvertrouwen
- Continuïteitsbehoefte = belangrijk voor continuïteit
o Evolutionair → jij als persoon blijft door bestaan ook al verlaat je de groep
- Behoefte aan effectiviteit en controle = groep geeft richting over hoe je je moet
gedragen
, Zelfvertrouwen hypothese
Mensen willen allemaal graag
zelfvertrouwen, omdat het noodzakelijk is
om te weten hoe je je wilt gedragen. Dit kan
je zelf inwinnen of door de groep.
➔ Groep ook als je er zelf niet bij bent
o Is je identiteit dus hoort erbij
Sociale identiteitstheorie → intergroup conflicten oorsprong begrijpen
Groepsdruk en niet alleen weinig middelen spelen een rol. Het kan in alledaagse
gebeurtenissen én persoonlijke dynamieken voorkomen.
Minimal groups paradigma = mensen gedragen zich naar behoren van hun
groepsidentiteit
➔ Eigen groep meer gunnen dan ‘zij;
o Soms alleen een kleur onderscheid al genoeg voor groepsbonding
Verklaringen
- Sociale categorisatie = automatisch
- Sociale identificatie = belang voor jezelf en zelfbeeld
- Sociale vergelijking = vergelijken met andere groep
o Eigen groep positiever maken voor positief zelfbeeld
- Neiging tot positieve intergroep differentiatie
o Intergroup accentuation = verschillen tussen groepen vergroten en
binnen groep verkleinen
o Ingroup favoritsme = positieven voelen t.o.v. andere groepsleden versus
leden van andere groepen
o Outgroup derogation = andere groepen naar beneden halen om beter te
voelen over eigen groep
Hoorcollege 1
Identiteit is een subjectief gevoel van de persoon wie ik ‘echt’ ben en waar je hoort.
➔ Consistent en continue over tijd en contexten
o Functioneel voor welbevinden
o Geeft betekenis aan levensgebeurtenissen en beïnvloedt keuzes
▪ Samenhangend geheel
Persoonlijke identiteit = waarmee identificeer ik me?
Sociale identiteit = met wie identificeer ik me?
Zelfconcept
1. Zelfwaardering
2. Competentiebeleving
3. Interpretaties en waarnemingen
Identiteit → zelfconcept → zelf (ik als totaliteit)
Identiteit vanuit verschillende perspectieven
- Klinische psychologie → identiteit als symptoom of causale factor
o Trauma modellen (DIS)
o Self-concept clarity = hoe stabiel of verward ben je?
- Sociale psychologie → sociale identiteiten
o Sociale identiteitstheorie (Turner) = processen zijn sociale of zelf
categorisatie, identificatie en sociale vergelijking
o Social identity complexity (Brewer) = hoe omgaan met je eigen identiteit
▪ Intersection = gedeeltelijke overlap (beetje bij elkaar horen)
▪ Dominance = één identiteit sterker dan ander
▪ Compart mentalisation = switchen van identiteit per situatie
(apart houden van identiteiten)
▪ Merger = samenvoegen van alle identiteiten tot één
- Psychologische functieleer → cognitieve functies in relatie met identiteit
o Waarneming of aandacht
o Semantische/conceptuele kennis = wat je over jezelf weet
o Episodische kennis = herinneringen ver specifieke persoonlijke ervaring
, - Ontwikkelingspsychologie → traditionele identiteitsmodellen (Erikson/Marcia)
o Erikson : crisis in adolescentie
▪ Identiteitsverwarring = lukt niet altijd om een heldere stabiele
identiteit te vormen
▪ Identiteit = formatie van een helder, stabiele
identiteit waarin je plek in de wereld duidelijk is
o Marcia’s vier stage model
▪ Exploratie = verkennen wie je bent
▪ Commitment = aan je keuzes of zelfbeeld blijven
o Dynamische identiteitsmodellen (Crocetti)
- Persoonlijkheidsleer → deel van persoonlijkheid
o McAdams = levensnarratieven vormen je identiteit
o Nadruk op culturele en maatschappelijke context (Hammack)
Simpele narratieven hebben simpele oplossingen nodig dus is makkelijk uit te voeren.
➔ Bv. sekse heeft een rol in sociale media gebruik en mental health problemen
o Erger als je een meid bent
o Heeft een moderator rol!
, Hoorcollege 2a
Persoonlijke identiteit kan bestaan uit verschillende identiteiten; nationaliteit, familie,
leeftijd, ethisch en geslacht.
Sociale identiteitstheorie (SIT) = basisprincipes zijn categorisatie, identificatie en
vergelijking
➔ Groep als een belangrijk deel van je zelfbeeld en zelfconcept zien
o Wat als de sociale status van de groep laag is?!
Sociale categorisatie = bij welke groep hoor je?
➔ Cognitieve proces waarin mensen de wereld indelen in groepen waar ze bij horen
(wij) en waar ze niet bij horen (zij) op basis van overeenkomsten en verschillen
o Automatisch proces om wereld te versimpelen (ik ben een vrouw)
Sociale identificatie = hoe belangrijk is de groep voor je?
➔ Mate waarin we ons psychologisch verbonden voelen aan de groepen waar we lid
van zijn
o De groep is een belangrijke bron van zelfdefinitie en zelfvertrouwen
Saillent = ogenschijnlijke belang van informatie
Contextuele cues = welke identiteit er op dit moment belangrijk voor je is, is afhankelijk
van context → bv. op dit moment een vrouw tussen alleen maar mannen
Waarom identificeren met groepen?
- Need to belong = basisbehoefte
- Zelfvertrouwen hypothese = groep waar je bij hoort helpt met zelfvertrouwen
- Optimale dinstinctiviteitstheorie = belangrijk om erbij te horen bij groep die
anders is dan andere groep → uniek willen zijn
- Onzekerheidsreductie theorie (OWP) = in puberteit graag willen zeggen dit ben
ik of zou ik kunnen zijn
o Alternatief voor zelfvertrouwen
- Continuïteitsbehoefte = belangrijk voor continuïteit
o Evolutionair → jij als persoon blijft door bestaan ook al verlaat je de groep
- Behoefte aan effectiviteit en controle = groep geeft richting over hoe je je moet
gedragen
, Zelfvertrouwen hypothese
Mensen willen allemaal graag
zelfvertrouwen, omdat het noodzakelijk is
om te weten hoe je je wilt gedragen. Dit kan
je zelf inwinnen of door de groep.
➔ Groep ook als je er zelf niet bij bent
o Is je identiteit dus hoort erbij
Sociale identiteitstheorie → intergroup conflicten oorsprong begrijpen
Groepsdruk en niet alleen weinig middelen spelen een rol. Het kan in alledaagse
gebeurtenissen én persoonlijke dynamieken voorkomen.
Minimal groups paradigma = mensen gedragen zich naar behoren van hun
groepsidentiteit
➔ Eigen groep meer gunnen dan ‘zij;
o Soms alleen een kleur onderscheid al genoeg voor groepsbonding
Verklaringen
- Sociale categorisatie = automatisch
- Sociale identificatie = belang voor jezelf en zelfbeeld
- Sociale vergelijking = vergelijken met andere groep
o Eigen groep positiever maken voor positief zelfbeeld
- Neiging tot positieve intergroep differentiatie
o Intergroup accentuation = verschillen tussen groepen vergroten en
binnen groep verkleinen
o Ingroup favoritsme = positieven voelen t.o.v. andere groepsleden versus
leden van andere groepen
o Outgroup derogation = andere groepen naar beneden halen om beter te
voelen over eigen groep