C1
Ziekte en gezondheid
Ziekte: storing van een normaal functionerend organisme/verstoorde biologische of
lichamelijke processen als oorzaak
Gezondheid: afwezigheid van ziekte
Biomedisch model: verklaart gezondheidsproblemen vanuit biologische oorzaken
Focus: behandeling van het lichaam door arts, passieve rol van het individu, preventie door
wegnemen van oorzaken
Biopsychosociaal-model: samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren bij
ontstaan en beloop van ziekte en gezondheid
Focus: verschillende aangrijpingspunten voor ziektepreventie en gezondheidsbevordering,
actievere rol van het individu
Disease: feitelijke biologische afwijking (medisch perspectief)
Illness: persoonlijk ziekte-gevoel, ervaring, lijden (ik perspectief)
Sickness: ziek volgens sociale normen, stigmatisering (sociaal perspectief)
WHO definitie (1948): "Gezondheid is een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en
sociaal/maatschappelijk welbevinden en niet slechts de afwezigheid van ziekte of gebrek."
Huber et al definitie (2011): "Gezondheid is het vermogen zich aan te passen en een eigen
regie te voeren, in het licht van de sociale, mentale en fysieke uitdagingen van het leven."
6 indicatoren voor positieve gezondheid volgens Huber:
● Lichaamsfuncties
● Meedoen
● Dagelijkse functioneren
● Mentaal welbevinden
● Zingeving
● Kwaliteit van leven
C2
Stress-coping model (Lazarus & Folkman, 1984)
Situatie
/ \
Primaire beoordeling situatie (tegelijkertijd) secundaire beoordeling
(neutraal/positief/negatief) (positief/negatief)
,-> negatief -> stress en gerelateerde reacties -> coping
Primair: beoordeling in relatie tot eigen welzijn
Secundair: beoordeling van mogelijkheden
Stressoren: situaties, gebeurtenissen of prikkels die als negatief worden beoordeeld zoals
heftige levensgebeurtenissen en dagelijkse moeilijkheden (ziekte)
Kenmerken stressoren: hoge intensiteit, lange duur, lage voorspelbaarheid, lage
beheersbaarheid en hoge dubbelzinnigheid
Stress: subjectief ervaren van ongemak om het niet goed aankunnen van interne en externe
eisen van de situatie en de mogelijkheden er mee om te gaan
Stressreacties:
● Fysiologisch: lichamelijk (verhoogde hartslag)
● cognitief: in je hoofd/mentaal (geheugen/concentratie problemen)
● emotioneel: gevoel (angstig)
● gedragsmatig: uiting (gespannen/rusteloos)
Coping: alle mentale en gedragsmatige inspanningen gericht op het omgaan met/hestellen
van de stressvolle situatie, succes is niet noodzakelijk (gaat om de poging). Niet automatisch
maar vergt inspanning
Dimensies (strategieën) van coping (Solberg Nes & Segerstrom, 2008):
● probleemgericht (wat): hanteren van probleem
● emotiegericht (wat): reguleren van negatieve emoties
● toenaderende (hoe): richten op het probleem/emoties
● vermijdende (hoe): nergen van het probleem/emoties
Effectiviteit coping:
● controleerbaarheid -> toenaderende probleemgericht
● onderzochte gevolgen
● tijd
● beoogd doel
niet controleerbaar -> toenaderend emotiegericht
niet effectief lange termijn -> vermijdend
Hulpbronnen:
● Psychologische hulpbronnen: persoonlijkheidseigenschappen
● Praktische hulpbronnen: financiële situatie, goede gezondheid
● Sociale hulpbronnen: sociale steun
, Sociale steun: hulp die iemand geeft aan een ander die voor een probleem staat met het
doel het probleem op te lossen of ten minste de negatieve emoties te verlichten
3 Soorten: emotionele, instrumentele en informationele steun
-> daadwerkelijke steun (openlijk of onzichtbaar) of waargenomen/ervaren steun
● beter emotioneel welzijn
● betere kwaliteit van leven
● betere therapietrouw
● eerder ontslag uit het ziekenhuis
● verlaagde kans op mortaliteit
Common-Sense Model of self-regulation (Leventhal et al., 1980):
interne/externe stimuli -> cognitieve en emotionele illness representatie (eigen kennis,
ervaring sociale cirkel en media) -> coping met illness -> inschatting/gezondheidsuitkomst
ziekte- en behandelpercepties hebben invloed op het ziektegedrag, dat
vervolgens invloed heeft op ziekteverloop
ziekte- en behandelpercepties zijn veranderbaar
Ziekteperceptie: bij confrontatie met een gezondheidsprobleem vormen mensen eigen
ideeën emoties over de klachten/ziekte
Ziektegedrag: ziektepercepties geven richting aan de manier waarop iemand omgaat met de
klachten/ziekte -> resultaten worden geëvalueerd aan de hand van gezondheidsuitkomsten
DC2
Sociologische theorieën van ziekte en zorg
medische sociologie: wetenschappelijke studie van sociale en culturele aspecten van ziekte,
gezondheid en gezondheidszorg (sociaal systeem)
Biomedisch denken: het machtigste (geïnstitutionaliseerd) en het beïnvloedt denken van
professionals en niet-professionals. Ziektes bestaan ook los van de beleving van de patiënt
(reductionisme)
Oerprincipes:
● stelsel van opvatting van de oorzaken van ziekte en aandoeningen (etiologie)
● ziekte bestaat niet zonder pathologisch-anatomisch (micro/macro level onderzoek)
substraat
● universalisme (waarden)
● wetenschappelijke neutraliteit en objectiviteit
Biopsychosociaal model:
● menselijk lichaam als onderdeel sociaal systeem
● relatie mens/omgeving, lichaam/geest
● holisme (allesomvattend)
Ziekte en gezondheid
Ziekte: storing van een normaal functionerend organisme/verstoorde biologische of
lichamelijke processen als oorzaak
Gezondheid: afwezigheid van ziekte
Biomedisch model: verklaart gezondheidsproblemen vanuit biologische oorzaken
Focus: behandeling van het lichaam door arts, passieve rol van het individu, preventie door
wegnemen van oorzaken
Biopsychosociaal-model: samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren bij
ontstaan en beloop van ziekte en gezondheid
Focus: verschillende aangrijpingspunten voor ziektepreventie en gezondheidsbevordering,
actievere rol van het individu
Disease: feitelijke biologische afwijking (medisch perspectief)
Illness: persoonlijk ziekte-gevoel, ervaring, lijden (ik perspectief)
Sickness: ziek volgens sociale normen, stigmatisering (sociaal perspectief)
WHO definitie (1948): "Gezondheid is een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en
sociaal/maatschappelijk welbevinden en niet slechts de afwezigheid van ziekte of gebrek."
Huber et al definitie (2011): "Gezondheid is het vermogen zich aan te passen en een eigen
regie te voeren, in het licht van de sociale, mentale en fysieke uitdagingen van het leven."
6 indicatoren voor positieve gezondheid volgens Huber:
● Lichaamsfuncties
● Meedoen
● Dagelijkse functioneren
● Mentaal welbevinden
● Zingeving
● Kwaliteit van leven
C2
Stress-coping model (Lazarus & Folkman, 1984)
Situatie
/ \
Primaire beoordeling situatie (tegelijkertijd) secundaire beoordeling
(neutraal/positief/negatief) (positief/negatief)
,-> negatief -> stress en gerelateerde reacties -> coping
Primair: beoordeling in relatie tot eigen welzijn
Secundair: beoordeling van mogelijkheden
Stressoren: situaties, gebeurtenissen of prikkels die als negatief worden beoordeeld zoals
heftige levensgebeurtenissen en dagelijkse moeilijkheden (ziekte)
Kenmerken stressoren: hoge intensiteit, lange duur, lage voorspelbaarheid, lage
beheersbaarheid en hoge dubbelzinnigheid
Stress: subjectief ervaren van ongemak om het niet goed aankunnen van interne en externe
eisen van de situatie en de mogelijkheden er mee om te gaan
Stressreacties:
● Fysiologisch: lichamelijk (verhoogde hartslag)
● cognitief: in je hoofd/mentaal (geheugen/concentratie problemen)
● emotioneel: gevoel (angstig)
● gedragsmatig: uiting (gespannen/rusteloos)
Coping: alle mentale en gedragsmatige inspanningen gericht op het omgaan met/hestellen
van de stressvolle situatie, succes is niet noodzakelijk (gaat om de poging). Niet automatisch
maar vergt inspanning
Dimensies (strategieën) van coping (Solberg Nes & Segerstrom, 2008):
● probleemgericht (wat): hanteren van probleem
● emotiegericht (wat): reguleren van negatieve emoties
● toenaderende (hoe): richten op het probleem/emoties
● vermijdende (hoe): nergen van het probleem/emoties
Effectiviteit coping:
● controleerbaarheid -> toenaderende probleemgericht
● onderzochte gevolgen
● tijd
● beoogd doel
niet controleerbaar -> toenaderend emotiegericht
niet effectief lange termijn -> vermijdend
Hulpbronnen:
● Psychologische hulpbronnen: persoonlijkheidseigenschappen
● Praktische hulpbronnen: financiële situatie, goede gezondheid
● Sociale hulpbronnen: sociale steun
, Sociale steun: hulp die iemand geeft aan een ander die voor een probleem staat met het
doel het probleem op te lossen of ten minste de negatieve emoties te verlichten
3 Soorten: emotionele, instrumentele en informationele steun
-> daadwerkelijke steun (openlijk of onzichtbaar) of waargenomen/ervaren steun
● beter emotioneel welzijn
● betere kwaliteit van leven
● betere therapietrouw
● eerder ontslag uit het ziekenhuis
● verlaagde kans op mortaliteit
Common-Sense Model of self-regulation (Leventhal et al., 1980):
interne/externe stimuli -> cognitieve en emotionele illness representatie (eigen kennis,
ervaring sociale cirkel en media) -> coping met illness -> inschatting/gezondheidsuitkomst
ziekte- en behandelpercepties hebben invloed op het ziektegedrag, dat
vervolgens invloed heeft op ziekteverloop
ziekte- en behandelpercepties zijn veranderbaar
Ziekteperceptie: bij confrontatie met een gezondheidsprobleem vormen mensen eigen
ideeën emoties over de klachten/ziekte
Ziektegedrag: ziektepercepties geven richting aan de manier waarop iemand omgaat met de
klachten/ziekte -> resultaten worden geëvalueerd aan de hand van gezondheidsuitkomsten
DC2
Sociologische theorieën van ziekte en zorg
medische sociologie: wetenschappelijke studie van sociale en culturele aspecten van ziekte,
gezondheid en gezondheidszorg (sociaal systeem)
Biomedisch denken: het machtigste (geïnstitutionaliseerd) en het beïnvloedt denken van
professionals en niet-professionals. Ziektes bestaan ook los van de beleving van de patiënt
(reductionisme)
Oerprincipes:
● stelsel van opvatting van de oorzaken van ziekte en aandoeningen (etiologie)
● ziekte bestaat niet zonder pathologisch-anatomisch (micro/macro level onderzoek)
substraat
● universalisme (waarden)
● wetenschappelijke neutraliteit en objectiviteit
Biopsychosociaal model:
● menselijk lichaam als onderdeel sociaal systeem
● relatie mens/omgeving, lichaam/geest
● holisme (allesomvattend)