Strafrecht samenvatting
Casus en vaardigheden
Week 1.1
Literatuur
Kelk & De Jong 2023, hfdst. 8
Poging en voorbereiding
Onvoltooide delictsvormen artt. 45-46b Sr. Pogen kan men zien als streven
zonder te slagen doordat er een verhindering is opgetreden.
Voorwaarden voor een strafbare poging art. 45 lid 1 Sr: Poging tot een misdrijf
is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van
uitvoering heeft geopenbaard.
- Voornemen
- Begin van uitvoering
Er is een onderscheid tussen een voltooide poging en een onvoltooide poging. Bij
een voltooide poging heeft de dader alles gedaan om tot een misdrijf te komen,
maar lukt dit niet. Bij een onvoltooide poging komt de dader er niet aan toe om
alles uit te voeren, bijv. door betrapping tijdens inbreken.
Restricties:
1. Een poging is uitsluitend strafbaar als het om een voorgenomen misdrijf
gaat.
2. Art. 45 Sr kent voor het geval van poging een verlaging van het op het
desbetreffende misdrijf toepasselijke strafmaximum met een derde.
Gevallen waarin poging uitgesloten of problematisch is:
1. Er kan geen strafbare poging plaatsvinden bij een eenvoudige
mishandeling (art. 300 Sr).
2. Er zijn misdrijven die naar hun aard al een poging bevatten zoals het
ondernemen van een aanslag tegen de koning of tegen de staat.
3. Bij misdrijven in de wettelijke omschrijving waarvan een bijkomende
voorwaarde van strafbaarheid is opgenomen. Bijv. het is niet denkbaar dat
iemand een poging doet tot verlenen van hulp bij zelfdoding, omdat de
dood een vereiste is.
4. Omissiedelicten
5. Culpoze misdrijven
6. Formeel omschreven misdrijven
Het vereiste voornemen is een vorm van opzet. In beginsel kan worden volstaan
met voorwaardelijke opzet.
Het begin van uitvoering is moeilijk bepaalbaar. Er zijn twee verschillende
opvattingen.
De subjectieve leer: stelt de gevaarlijke gezindheid van de dader centraal en
beschouwt als uitvoeringshandeling datgene wat als uitvoering van deze
gezindheid is op te vatten.
De objectieve leer: laat pas als uitvoeringshandeling toe datgene wat als
daadwerkelijke uitvoering van het misdrijf zelf en dus als een objectieve inbreuk
op de rechtsorde is te beschouwen.
De HR gebruikt het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm: de indruk die
een goede waarnemer, die de gemiddelde burger geacht wordt te zijn, ter plaatse
zou hebben gekregen omtrent de verwezenlijking van een bepaald misdrijf.
De benadering van de HR = gematigd objectief
,De absoluut ondeugdelijke poging en de relatief ondeugdelijke poging
1. Het object is absoluut ondeugdelijk iemand schiet, maar diegene is al
dood
2. Het middel is absoluut ondeugdelijk iemand doet i.p.v. arsenicum,
poedersuiker in de koffie
3. Het object is relatief ondeugdelijk iemand steekt zijn hand in een lege
winkelkassa
4. Het middel is relatief ondeugdelijk iemand strooit arsenicum in de koffie,
maar gebruikt te weinig
Poging tot deelneming
Deelneming aan strafbare poging = in geval er wel een begin van uitvoering is,
maar geen voltooiing van het misdrijf volgt.
Deelneming aan strafbare voorbereiding = in geval er geen begin van uitvoering
is, maar wel sprake is van een voorbereidingshandeling die voldoet aan de
voorwaarden van art. 46 Sr.
Beide vormen zijn strafbaar op grond van art. 78 Sr.
De algemene strafbaarstelling van individuele voorbereidingshandeling art. 46
Sr
1. Het aantal gevallen is beperkt: het moet gaan om grondmisdrijven waarop
acht jaar of langer gevangenisstraf is gesteld. De voorbereiding heeft een
accessoir karakter: het moet steeds gaan om de voorbereiding van een
bepaald misdrijf met een wettelijke strafbedreiging van acht jaar of langer.
2. Er moet een voorbereidingsmiddel aanwezig zijn: voorwerpen, stoffen,
informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen.
3. De voorbereidingsmiddelen moeten bestemd zijn tot het begaan van het
voorbereide misdrijf.
4. Het moet gaan om het opzettelijk verwerven, vervaardigen, in-. door- of
uitvoeren of voorhanden hebben van een of meer van de
voorbereidingsmiddelen.
5. Er moet intentie zijn, dat het opzet van de dader is gericht, niet alleen op
de voorbereidingshandeling, maar eveneens op het grondmisdrijf waartoe
de voorbereidingshandeling heeft gestrekt.
De vrijwillige terugtred (art. 46b Sr)
Is uitsluitend relevant als aan de ene kant de voorbereidings- of
uitvoeringsfase is aangevangen en aan de andere kant het misdrijf nog kan
worden voltooid.
Voldoende voor vrijwillige terugtred is dat de dader op grond van zijn autonome
wil heeft medegewerkt aan de niet voltooiing van het misdrijf: er kan dus ook van
een combinatie van factoren sprake zijn, die tot straffeloosheid leidt. De externe
factoren (wilsonafhankelijk) mogen niet de overhand nemen.
M.M.M. Kooij, Evaluatie art. 11a Opiumwet: doeltreffend instrument in
de bestrijding van illegale hennepteelt?, TPWS 2019 (32), p. 10-17
(reader)
Art. 11a Opw stelt de verkoop, het aanbieden, afleveren, vervoeren, vervaardigen
en voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen strafbaar waarvan de persoon
weet (opzet) of ernstige reden heeft te vermoeden (culpa) dat de
stoffen/voorwerpen bestemd zijn tot het plegen van de in art. 11 lid 3 of 5 Opw
strafbaar gestelde feiten.
,Voor de vaststelling van beroeps- of bedrijfsmatige (hierna: professionele) teelt,
biedt de Aanwijzing Opiumwet aanknopingspunten. De volgende factoren spelen
een rol:17
– De schaalgrootte van de teelt: bij een hoeveelheid van 5 hennepplanten of
minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps-
of bedrijfsmatig handelen.
– De mate van professionaliteit: indien wordt voldaan aan twee of meer
indicatoren van bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet, wordt in beginsel
aangenomen dat er sprake is van een beroeps- of bedrijfsmatige
hennepteelt.18 Indicatoren zijn kunstlicht op tijdklokken, afgeschermde
ruimtes (tenten, kassen), afzuiging naar buiten, steenwol/mapito als
bodem- en thermostaatregeling. De lijst met indicatoren is niet limitatief.
Het aantal hennepplanten is hierbij onbelangrijk.
– Het doel van de teelt: indien sprake is van teelt om geldelijk gewin te
verkrijgen, is er sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het aantal
hennepplanten is ook hierbij onbelangrijk.
Rechtspraak
HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494 (Inbeslaggenomen heroïne)
De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of
vierde lid van art. 10 van de Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet
dus als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat
delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of
bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van
art. 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wèl
gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete
vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de
voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat
concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden
omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die
handelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter. Dat geldt ook als met die
voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt nadat die
verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan, zoals hier de
inbeslagneming van de door het Hof bedoelde heroïne.
HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3566 (Poging hennepteelt)
Er is pas sprake van een strafbare poging als een (samenstel van) gedraging(en)
naar zijn(/hun) uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te
zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Als de politie dus een woning
binnenvalt, en daar een hennepkwekerij in opbouw aantreft, zonder de
aanwezigheid van planten, kan dit geen poging tot het kweken van hennep
opleveren.
HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328 (Bestemd tot)
In een arrest van 13 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:328) oordeelde de Hoge Raad
dat voor een bewezenverklaring van “strafbare voorbereiding” (onder
omstandigheden een zelfstandig strafbaar feit) noodzakelijk is dat een
verdachte wist dat de onder hem aangetroffen goederen daadwerkelijk
bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. De Hoge Raad
oordeelde anders. Voor veroordeling van strafbare voorbereiding van ongeacht
welk strafbaar feit is een “criminele intentie” vereist. Dit veronderstelt dat de
verdacht “wist” of “ernstige reden had te vermoeden” dat de goederen bestemd
waren voor het plegen van strafbare feiten.
De Hoge Raad benadrukt dat het niet ondenkbaar is dat het volledig inrichten
van een kweekruimte voor hennep strafbare voorbereiding kan opleveren, maar
, niet zonder nader bewijs van de “misdadige intentie” van de verdachte. Het is
dus onvoldoende dat bepaalde goederen, of een bepaalde situatie naar hun/zijn
uiterlijke verschijningsvormen kennelijk wel bedoeld zullen zijn om zekere
strafbare feiten te plegen.
HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479 (Poging invoer cocaïne)
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen
worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.
Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn
gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf (vgl. HR 24 oktober 1978,
ECLI:NL:HR:1978:AC6373). De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich
niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de
concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet
worden gegeven.
Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde
gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in
tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook
afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd.
Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip
van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn,
maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl.
HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388.)
Het hof heeft geoordeeld dat op het moment van het onderscheppen van de
lading van de vrachtwagen al sprake was van een strafbare poging om de partij
cocaïne in te voeren in Nederland, en heeft daaraan in de kern ten grondslag
gelegd dat de verdachte en medeverdachten op de Dominicaanse Republiek
contacten hebben gelegd en onderhouden ten behoeve van de levering van de
cocaïne, dat een deklading is besteld bij een bedrijf dat onder de invloedssfeer
van het samenwerkingsverband viel en dat deze deklading al was betaald en
klaarstond in de haven van Caucedo, zodat de cocaïne daarin kon worden
verstopt. Het oordeel dat sprake is van een strafbare poging tot het binnen het
grondgebied brengen van cocaïne in Nederland is niet zonder meer begrijpelijk,
nu van de door het hof bewezenverklaarde – en ook de overige door het hof
vastgestelde – gedragingen niet kan worden gezegd dat deze zodanig dicht in tijd
en plaats bij de voltooiing van de invoer in Nederland van cocaïne lagen en al
zodanig concreet daarop waren gericht dat sprake is van een begin van
uitvoering van dat misdrijf.
Casus en vaardigheden
Week 1.1
Literatuur
Kelk & De Jong 2023, hfdst. 8
Poging en voorbereiding
Onvoltooide delictsvormen artt. 45-46b Sr. Pogen kan men zien als streven
zonder te slagen doordat er een verhindering is opgetreden.
Voorwaarden voor een strafbare poging art. 45 lid 1 Sr: Poging tot een misdrijf
is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van
uitvoering heeft geopenbaard.
- Voornemen
- Begin van uitvoering
Er is een onderscheid tussen een voltooide poging en een onvoltooide poging. Bij
een voltooide poging heeft de dader alles gedaan om tot een misdrijf te komen,
maar lukt dit niet. Bij een onvoltooide poging komt de dader er niet aan toe om
alles uit te voeren, bijv. door betrapping tijdens inbreken.
Restricties:
1. Een poging is uitsluitend strafbaar als het om een voorgenomen misdrijf
gaat.
2. Art. 45 Sr kent voor het geval van poging een verlaging van het op het
desbetreffende misdrijf toepasselijke strafmaximum met een derde.
Gevallen waarin poging uitgesloten of problematisch is:
1. Er kan geen strafbare poging plaatsvinden bij een eenvoudige
mishandeling (art. 300 Sr).
2. Er zijn misdrijven die naar hun aard al een poging bevatten zoals het
ondernemen van een aanslag tegen de koning of tegen de staat.
3. Bij misdrijven in de wettelijke omschrijving waarvan een bijkomende
voorwaarde van strafbaarheid is opgenomen. Bijv. het is niet denkbaar dat
iemand een poging doet tot verlenen van hulp bij zelfdoding, omdat de
dood een vereiste is.
4. Omissiedelicten
5. Culpoze misdrijven
6. Formeel omschreven misdrijven
Het vereiste voornemen is een vorm van opzet. In beginsel kan worden volstaan
met voorwaardelijke opzet.
Het begin van uitvoering is moeilijk bepaalbaar. Er zijn twee verschillende
opvattingen.
De subjectieve leer: stelt de gevaarlijke gezindheid van de dader centraal en
beschouwt als uitvoeringshandeling datgene wat als uitvoering van deze
gezindheid is op te vatten.
De objectieve leer: laat pas als uitvoeringshandeling toe datgene wat als
daadwerkelijke uitvoering van het misdrijf zelf en dus als een objectieve inbreuk
op de rechtsorde is te beschouwen.
De HR gebruikt het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm: de indruk die
een goede waarnemer, die de gemiddelde burger geacht wordt te zijn, ter plaatse
zou hebben gekregen omtrent de verwezenlijking van een bepaald misdrijf.
De benadering van de HR = gematigd objectief
,De absoluut ondeugdelijke poging en de relatief ondeugdelijke poging
1. Het object is absoluut ondeugdelijk iemand schiet, maar diegene is al
dood
2. Het middel is absoluut ondeugdelijk iemand doet i.p.v. arsenicum,
poedersuiker in de koffie
3. Het object is relatief ondeugdelijk iemand steekt zijn hand in een lege
winkelkassa
4. Het middel is relatief ondeugdelijk iemand strooit arsenicum in de koffie,
maar gebruikt te weinig
Poging tot deelneming
Deelneming aan strafbare poging = in geval er wel een begin van uitvoering is,
maar geen voltooiing van het misdrijf volgt.
Deelneming aan strafbare voorbereiding = in geval er geen begin van uitvoering
is, maar wel sprake is van een voorbereidingshandeling die voldoet aan de
voorwaarden van art. 46 Sr.
Beide vormen zijn strafbaar op grond van art. 78 Sr.
De algemene strafbaarstelling van individuele voorbereidingshandeling art. 46
Sr
1. Het aantal gevallen is beperkt: het moet gaan om grondmisdrijven waarop
acht jaar of langer gevangenisstraf is gesteld. De voorbereiding heeft een
accessoir karakter: het moet steeds gaan om de voorbereiding van een
bepaald misdrijf met een wettelijke strafbedreiging van acht jaar of langer.
2. Er moet een voorbereidingsmiddel aanwezig zijn: voorwerpen, stoffen,
informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen.
3. De voorbereidingsmiddelen moeten bestemd zijn tot het begaan van het
voorbereide misdrijf.
4. Het moet gaan om het opzettelijk verwerven, vervaardigen, in-. door- of
uitvoeren of voorhanden hebben van een of meer van de
voorbereidingsmiddelen.
5. Er moet intentie zijn, dat het opzet van de dader is gericht, niet alleen op
de voorbereidingshandeling, maar eveneens op het grondmisdrijf waartoe
de voorbereidingshandeling heeft gestrekt.
De vrijwillige terugtred (art. 46b Sr)
Is uitsluitend relevant als aan de ene kant de voorbereidings- of
uitvoeringsfase is aangevangen en aan de andere kant het misdrijf nog kan
worden voltooid.
Voldoende voor vrijwillige terugtred is dat de dader op grond van zijn autonome
wil heeft medegewerkt aan de niet voltooiing van het misdrijf: er kan dus ook van
een combinatie van factoren sprake zijn, die tot straffeloosheid leidt. De externe
factoren (wilsonafhankelijk) mogen niet de overhand nemen.
M.M.M. Kooij, Evaluatie art. 11a Opiumwet: doeltreffend instrument in
de bestrijding van illegale hennepteelt?, TPWS 2019 (32), p. 10-17
(reader)
Art. 11a Opw stelt de verkoop, het aanbieden, afleveren, vervoeren, vervaardigen
en voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen strafbaar waarvan de persoon
weet (opzet) of ernstige reden heeft te vermoeden (culpa) dat de
stoffen/voorwerpen bestemd zijn tot het plegen van de in art. 11 lid 3 of 5 Opw
strafbaar gestelde feiten.
,Voor de vaststelling van beroeps- of bedrijfsmatige (hierna: professionele) teelt,
biedt de Aanwijzing Opiumwet aanknopingspunten. De volgende factoren spelen
een rol:17
– De schaalgrootte van de teelt: bij een hoeveelheid van 5 hennepplanten of
minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps-
of bedrijfsmatig handelen.
– De mate van professionaliteit: indien wordt voldaan aan twee of meer
indicatoren van bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet, wordt in beginsel
aangenomen dat er sprake is van een beroeps- of bedrijfsmatige
hennepteelt.18 Indicatoren zijn kunstlicht op tijdklokken, afgeschermde
ruimtes (tenten, kassen), afzuiging naar buiten, steenwol/mapito als
bodem- en thermostaatregeling. De lijst met indicatoren is niet limitatief.
Het aantal hennepplanten is hierbij onbelangrijk.
– Het doel van de teelt: indien sprake is van teelt om geldelijk gewin te
verkrijgen, is er sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het aantal
hennepplanten is ook hierbij onbelangrijk.
Rechtspraak
HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494 (Inbeslaggenomen heroïne)
De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of
vierde lid van art. 10 van de Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet
dus als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat
delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of
bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van
art. 10) deze dienen. Indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wèl
gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete
vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele feit dat de
voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat
concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden
omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die
handelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter. Dat geldt ook als met die
voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt nadat die
verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan, zoals hier de
inbeslagneming van de door het Hof bedoelde heroïne.
HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3566 (Poging hennepteelt)
Er is pas sprake van een strafbare poging als een (samenstel van) gedraging(en)
naar zijn(/hun) uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te
zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Als de politie dus een woning
binnenvalt, en daar een hennepkwekerij in opbouw aantreft, zonder de
aanwezigheid van planten, kan dit geen poging tot het kweken van hennep
opleveren.
HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328 (Bestemd tot)
In een arrest van 13 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:328) oordeelde de Hoge Raad
dat voor een bewezenverklaring van “strafbare voorbereiding” (onder
omstandigheden een zelfstandig strafbaar feit) noodzakelijk is dat een
verdachte wist dat de onder hem aangetroffen goederen daadwerkelijk
bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. De Hoge Raad
oordeelde anders. Voor veroordeling van strafbare voorbereiding van ongeacht
welk strafbaar feit is een “criminele intentie” vereist. Dit veronderstelt dat de
verdacht “wist” of “ernstige reden had te vermoeden” dat de goederen bestemd
waren voor het plegen van strafbare feiten.
De Hoge Raad benadrukt dat het niet ondenkbaar is dat het volledig inrichten
van een kweekruimte voor hennep strafbare voorbereiding kan opleveren, maar
, niet zonder nader bewijs van de “misdadige intentie” van de verdachte. Het is
dus onvoldoende dat bepaalde goederen, of een bepaalde situatie naar hun/zijn
uiterlijke verschijningsvormen kennelijk wel bedoeld zullen zijn om zekere
strafbare feiten te plegen.
HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479 (Poging invoer cocaïne)
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen
worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.
Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn
gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf (vgl. HR 24 oktober 1978,
ECLI:NL:HR:1978:AC6373). De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich
niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de
concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet
worden gegeven.
Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde
gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in
tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook
afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd.
Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip
van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn,
maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl.
HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388.)
Het hof heeft geoordeeld dat op het moment van het onderscheppen van de
lading van de vrachtwagen al sprake was van een strafbare poging om de partij
cocaïne in te voeren in Nederland, en heeft daaraan in de kern ten grondslag
gelegd dat de verdachte en medeverdachten op de Dominicaanse Republiek
contacten hebben gelegd en onderhouden ten behoeve van de levering van de
cocaïne, dat een deklading is besteld bij een bedrijf dat onder de invloedssfeer
van het samenwerkingsverband viel en dat deze deklading al was betaald en
klaarstond in de haven van Caucedo, zodat de cocaïne daarin kon worden
verstopt. Het oordeel dat sprake is van een strafbare poging tot het binnen het
grondgebied brengen van cocaïne in Nederland is niet zonder meer begrijpelijk,
nu van de door het hof bewezenverklaarde – en ook de overige door het hof
vastgestelde – gedragingen niet kan worden gezegd dat deze zodanig dicht in tijd
en plaats bij de voltooiing van de invoer in Nederland van cocaïne lagen en al
zodanig concreet daarop waren gericht dat sprake is van een begin van
uitvoering van dat misdrijf.