Belangrijkste bouwstenen:
• Koolhydraten
• Lipiden
• Eiwitten
• Nucleïnezuren
Koolhydraten
• Koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O)
• Energiebron, glucose wordt gebruikt om ATP (energie) te maken
Soorten koolhydraten
• Monosachariden (enkelvoudige suikers)
Kleinste koolhydraten
Glucose, fructose, galactose
• Disachariden (twee suikers)
Bestaan uit twee monosachariden
Sacharose (glucose+fructose), lactose, maltose
• Polysachariden (lange ketens)
Veel monosachariden aan elkaar
Zetmeel, glycogeen, cellulose
Koolhydraten = biomoleculen van C, H en O
Belangrijk voor energie, opslag en structuur
Drie hoofdgroepen: mono-, di- en polysachariden
,Lipiden
• Koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O)
• Vetten en oliën, lossen niet op in water (hydrofoob)
Functies
• Energieopslag, opgeslagen in vetweefsel
• Fosfolipiden vormen de celmembraan
• Dubbele laag (lipide laag)
• Bescherming van organen en warmte-isolatie
• Sommige lipiden, zoals cholesterol, zijn belangrijk voor productie van hormonen
Soorten lipiden
• Triglyceriden (vetten en oliën)
Bestaan uit glycerol + 3 vetzuren
Belangrijk voor energieopslag
• Fosfolipiden
Bestaan uit glycerol + 2 vetzuren + fosfaatgroep
Vetzuurstaarten: hydrofoob
Fosfaatgroep + groep die eraan vastzit: hydrofiele kopgroep
Fosfolipiden groeperen zich in dubbele laag
Bolvorm
Belangrijk voor celmembranen
• Steroïden (cholesterol en cortisol)
Belangrijk voor hormonen en celmembranen
Lipiden = vetachtige biomoleculen
Bestaan uit C, H, O
Functies: energieopslag, celmembranen, bescherming, hormonen
Voorbeelden: triglyceriden, fosfolipiden, steroïden
Verzadigde vetten hebben alleen enkele bindingen en zijn vaak vast.
Onverzadigde vetten hebben dubbele bindingen, een knik in de keten en zijn meestal
vloeibaar
, Eiwitten (proteïnen)
• Koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O), stikstof (N)
• Bestaan uit aminozuren
Functies
• Bouwstof voor cellen en weefsels
• Enzymen die chemische reacties versnellen
• Transport van stoffen bijvoorbeeld hemoglobine
• Afweer in het immuunsysteem
Opbouw
• Eiwitten zijn lange ketens van aminozuren
• Aminozuren zijn met elkaar verbonden door peptidebindingen
• Basisstructuur: aminogroep (NH2-), koolstofatoom waar een variabele groep aan
zit (CH-R), carboxylgroep (-COOH)
• R-groep is verschillend voor elk aminozuur
• Ongeveer 28 verschillende restgroepen, dus 28 verschillende aminozuren. 22
daarvan worden gebruikt bij de opbouw van de eiwitten.
• Essentieel aminozuur: aminozuren die je lichaam niet zelf kan maken
• Denaturatie: proces waarbij de structuur van een eiwit verandert, waardoor het
eiwit zijn oorspronkelijke vorm en functie verliest
• Dipeptide: bestaat uit 2 aminozuren
• Tripeptide: bestaat uit 3 aminozuren, bevat twee peptidebindingen
• Polypeptide: bestaat uit veel aminozuren (meestal 10) in een lange keten, wordt
gevormd door veel peptidebindingen
Een eiwit bestaat meestal uit een of meerdere polypeptideketens