WEEK 1 .
Didier Bigo (2002) – Security and Immigration: Toward a Critique of the Governmentality of
Unease
In Security and Immigration: Toward a Critique of the Governmentality of Unease analyseert Didier
Bigo hoe migratie in West-Europese samenlevingen structureel is geherdefinieerd als een
veiligheidsprobleem. Hij laat zien dat deze ontwikkeling niet voortkomt uit een objectieve toename
van criminaliteit of dreiging, maar uit politieke en bureaucratische processen waarin migratie wordt
geframed als bron van onveiligheid. Daarmee verbindt Bigo thema’s als grenzen, securitisering en
macht direct aan criminologische vraagstukken.
Grenzen als sociale en politieke constructies
Bigo benadert grenzen niet als louter geografische of juridische lijnen, maar als sociaal-politieke
constructies. Grenzen ontstaan binnen een specifiek staatsdenken waarin de staat wordt voorgesteld
als een lichaam of container met een homogene bevolking. In deze metafoor functioneren grenzen als
een beschermende huid. Migratie wordt daardoor niet neutraal waargenomen, maar geïnterpreteerd als
een binnendringen van iets vreemds dat de interne orde en identiteit van de staat zou bedreigen.
Grenzen komen zo tot stand door taal, symboliek en politieke verbeelding, niet alleen door wetgeving
of verdragen.
Politieke framing en de rol van de staat
De manier waarop grenzen functioneren wordt sterk beïnvloed door politieke actoren. Politici
gebruiken migratie als een bestuurlijk probleem dat eenvoudig te mobiliseren is in het publieke debat.
Complexe structurele vraagstukken – zoals werkloosheid, stedelijke segregatie en onzekerheid door
globalisering – worden herleid tot migratie. Hierdoor kan migratie fungeren als zondebok en als
middel om gezag te legitimeren. Volgens Bigo geloven politici bovendien zelf in de mythes die zij
verspreiden: het idee van een bedreigde natiestaat structureert hun denken en handelen, zelfs wanneer
zij rationeel weten dat volledige grenscontrole onmogelijk is.
De securitisering van migratie
Deze politieke framing leidt tot wat Bigo aanduidt als de securitisering van migratie. Migratie wordt
niet langer behandeld als sociaal of economisch vraagstuk, maar als onderdeel van een breder
veiligheidscontinuüm waarin criminaliteit, terrorisme, sociale onrust en culturele dreiging met elkaar
worden verbonden. Hierdoor vervaagt het onderscheid tussen interne en externe veiligheid. Migranten
worden tegelijk gezien als een bedreiging van buitenaf én als een interne vijand binnen de
samenleving. Ook in Nederland is deze logica zichtbaar, bijvoorbeeld in discussies waarin migratie
wordt gekoppeld aan ondermijning, overlast of radicalisering.
Security professionals als managers of unease
Een centraal element in Bigo’s analyse is de rol van security professionals. Hieronder vallen politie,
grensbewaking, inlichtingendiensten, douane, militaire actoren en private veiligheidsbedrijven. Samen
vormen zij een transnationaal professioneel veld dat zich bezighoudt met het managen van
maatschappelijke onrust. Deze actoren beschikken over specifieke kennis, technologieën en routines –
zoals risicoprofilering, databanken en surveillance – waarmee zij bepalen wat als dreiging geldt. Hun
claims hoeven zelden empirisch bewezen te worden; hun expertise en technologische middelen
fungeren als bron van legitimiteit.
Habitus, institutionele logica en migratie als shibboleth
Bigo gebruikt het begrip habitus (Bourdieu) om te verklaren waarom security professionals ondanks
,onderlinge concurrentie vergelijkbaar denken en handelen. Binnen dit gedeelde denkkader wordt
migratie een ideaal object van securitisering: vaag, flexibel en permanent beschikbaar als dreiging. De
term “immigrant” fungeert als een shibboleth, een leeg maar krachtig label dat uiteenlopende angsten
kan bundelen, variërend van criminaliteit en terrorisme tot druk op de verzorgingsstaat en culturele
verandering.
Van panopticon naar ban-opticon
Een belangrijk theoretisch concept dat Bigo introduceert is het ban-opticon. In tegenstelling tot het
klassieke panopticon, waarin iedereen potentieel wordt gecontroleerd, richt het ban-opticon zich op
selectieve surveillance van specifieke risicogroepen. Op basis van profielkenmerken worden bepaalde
groepen – met name migranten – structureel zichtbaar gemaakt en gecontroleerd, terwijl anderen
grotendeels buiten toezicht blijven. Voor criminologen is dit concept cruciaal omdat het laat zien hoe
uitsluiting en straf plaatsvinden buiten het traditionele strafrecht, via administratieve en preventieve
mechanismen.
Humanitair discours en securitisering
Opvallend is Bigo’s stelling dat ook humanitaire discoursen onderdeel kunnen zijn van het
securitisatieproces. Door onderscheid te maken tussen “echte” vluchtelingen en “illegale” migranten
legitimeren humanitaire argumenten vaak alsnog grenscontrole en uitsluiting. Humanitaire en
repressieve benaderingen zijn daarmee geen tegenpolen, maar functioneren binnen hetzelfde
bestuurlijke programma dat migratie als probleem definieert.
Grenzen, migratie en criminologische relevantie
Voor criminologen zijn grenzen en hun totstandkoming van groot belang omdat zij inzicht geven in de
manier waarop criminaliteit, afwijking en risico worden geconstrueerd. Bigo laat zien dat migranten
fungeren als dragers van wat hij de “social distribution of bad” noemt: maatschappelijke angsten en
mislukkingen worden op hen geprojecteerd. Dit leidt tot beleidsmaatregelen die gericht zijn op
controle en uitsluiting, in plaats van op structurele oorzaken van sociale problemen.
Border criminologie en criminology of mobility
Bigo’s analyse sluit nauw aan bij Border Criminology, die onderzoekt hoe grenshandhaving, detentie
en uitsluiting samenhangen met straf en mensenrechten, en bij de Criminology of Mobility, die kijkt
naar hoe beweging en circulatie van mensen worden geproblematiseerd. Zijn werk onderstreept het
belang van meerdere stemmen binnen deze disciplines, waaronder die van migranten zelf. Zonder
deze pluraliteit loopt de criminologie het risico zelf onderdeel te worden van het securitisatieproces
dat zij kritisch wil analyseren.
Bigo laat zien dat grenzen geen neutrale feiten zijn, maar het resultaat van politieke keuzes,
professionele belangen en discursieve constructies. De securitisering van migratie vormt een
bestuursvorm die onrust produceert en beheert, eerder dan veiligheid te garanderen. Voor
criminologen is het analyseren van deze processen essentieel om te begrijpen hoe veiligheid,
criminaliteit en uitsluiting in een gemobiliseerde en geglobaliseerde samenleving worden
vormgegeven.
Katja Franko – The Crimmigrant Other: Migration and Penal Power
In The Crimmigrant Other analyseert Katja Franko hoe migranten in hedendaagse samenlevingen
steeds vaker worden geconstrueerd als criminele anderen: niet primair als mensen in nood of
economische actoren, maar als regelbrekers en veiligheidsrisico’s. Centraal staat het begrip
‘crimmigrant other’, waarmee Franko de figuur aanduidt die ontstaat op het snijvlak van
,migratierecht en strafrecht. Het boek laat zien dat deze ontwikkeling fundamenteel is voor het
begrijpen van hedendaagse grenzen, straf en uitsluiting, en raakt aan kernvragen over lidmaatschap,
ongelijkheid en macht.
Crimmigration en de verschuiving van lidmaatschap
Franko bouwt voort op het concept crimmigration, geïntroduceerd door Juliet Stumpf, dat verwijst
naar de toenemende vervlechting van migratierecht en strafrecht. Waar deze literatuur zich vaak richt
op juridische convergentie, verlegt Franko de aandacht naar de subjecten van deze macht. De
crimmigrant other is niet zomaar iemand die zowel migrant als crimineel is, maar iemand wiens
aanwezigheid in de samenleving wordt geïnterpreteerd als moreel en sociaal problematisch.
Hierdoor verschuift de kernvraag van “wat heeft iemand gedaan?” naar “wie hoort erbij?”.
Deze verschuiving maakt duidelijk dat grenzen niet alleen territoriaal zijn, maar ook sociaal en
normatief. Lidmaatschap van de samenleving wordt steeds meer voorwaardelijk en precair, vooral
voor niet-burgers en geracialiseerde groepen.
Grenzen als morele en sociale scheidslijnen
Franko laat zien dat grenzen functioneren als morele scheidslijnen die bepalen wie als ‘goed’ of
‘slecht’, ‘onschuldig’ of ‘gevaarlijk’ wordt gezien. De crimmigrant other belichaamt een figuur van
gerechtvaardigde uitsluiting: iemand die kan worden opgesloten, uitgezet of uitgesloten zonder dat
dit als moreel problematisch wordt ervaren. Grenzen komen zo tot stand door een combinatie van
wetgeving, strafpraktijken en morele oordelen, en worden voortdurend herbevestigd via penal power.
Voor criminologen is dit belangrijk omdat het laat zien dat straf niet alleen reageert op criminaliteit,
maar ook actief grenzen van burgerschap produceert.
Penal power en ‘bordered penality’
Een kernbegrip in Franko’s analyse is bordered penality. Hiermee beschrijft zij een vorm van straf
die specifiek gericht is op niet-burgers en waarin uitsluiting centraal staat. In tegenstelling tot
klassieke penale systemen, die (ten minste normatief) gericht zijn op resocialisatie, is bordered
penality primair gericht op verwijdering en buitensluiting. De crimmigrant other is niet iemand die
moet worden verbeterd, maar iemand die moet worden uitgesloten.
Deze ontwikkeling markeert een verschuiving van straf als discipline naar straf als selectieve
uitsluiting, waarbij verblijfsstatus een cruciale rol speelt.
Van panopticon naar ban-opticon
Net als Didier Bigo benadrukt Franko dat deze ontwikkeling samengaat met een verschuiving van het
klassieke panopticon naar wat zij, in navolging van Bigo, aanduidt als het ban-opticon. In plaats van
universele surveillance richt de controle zich op specifieke groepen die als risicovol worden
aangemerkt. De crimmigrant other wordt hierdoor structureel zichtbaar gemaakt als object van
toezicht, terwijl burgers grotendeels buiten beeld blijven.
Deze selectieve controle laat zien hoe grenzen steeds minder vastliggen aan de rand van het
territorium en steeds meer door de samenleving heen lopen.
Humanitarisme, straf en morele ambiguïteit
Franko benadrukt dat hedendaagse grenspraktijken vaak worden gelegitimeerd door een combinatie
van humanitaire en strafrechtelijke discoursen. Migranten worden tegelijkertijd gepresenteerd als
slachtoffers die bescherming verdienen en als potentiële bedreigingen die moeten worden
, gecontroleerd. Deze morele ambiguïteit maakt harde maatregelen mogelijk zonder dat staten hun
zelfbeeld als humaan hoeven op te geven.
Het onderscheid tussen ‘goede’ en ‘slechte’ migranten speelt hierin een centrale rol. De crimmigrant
other fungeert als morele grensfiguur die het mogelijk maakt compassie te tonen voor sommigen,
terwijl anderen worden uitgesloten of gedeporteerd.
Sociale ongelijkheid en globale machtsverhoudingen
Hoewel straf en migratie centraal staan, benadrukt Franko dat het boek bovenal gaat over sociale
ongelijkheid. De productie van de crimmigrant other is nauw verbonden met mondiale ongelijkheden
tussen Noord en Zuid, koloniale erfenissen en racialisering. Penal power aan de grens fungeert als een
mechanisme om de geprivilegieerde positie van burgerschap in het mondiale Noorden te
beschermen.
Hiermee laat Franko zien dat grenzen niet alleen nationale, maar ook globale machtsverhoudingen
weerspiegelen en bestendigen.
Relevantie voor criminologie
Voor criminologen is de analyse van Franko bijzonder relevant omdat zij laat zien hoe straf, migratie
en grenscontrole samenkomen in nieuwe vormen van uitsluiting. Criminaliteit wordt niet alleen
bestraft, maar voorondersteld op basis van status en afkomst. Dit daagt klassieke criminologische
aannames uit over schuld, proportionaliteit en gelijkheid voor de wet.
Daarnaast onderstreept Franko het belang van kritische benaderingen zoals Border Criminology en
de Criminology of Mobility, die aandacht hebben voor beweging, grenspraktijken en de stemmen
van gemarginaliseerde groepen. Zonder deze perspectieven loopt de criminologie het risico bij te
dragen aan de normalisering van uitsluiting.
Franko concludeert dat de crimmigrant other een krachtige metanarratieve figuur is geworden die
straf, migratie en moraal met elkaar verbindt. Via deze figuur worden grenzen bewaakt, burgerschap
gedefinieerd en ongelijkheid gelegitimeerd. De inzet van penal power aan de grens gaat daarmee niet
alleen over veiligheid of criminaliteit, maar over de fundamentele vraag wie mag behoren tot de
politieke gemeenschap.
Pickering, Bosworth & Franko Aas (2015) – “The Criminology of Mobility” uit The Routledge
Handbook on Crime and International Migration,
Het hoofdstuk The Criminology of Mobility betoogt dat criminologie fundamenteel moet herdenken
hoe zij criminaliteit, straf en sociale controle analyseert in een wereld die wordt gekenmerkt door
intensieve mondiale mobiliteit. De auteurs stellen dat migratiecontrole niet langer een
randverschijnsel is, maar verweven is geraakt met criminaliteitsbestrijding. De controle van
mobiliteit functioneert steeds meer als een centrale vorm van sociale ordehandhaving, gericht op
niet-burgers en andere gemarginaliseerde groepen.
Grenzen en de herdefiniëring van sociale orde
De auteurs benadrukken dat grenzen niet uitsluitend territoriale lijnen zijn, maar mechanismen die
sociale orde, lidmaatschap en uitsluiting structureren. Hoe samenlevingen omgaan met
wetsovertreders, slachtoffers en ‘vreemden’ zegt iets over hun morele grenzen en ideeën over
solidariteit. In een context van globalisering zijn deze grenzen steeds instabieler geworden, waardoor
staten nieuwe vormen van controle ontwikkelen die zich zowel aan als binnen de grens afspelen.
Didier Bigo (2002) – Security and Immigration: Toward a Critique of the Governmentality of
Unease
In Security and Immigration: Toward a Critique of the Governmentality of Unease analyseert Didier
Bigo hoe migratie in West-Europese samenlevingen structureel is geherdefinieerd als een
veiligheidsprobleem. Hij laat zien dat deze ontwikkeling niet voortkomt uit een objectieve toename
van criminaliteit of dreiging, maar uit politieke en bureaucratische processen waarin migratie wordt
geframed als bron van onveiligheid. Daarmee verbindt Bigo thema’s als grenzen, securitisering en
macht direct aan criminologische vraagstukken.
Grenzen als sociale en politieke constructies
Bigo benadert grenzen niet als louter geografische of juridische lijnen, maar als sociaal-politieke
constructies. Grenzen ontstaan binnen een specifiek staatsdenken waarin de staat wordt voorgesteld
als een lichaam of container met een homogene bevolking. In deze metafoor functioneren grenzen als
een beschermende huid. Migratie wordt daardoor niet neutraal waargenomen, maar geïnterpreteerd als
een binnendringen van iets vreemds dat de interne orde en identiteit van de staat zou bedreigen.
Grenzen komen zo tot stand door taal, symboliek en politieke verbeelding, niet alleen door wetgeving
of verdragen.
Politieke framing en de rol van de staat
De manier waarop grenzen functioneren wordt sterk beïnvloed door politieke actoren. Politici
gebruiken migratie als een bestuurlijk probleem dat eenvoudig te mobiliseren is in het publieke debat.
Complexe structurele vraagstukken – zoals werkloosheid, stedelijke segregatie en onzekerheid door
globalisering – worden herleid tot migratie. Hierdoor kan migratie fungeren als zondebok en als
middel om gezag te legitimeren. Volgens Bigo geloven politici bovendien zelf in de mythes die zij
verspreiden: het idee van een bedreigde natiestaat structureert hun denken en handelen, zelfs wanneer
zij rationeel weten dat volledige grenscontrole onmogelijk is.
De securitisering van migratie
Deze politieke framing leidt tot wat Bigo aanduidt als de securitisering van migratie. Migratie wordt
niet langer behandeld als sociaal of economisch vraagstuk, maar als onderdeel van een breder
veiligheidscontinuüm waarin criminaliteit, terrorisme, sociale onrust en culturele dreiging met elkaar
worden verbonden. Hierdoor vervaagt het onderscheid tussen interne en externe veiligheid. Migranten
worden tegelijk gezien als een bedreiging van buitenaf én als een interne vijand binnen de
samenleving. Ook in Nederland is deze logica zichtbaar, bijvoorbeeld in discussies waarin migratie
wordt gekoppeld aan ondermijning, overlast of radicalisering.
Security professionals als managers of unease
Een centraal element in Bigo’s analyse is de rol van security professionals. Hieronder vallen politie,
grensbewaking, inlichtingendiensten, douane, militaire actoren en private veiligheidsbedrijven. Samen
vormen zij een transnationaal professioneel veld dat zich bezighoudt met het managen van
maatschappelijke onrust. Deze actoren beschikken over specifieke kennis, technologieën en routines –
zoals risicoprofilering, databanken en surveillance – waarmee zij bepalen wat als dreiging geldt. Hun
claims hoeven zelden empirisch bewezen te worden; hun expertise en technologische middelen
fungeren als bron van legitimiteit.
Habitus, institutionele logica en migratie als shibboleth
Bigo gebruikt het begrip habitus (Bourdieu) om te verklaren waarom security professionals ondanks
,onderlinge concurrentie vergelijkbaar denken en handelen. Binnen dit gedeelde denkkader wordt
migratie een ideaal object van securitisering: vaag, flexibel en permanent beschikbaar als dreiging. De
term “immigrant” fungeert als een shibboleth, een leeg maar krachtig label dat uiteenlopende angsten
kan bundelen, variërend van criminaliteit en terrorisme tot druk op de verzorgingsstaat en culturele
verandering.
Van panopticon naar ban-opticon
Een belangrijk theoretisch concept dat Bigo introduceert is het ban-opticon. In tegenstelling tot het
klassieke panopticon, waarin iedereen potentieel wordt gecontroleerd, richt het ban-opticon zich op
selectieve surveillance van specifieke risicogroepen. Op basis van profielkenmerken worden bepaalde
groepen – met name migranten – structureel zichtbaar gemaakt en gecontroleerd, terwijl anderen
grotendeels buiten toezicht blijven. Voor criminologen is dit concept cruciaal omdat het laat zien hoe
uitsluiting en straf plaatsvinden buiten het traditionele strafrecht, via administratieve en preventieve
mechanismen.
Humanitair discours en securitisering
Opvallend is Bigo’s stelling dat ook humanitaire discoursen onderdeel kunnen zijn van het
securitisatieproces. Door onderscheid te maken tussen “echte” vluchtelingen en “illegale” migranten
legitimeren humanitaire argumenten vaak alsnog grenscontrole en uitsluiting. Humanitaire en
repressieve benaderingen zijn daarmee geen tegenpolen, maar functioneren binnen hetzelfde
bestuurlijke programma dat migratie als probleem definieert.
Grenzen, migratie en criminologische relevantie
Voor criminologen zijn grenzen en hun totstandkoming van groot belang omdat zij inzicht geven in de
manier waarop criminaliteit, afwijking en risico worden geconstrueerd. Bigo laat zien dat migranten
fungeren als dragers van wat hij de “social distribution of bad” noemt: maatschappelijke angsten en
mislukkingen worden op hen geprojecteerd. Dit leidt tot beleidsmaatregelen die gericht zijn op
controle en uitsluiting, in plaats van op structurele oorzaken van sociale problemen.
Border criminologie en criminology of mobility
Bigo’s analyse sluit nauw aan bij Border Criminology, die onderzoekt hoe grenshandhaving, detentie
en uitsluiting samenhangen met straf en mensenrechten, en bij de Criminology of Mobility, die kijkt
naar hoe beweging en circulatie van mensen worden geproblematiseerd. Zijn werk onderstreept het
belang van meerdere stemmen binnen deze disciplines, waaronder die van migranten zelf. Zonder
deze pluraliteit loopt de criminologie het risico zelf onderdeel te worden van het securitisatieproces
dat zij kritisch wil analyseren.
Bigo laat zien dat grenzen geen neutrale feiten zijn, maar het resultaat van politieke keuzes,
professionele belangen en discursieve constructies. De securitisering van migratie vormt een
bestuursvorm die onrust produceert en beheert, eerder dan veiligheid te garanderen. Voor
criminologen is het analyseren van deze processen essentieel om te begrijpen hoe veiligheid,
criminaliteit en uitsluiting in een gemobiliseerde en geglobaliseerde samenleving worden
vormgegeven.
Katja Franko – The Crimmigrant Other: Migration and Penal Power
In The Crimmigrant Other analyseert Katja Franko hoe migranten in hedendaagse samenlevingen
steeds vaker worden geconstrueerd als criminele anderen: niet primair als mensen in nood of
economische actoren, maar als regelbrekers en veiligheidsrisico’s. Centraal staat het begrip
‘crimmigrant other’, waarmee Franko de figuur aanduidt die ontstaat op het snijvlak van
,migratierecht en strafrecht. Het boek laat zien dat deze ontwikkeling fundamenteel is voor het
begrijpen van hedendaagse grenzen, straf en uitsluiting, en raakt aan kernvragen over lidmaatschap,
ongelijkheid en macht.
Crimmigration en de verschuiving van lidmaatschap
Franko bouwt voort op het concept crimmigration, geïntroduceerd door Juliet Stumpf, dat verwijst
naar de toenemende vervlechting van migratierecht en strafrecht. Waar deze literatuur zich vaak richt
op juridische convergentie, verlegt Franko de aandacht naar de subjecten van deze macht. De
crimmigrant other is niet zomaar iemand die zowel migrant als crimineel is, maar iemand wiens
aanwezigheid in de samenleving wordt geïnterpreteerd als moreel en sociaal problematisch.
Hierdoor verschuift de kernvraag van “wat heeft iemand gedaan?” naar “wie hoort erbij?”.
Deze verschuiving maakt duidelijk dat grenzen niet alleen territoriaal zijn, maar ook sociaal en
normatief. Lidmaatschap van de samenleving wordt steeds meer voorwaardelijk en precair, vooral
voor niet-burgers en geracialiseerde groepen.
Grenzen als morele en sociale scheidslijnen
Franko laat zien dat grenzen functioneren als morele scheidslijnen die bepalen wie als ‘goed’ of
‘slecht’, ‘onschuldig’ of ‘gevaarlijk’ wordt gezien. De crimmigrant other belichaamt een figuur van
gerechtvaardigde uitsluiting: iemand die kan worden opgesloten, uitgezet of uitgesloten zonder dat
dit als moreel problematisch wordt ervaren. Grenzen komen zo tot stand door een combinatie van
wetgeving, strafpraktijken en morele oordelen, en worden voortdurend herbevestigd via penal power.
Voor criminologen is dit belangrijk omdat het laat zien dat straf niet alleen reageert op criminaliteit,
maar ook actief grenzen van burgerschap produceert.
Penal power en ‘bordered penality’
Een kernbegrip in Franko’s analyse is bordered penality. Hiermee beschrijft zij een vorm van straf
die specifiek gericht is op niet-burgers en waarin uitsluiting centraal staat. In tegenstelling tot
klassieke penale systemen, die (ten minste normatief) gericht zijn op resocialisatie, is bordered
penality primair gericht op verwijdering en buitensluiting. De crimmigrant other is niet iemand die
moet worden verbeterd, maar iemand die moet worden uitgesloten.
Deze ontwikkeling markeert een verschuiving van straf als discipline naar straf als selectieve
uitsluiting, waarbij verblijfsstatus een cruciale rol speelt.
Van panopticon naar ban-opticon
Net als Didier Bigo benadrukt Franko dat deze ontwikkeling samengaat met een verschuiving van het
klassieke panopticon naar wat zij, in navolging van Bigo, aanduidt als het ban-opticon. In plaats van
universele surveillance richt de controle zich op specifieke groepen die als risicovol worden
aangemerkt. De crimmigrant other wordt hierdoor structureel zichtbaar gemaakt als object van
toezicht, terwijl burgers grotendeels buiten beeld blijven.
Deze selectieve controle laat zien hoe grenzen steeds minder vastliggen aan de rand van het
territorium en steeds meer door de samenleving heen lopen.
Humanitarisme, straf en morele ambiguïteit
Franko benadrukt dat hedendaagse grenspraktijken vaak worden gelegitimeerd door een combinatie
van humanitaire en strafrechtelijke discoursen. Migranten worden tegelijkertijd gepresenteerd als
slachtoffers die bescherming verdienen en als potentiële bedreigingen die moeten worden
, gecontroleerd. Deze morele ambiguïteit maakt harde maatregelen mogelijk zonder dat staten hun
zelfbeeld als humaan hoeven op te geven.
Het onderscheid tussen ‘goede’ en ‘slechte’ migranten speelt hierin een centrale rol. De crimmigrant
other fungeert als morele grensfiguur die het mogelijk maakt compassie te tonen voor sommigen,
terwijl anderen worden uitgesloten of gedeporteerd.
Sociale ongelijkheid en globale machtsverhoudingen
Hoewel straf en migratie centraal staan, benadrukt Franko dat het boek bovenal gaat over sociale
ongelijkheid. De productie van de crimmigrant other is nauw verbonden met mondiale ongelijkheden
tussen Noord en Zuid, koloniale erfenissen en racialisering. Penal power aan de grens fungeert als een
mechanisme om de geprivilegieerde positie van burgerschap in het mondiale Noorden te
beschermen.
Hiermee laat Franko zien dat grenzen niet alleen nationale, maar ook globale machtsverhoudingen
weerspiegelen en bestendigen.
Relevantie voor criminologie
Voor criminologen is de analyse van Franko bijzonder relevant omdat zij laat zien hoe straf, migratie
en grenscontrole samenkomen in nieuwe vormen van uitsluiting. Criminaliteit wordt niet alleen
bestraft, maar voorondersteld op basis van status en afkomst. Dit daagt klassieke criminologische
aannames uit over schuld, proportionaliteit en gelijkheid voor de wet.
Daarnaast onderstreept Franko het belang van kritische benaderingen zoals Border Criminology en
de Criminology of Mobility, die aandacht hebben voor beweging, grenspraktijken en de stemmen
van gemarginaliseerde groepen. Zonder deze perspectieven loopt de criminologie het risico bij te
dragen aan de normalisering van uitsluiting.
Franko concludeert dat de crimmigrant other een krachtige metanarratieve figuur is geworden die
straf, migratie en moraal met elkaar verbindt. Via deze figuur worden grenzen bewaakt, burgerschap
gedefinieerd en ongelijkheid gelegitimeerd. De inzet van penal power aan de grens gaat daarmee niet
alleen over veiligheid of criminaliteit, maar over de fundamentele vraag wie mag behoren tot de
politieke gemeenschap.
Pickering, Bosworth & Franko Aas (2015) – “The Criminology of Mobility” uit The Routledge
Handbook on Crime and International Migration,
Het hoofdstuk The Criminology of Mobility betoogt dat criminologie fundamenteel moet herdenken
hoe zij criminaliteit, straf en sociale controle analyseert in een wereld die wordt gekenmerkt door
intensieve mondiale mobiliteit. De auteurs stellen dat migratiecontrole niet langer een
randverschijnsel is, maar verweven is geraakt met criminaliteitsbestrijding. De controle van
mobiliteit functioneert steeds meer als een centrale vorm van sociale ordehandhaving, gericht op
niet-burgers en andere gemarginaliseerde groepen.
Grenzen en de herdefiniëring van sociale orde
De auteurs benadrukken dat grenzen niet uitsluitend territoriale lijnen zijn, maar mechanismen die
sociale orde, lidmaatschap en uitsluiting structureren. Hoe samenlevingen omgaan met
wetsovertreders, slachtoffers en ‘vreemden’ zegt iets over hun morele grenzen en ideeën over
solidariteit. In een context van globalisering zijn deze grenzen steeds instabieler geworden, waardoor
staten nieuwe vormen van controle ontwikkelen die zich zowel aan als binnen de grens afspelen.