rechtspersoon en NV/BV in oprichting
Handelen voor of bij oprichting
- Casus:
- A, B en C besluiten tot oprichting BV X (1 juli 2017)
- Op 15 juli 2017:
- Huurt A namens de BV i.o. een kantoorpand
- Koopt B namens de BV i.o. een bedrijfswagen
- 1 september 2017 → BV wordt opgericht
- Is BV X na oprichting aan deze rechtshandelingen gebonden?
- Een oprichting kost tijd
Handelen vóór haar oprichting → handelen namens NV/BV i.o. → 2:93/203
- De vennootschap is niet gebonden, totdat zij na haar oprichting heeft bekrachtigd →
2:93/203 lid 1
- Tot die tijd zijn degene die de rechtshandeling hebben verricht daardoor hoofdelijk
verbonden → 2:203 lid 2
- Als er wordt gehandeld in naam van een vennootschap voor haar oprichting, en er wordt
na oprichting uitdrukkelijk niet bekrachtigd, dan is degene die handelt gewoon
aansprakelijk en is de vennootschap niet verboden en dus ook niet aansprakelijk.
- Geldt alleen voor rechtshandelingen
- Andere handelingen dan rechtshandelingen kunnen niet worden bekrachtigd.
- Dus geen verbintenissen uit de wet, bijv. onrechtmatige daad
- Is niet namens BV i.o. gehandeld, of was dit voor derden niet kenbaar → bekrachtiging
door BV niet mogelijk
- Wel mogelijk → contractsovername (6:159), schuldoverneming (6:155)
- Bekrachtiging moet gebeuren na oprichting, dus door het bestuur of een
vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder
- Mag ook stilzwijgend
- Bijv. als er voor oprichting een bedrijfsruimte wordt gehuurd en na de
oprichting het bedrijf in de bedrijfsruimte intrekt, dat wordt er stilzwijgend
bekrachtigd.
- Bijv. als er voor oprichting goederen worden besteld en die goederen wordt
na oprichting in ontvangst genomen, dat is ook een stilzwijgende
bekrachtiging.
- Bekrachtiging is een vertegenwoordigingshandeling, dus hij moet wel bevoegd
zijn.
- Voor bekrachtiging:
- De handelende personen zijn hoofdelijk verbonden tot aan bekrachtiging, tenzij
anders bedongen → lid 2
1
,- Bekrachtiging
- Doet de rechtsverhouding overgaan op de NV/BV
- Analoge toepassing bij andere rechtspersonen
- De persoonlijke verbondenheid van de handelende persoon vervalt.
- Let op lid 3 → in wezen een onrechtmatige daadsactie
- Bekrachtiging is een bestuurshandeling, dus:
- Bestuurders kunnen aansprakelijk zijn jegens de rechtspersoon → lid 3 jo.
2:9, 2:138/248
- Maar eventueel ook jegens de wederpartij → 2:93/203 lid 3 (zie hieronder)
- Aansprakelijkheid na bekrachtiging → 2:92/203 lid 3
- Bij (geobjectiveerde) wetenschap dat de rechtspersoon na bekrachtiging
niet zou kunnen nakomen is aansprakelijk:
- Handelende persoon → 2:93/203 lid 3 1e gedeelte 1e zin → “ten
tijde van de rechtshandeling”
- Bestuurders → lid 1 2e gedeelte 1e zin → “wegens de bekrachtiging”
- Vermoeden van wetenschap → binnen 1 jaar na oprichting failliet
- Bijzondere onrechtmatige daadsactie
- Leidt tot schadevergoeding → dus niet de persoonlijk verbondenheid
die bestaat voor bekrachtiging!
- De handelende persoon moet weliswaar schadevergoeding
betalen, maar is niet hoofdelijk verbonden zoals voor de
bekrachtiging.
- HR Hoekstra:
- Casus:
- Hoekstra is bestuurder van een BV i.o.
- Augustus 1988 → huurovereenkomst gesloten door Hoekstra
namens Kabel Jewels BV i.o. (huurder)
- 12 mei 1989 → oprichting BV, huurovereenkomst bekrachtigd door
Kabel Jewels BV
- Hoekstra is de enige bestuurder
- 17 mei 1989 → huurovereenkomst ontbonden door rechter wegens
wanprestatie huurder (dus aan de kant van Hoekstra)
- Eigenaar van het pand vordert schadevergoeding van Hoekstra in
privé.
- Rechtsvraag → schadeplichtig als handelende persoon of bekrachtigende
bestuurder? → Hoekstra hoofdelijk aansprakelijk jegens de wederpartij?
- HR → bekrachtiging kan (afhankelijk van de omstandigheden van het
geval) een onrechtmatige daad opleveren, waarbij onder meer van belang
kan zijn of de bestuurder ten tijde van de bekrachtiging wist of redelijkerwijs
behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de
rechtshandeling niet zou kunnen nakomen.
2
, - Hoekstra had een situatie veroorzaakt, waardoor de wederpartij
nadeel heeft geleden → namelijk het bekrachtigen van de huurovk,
terwijl hij wist dat de BV geen verhaal zou kunnen bieden.
- Rechtsregel → er is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid als de
bestuurder ten tijde van de bekrachtiging wist of redelijkerwijs behoorde te
weten dat de vennootschap de verplichtingen uite de rechtshandelingen
niet zou kunnen nakomen. Dit is afhankelijk van de omstandigheden
Handelen bij haar oprichting → lid 4
- Handelingen die nauw met de oprichting samenhangen
- De oprichters verbinden de rechtspersoon:
- Uitgifte van aandelen bij oprichting
- Aanvaarden van stortingen daarop
- Aanstellen bestuurders/commissarissen
- Bezwarende rechtshandelingen → 2:94/204 lid 1
Vroeger → vertegenwoordiging na oprichting
- Van volmacht naar de regeling van vertegenwoordiging van rechtspersonen door
bestuur(ders) → invloed van het Europese recht
- Volmacht → vertegenwoordiging krachtens volmacht → boek 3 titel 3
- Volmacht → wordt een bevoegdheid verleent om op te treden namens een ander
- Gevolgen van door gevolmachtigde verrichte rechtshandeling is voor
volmachtgever, indien de gevolmachtigde binnen de grenzen van de volmacht is
gebleven → 3:66
- Gebeurt dit niet, dan is de gevolmachtigde in beginsel gebonden
- Echter, schijn van volmacht door volmachtgever gewekt → 3:61 lid 2 →
volmachtgever wel gebonden
- Bekrachtiging mogelijk bij onbevoegde vertegenwoordiging → 3:69
- Vertegenwoordiging van rechtspersonen (oud)
- De algemene regeling zoals bij vertegenwoordiging door volmacht was van
toepassing → onder het oude rechtspersonenrecht werden deze regels van
volmacht tevens gevolgd bij vertegenwoordiging door het bestuur
- De statutaire regels betreffende vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben externe
werking
- Bijvoorbeeld → bestuurders mogen bepaalde rechtshandelingen niet
verrichten zonder goedkeuring van een ander orgaan.
- Vgl. arrest Fokker-Spanje
- Dit zorgde voor een onwenselijke situatie in Europa, het kwam het handelsverkeer
niet ten goede. Namelijk om zaken te kunnen doen met een rechtspersoon zou
men dan elke keer de statuten moeten raadplegen en moeten beoordelen of het
bestuur wel vertegenwoordigingsbevoegd is.
3