publieke sector
Hoorcollege 1: Inleiding
Financieel management
“Planning en beheersing van financiële taken en transacties”
Publieke sector: Karakter
Gaat om het doel
Niet op winst gericht, maar wat dan wel?
- Diverse producten
- Divers georganiseerd
- Bekostiging: niet marktgeoriënteerd
- Substantieel: overheidsuitgaven in 2025: 529 mld euro (bijna 45% van het
bbp)
Non-profit
1. Publiek georiënteerde organisatie: de traditionele overheid; publiekrecht
2. “middenveld”: cliëntgerichte organisaties, zoals onderwijs, zorg,
corporaties, openbaar vervoer; privaatrecht én publiekrecht
3. Private organisaties: gericht op leden, zoals kerken, vakbonden, goede
doelen; privaatrecht
Afbakening
- Publieke sector: traditionele overheid (1) + middenveld (2)
- Non-profit: publieke sector + ledenorganisaties (1+2+3)
- Wij richten ons op publieke sector
- Dus: ledenorganisaties buiten beschouwing gelaten
Traditionele overheid
- Rijk, provincie, gemeente, waterschap
- Agentschap, B&L-dienst
- ZBO’s
- EU
- Gemeenschappelijke regelingen
Markt en publieke sector
- Markt: beslissen, betalen en genieten in 1 hand (jij beslist over de aankoop
van een pak melk, je betaal en je geniet ervan)
- Publieke sector: relatie doorgesneden
- Gevolg: totaal andere wijze van besluiten, uitvoeren en verantwoorden
Markt en efficiëntie
- Markt is in theorie efficiënt, maar:
o Marktfalen (werkt niet altijd zoals het moet)
o Macro-economie (schommelingen in wereldeconomie, wij zijn
afhankelijk van andere landen)
o Verdeling/rechtvaardigheid
o Paternalisme (overheid weet het beter dan uzelf, wat goed voor u is,
ontmoedigen van roken en drinken)
Marktfalen
, - Marktmacht
- Collectieve goederen (als we alleen collectieve goederen dan zal de markt
die misschien niet maken, want geen winst bv straatlampen)
- Externe effecten (afval)
- Asymmetrische informatie
Hoe wordt er ingegrepen?
- Regelgeving
- Zelf produceren (gemeenteauto’s die de stad groen
houden/schoonhouden)
- Uitbesteden (wegen aanleggen door particuliere aannemers)
- Financiële prikkels (subsidies -> isolatiesubsidie)
- Overdrachten (Belastingdienst, uitkeringen etc. Inkomens komen er anders
uit te zien)
- Overleg (hoe gaan we het doen, over economisch beleid bv)
- Overreding (overhalen tot ander gedrag (reclame voor BOB)
Vaak kun je kiezen, welke je wilt inzetten.
Gaat dat goed?
Natuurlijk lang niet altijd:
- Budgetimperfecties, ofwel
- Non-market failures
Non-market failures
- Output slecht gedefinieerd en moeilijk meetbaar (wat produceert een
huisarts, wat gebeurt daar nou precies, wat doen ze, wat leveren ze ons)
- Kwaliteit moeilijk vast te stellen (is geen markt voor, anders zou je wel
weten wat de kwaliteit is)
- Geen concurrentie (ziekenhuis concurreren niet)
- Geen criteria voor stopzetten van beleid (kolen in locomotief niet meer
nodig terwijl er wel nog pijpen op de trein waren)
- Beloning voor formuleren probleem en ontwerpen oplossing (maar
uitvoering en achteraf hoor je veel minder)
- Politieke conjunctuur (te maken met verkiezingen, dus geen impopulaire
maatregelen nemen als de verkiezingen dichterbij komen, dat is niet altijd
het beste voor beleid
Het wordt nog erger
- Principaal-agentprobleem
- Common pool-probleem
Principaal-agentprobleem
- Kiezer: principaal
- Politicus: agent (uitvoerders)
- Probleem: politici willen rents (andere doelen) (bv achterban of
verkiezingen)
- Speelt ook in relatie politici (principaal) – ambtenaren (agent)
Oplossing
- Contracten: lastig, want onzeker en complex (leg maar in een contract vast
wat een minister moet doen -> dat is zo omvangrijk en complex dat dat
niet te doen is)
- Ieder contract is een incompleet contract
, - Er resteert dus residual power: ruimte voor de agent (beslissingsruimte
binnen de regels die we hebben)
- Een oplossing: begrotingsinstituties (Hagen)
Begrotingsinstituties
- Verzameling formele en informele regels en beginselen die het
begrotingsproces regelen (Von Hagen, 2007)
Voorbeelden:
- Comptabele regels
- Normering (3% en 60%, grenzen waarbinnen het beleid hoort af te
spreken)
- Controle
- Toezicht (klopt het wat er is afgesproken, doen ze wat we willen)
Wat voor instituties?
Kortom, alles wat:
- Verantwoording verbetert
- Concurrentie tussen politieke agenten vergroot
Voorbeeld: doorrekening van de publieke programma’s door het CPB (Keuzes in
Kaart)
Common pool-probleem
Typisch voor de publieke sector
- Geld uit algemene middelen besteed aan afzonderlijke groepen
- Netto (daadwerkelijke) baten voor de groep zijn groot
- Dus opwaartse druk op uitgaven (lobbyen, belangengroepen)
- Netto kosten gering
- Dus weinig tegenwicht
- Gevolg: te hoge uitgaven
Oplossing (von Hagen)
Centraliseer begrotingsproces:
- Eenpartijregering: delegatie aan fiscal entrepreneur
- Voorbeeld: Amerikaanse Secretary of Treasure
- Coalitieregering: onderhandeling -> akkoord (contract)
Praktisch (centraliseer begrotingsproces)
- Beperk verborgen uitgaven/fondsen (AIVD/MIVD -> we weten het budget
maar niet waaraan dat wordt uitgegeven) -> transparantie altijd goed op
tentamen benoemen -> maakt het makkelijker om tegengas te bieden
- Beperk openeinderegelingen
- Beperk contigent liabilities zoals garanties (expliciet en impliciet)
- Alle posten in vergelijkbare maatstaf
- Raam niet (te) optimistisch
- Niet creatief boekhouden
- Uitgaven gebruiken voor hun officiële doel
- Transparantie in procedures (hoe meer mensen meekijken, hoe minder
makkelijk het is om te rommelen)
- Begrotingsnormen (3 en 60%)
- Onafhankelijke informatie (CPB, CBS, SCP, PBL, AR)
- Ook hier: centraliseer begrotingsproces (geef minister van financiën meer
structuur, meer mogelijkheden)
- Maak spelregels duidelijk (transparantie)
- Eenpartijregering: benoem een ‘financieel zwaargewicht’
- Coalitieregering: onderhandelingen -> contract (bijv. regeerakkoord)
, - Druk van buiten: IMF, EU, centrale overheid -> decentrale overheden
Fasen:
- Planning: besluitvorming
- Beheersing: (management) control; uitvoering
- Verslaggeving
- Controle en verantwoording
New Public Management (NPM)
Uiteenlopende meningen over methoden en technieken uit de
marktsector toepassen in publieke sector
- Mag dat wel? Publieke sector is toch anders en heeft
toch een ander doel, mag je die technieken dan dumpen
en toepassen?
- Kan dat wel? (je kan bv niet eens meten wat je prestatie
is als arts)
- NPM: niet zeuren, het moet!
- Adagium: Running government like a business.
Gevolgen NPM
- Focus op efficiency
- Planning- en budgetteringstechnieken
- Sturen op prestaties
- Meer concurrentie
- Managementstijlen uit de private sector toegepast op publieke sector (bv.
Promotie)
- Contracten
- Privatisering
- Terminologie (managementtermen)
Nieuwe problemen (NPM)
- Meer autonomie – minder democratische controle?
- Bureaucratisering (veel regels = meer bureaucratie)
- Fragmentatie van beleid en uitvoering (gedecentraliseerde uitvoering, is
lastig om sturing aan te geven)
- Steeds complexere informatie (hoe kun je daar goed mee omgaan?)
- Managementcultus
- Gevolgen: o.a.: crises, schandalen
- En gewoon minder goed presteren (terwijl NPM juist was bedoeld op
efficiënter, doelmatiger te werken)