Aanvullende info Ethische analyse
HAN Nijmegen
,Inhoudsopgave
Begrippenlijst met
betekenis…………………………………………………………………………………………2
Stappenplan ethische
analyse………………………………………………………………………………………..8
Thema 1: wat is
normaal………………………………………………………………………………………………..
9
Thema 2: wat vind je
normaal………………………………………………………………………………………..12
Thema 3: wat is
macht…………………………………………………………………………………………………
14
Thema 4: macht van het
systeem…………………………………………………………………………………..16
Thema 5: onderwijsmacht
……………………………………………………………………………………………19
Thema 6: de macht van de
groep……………………………………………………………………………………22
Thema 7: ideaal en sterke
samenleving…………………………………………………………………………..25
Thema 8: autonomie als ideaal
mensbeeld……………………………………………………………………..28
Thema 9: levensbeschouwelijke
aspecten………………………………………………………………………31
Thema 10: autonomie versus dwang: hoe grijpen we
in……………………………………………………..34
Thema 11: autonomie versus dwang: hoe grijpen we in deel
2…………………………………………….39
Thema 12: autonomie versus straf en
maatregelen…………………………………………………………..42
1
,Begrippenlijst met betekenis:
Thema Begrippen
Thema 1 Wat is normaal? Mensbeeld=het idee dat je hebt wat
het betekend om mens te zijn. hoe
kenmerkt de groep de mens
Dominant mensbeeld= het mensbeeld
wat het meest voorkomt in een groep
(de samenleving en het beroepenveld:
beroepscode pedagogiek)
Nachtwakerstaat= de overheid
bemoeid zich zo min mogelijk met de
burger, er waren geen regels (geen
leerplicht) alleen veiligheid voor de
burgers verzorgde zij
Verzorgingsstaat= zorgen voor de
mensen, er waren wetten en regels
voor bescherming. Overheid kan
ontheffing van ouderschap geven.
Neoliberalisme= (nu heersend in
Nederland) autonomie en vrijheid is
belangrijk. Een staat waarin je
individueel het zelf moet doen.
Burgerschap= als burger doe je mee
met de samenleving en heb je rechten
en plichten. De normen en waarde
van de samenleving
Defectparadigma= de persoon met
een beperking werd als patiënt gezien
en verzorgd in een instituut
Ontwikkelingsparadigma= de manier
van kijken in de zorg is gericht op
verbeteren van mensen/kinderen. De
gewone omgeving staat model
Burgerschapsparadigma= in de zorg
wordt gewerkt aan het bevorderen om
mee te doen (inclusie)
2
, Publiek/privé moraal= publiek: moraal
dat een mens laat zien buiten
huis/sociale domein. Dit publiek wordt
opgelegd door de samenleving door
wet, wat de norm is in de groep. Privé:
is het moraal dat een mens laat zien
in het privédomein (in het gezin, bij
vrienden)
Brede/smalle moraal= breed: iedereen
moet het vinden. De waarde staat
centraal en iedereen handelt hierna.
Smal: kan je opvattingen hebben die
niet voor iedereen geldt in de hele
samenleving. Er mogen meerdere
meningen en waardes zijn
Waarde= wat je belangrijk vind als
idee en overtuiging
Norm= wat je belangrijk vind als
regels die uit de waardes komen en
hoe iemand er naar handelt
Deugd= een goede eigenschap van
iemand om goed en verstandig te
handelen
Ethiek= nadenken wat goed en fout is
om keuzes te maken over gedrag of
een situatie
Beroepsethiek= de regels en normen
hoe je handelt binnen je vakgebied
Thema 2 Wat vind je normaal? Normatief mensbeeld= jouw
zienswijze mening over wat het
betekend om mens te zijn, wat vind jij
normaal. Bepaald vanaf jongs af aan
Socialisatie en identiteitsvorming=
socialisatie: het proces waarbij
iemand bewust of onbewust de
waarden en normen en andere
cultuurkenmerken van zijn groep krijgt
aangeleerd. Identiteitsvorming: het
beeld dat iemand van zichzelf
ontwikkeld. De socialisatie heeft
invloed op de identiteitsvorming
Morele ontwikkeling= de ontwikkeling
van je gevoel voor goed of fout
Ik- en wij culture= ik: je bent
verantwoordelijk voor het
onafhankelijk worden van je ouders en
autonoom worden waarbij je zelfregie
hebt en verantwoordelijkheid kan
dragen voor je keuzes. Wij: je bent
verantwoordelijk voor het juist
vervullen van je rol in het geheel.
Familie de wij is belangrijker dan het
individu.
3