Hoofdstuk 1: Tijd van de jagers en de boeren (tot 3000 v.chr.)
1.1
Voor een goede geschiedenisles focus je op de volgende vragen:
- Hoe plaats je het onderwerp in de tijd?
- Welke beeldvormers zet je in?
- Welke bronnen zet je in?
- Welke verwerking kies je?
- Hoe ontwikkel je het historisch tijdbesef van de kinderen?
- Hoe laat je kinderen historisch denken en redeneren?
- Hoe sluit ik in deze les aan bij de kerndoelen?
Lesopening:
- Vertel een verhaaltje
- Stel een prikkende vraag
- Laat een voorwerp of afbeelding zien
- Neem een actualiteitspunt
Werkvormen:
- Voorlezen
- Mindmap maken
- Groepsgesprek
- Filmfragment bespreken
- Discussie
- Tijdbalk maken
- Groepsgesprek
- Rollenspel
Afsluiting; nagaan of de doelen zijn behaald
- Opdrachten
- Een quiz
- Werkblad
- Naspelen van aspect
Zorg dat er sprake is van een vakinhoudelijke terugkoppeling.
,Voor alle invalshoeken geldt dat zij op 2 manieren geplaatst moeten
worden, namelijk in de tijd en in de ruimte.
1.2
Afrika – eerste mens
In Afrika ontstond ergens tussen 200.000 en 100.000 jaar geleden ook de
huidige moderne mens. (oudste vondsten zijn homo sapiens in Marokko)
de homo sapiens verspreiden zich en leefde rond 40.000 jaar geleden
samen met de een ander type mens.
Door te jagen en verzamelen konden de mensen in milde en strenge
klimaten overleven. Ze leefde van noten, zaden en planten (verzamelen)
en aas en kleine zoogdieren (jagen)
Het leven van de prehistorische jager-verzamelaar:
- Voedzaam menu
- Klein deel van de dag besteden aan zoeken naar voedsel, voor de
rest arbeid.
- Veel tijd voor ceremoniële bezigheden en ontspanning
- Weinig bezittingen, alles moet je meenemen.
- Jachtwerktuigen werden gemaakt van materiaal wat ter plekke
voorhanden was
- Leefpatroon naar seizoenen
- Groepen van 10 tot 15 mensen.
- Voedsel was van iedereen.
- Volgen dierenkuddes
- Verblijf in tijdelijke kampementen.
, - Ze maakte niet alleen praktische voorwerpen maar ook voorwerpen
met symbolische betekenis
Toendragebied: grote, kale, bevroren grasvlakten met hier en daar
berken en wilgen. In het gebied leefde 100.000 jaar geleden mammoeten.
(ook rendieren, bizons, wilde paarden, neushoorns en oerossen) bewoners
waren rendierjagers. Zij kwamen vanuit het zuiden en misschien het
oosten hierheen. En jaagde op de dieren.
Vuurstenen, rendiergewei, been en ivoor waren de grondstoffen voor
wapens en gebruiksvoorwerpen.
Veel van de dieren verdwenen door klimaatveranderingen. Mogelijk zorgde
ook jachtpartijen voor het verdwijnen van dieren.
Voedselpakket rendierjagers:
- Poolvos
- Vissen
- Vogels
- Rendieren (voornaamste voedingsmiddel)
De rendierjagers trokken achter de rendieren aan op zoek naar een nieuw
leefgebied. Omdat de leermiddelen schaars werden.
Vervoersmiddel – slee
Ze werden gemiddeld 50 jaar. Veel omstandigheden waren niet goed(het
weer, hygiene, ontbreken medicijnen, infecties, geboorte)
Gereedschappen;
- Vuursteen (pijlen, speerpunten, beitels, bijlen, krabbers en boortjes)
- Beenderen wild (naalden, handvaten, vishaken)
- Gevangen wild (huid, leer- kleding, schoenen, tenten)
Woning – tent van dierenhuiden, werden meestal in kuilen geplaatst.
Warmere tijd – holoceen
Begroeiing veranderde.
, Het werd warmer en er kwam meer neerslag. Gevolgen hiervan was dat
het ijs smolt, rivieren werden woeste stromen en de zeespiegel stijgt.
Trijntje
Dankzij een groot project langs de Betuwelijn werd in 1997 een groot
skelet van een vrouw gevonden. Ca. 40 – 60 jaar. Met 158 als lengte. Ze
werd gevonden bij de aanleg van de spoorlijn. Ze wordt geschat dat het
skelet 7500 jaar oud is. Ze is de oudste herkenbare mens. Ze was
zorgvuldig neergelegd in een langwerpige kuil. Met een stukje oker.
Primaire bronnen = denk aan ooggetuigenverslagen of restanten van
bouwwerken.
Secundaire bronnen = de tijd wordt achteraf gereconstrueerd.
De neolithische revolutie – 10.000 jaar geleden
Overgang van nomadische samenleving naar agrarische samenleving
Jagers en verzamelaars naar jagers en boeren
(landbouw revolutie)
De jagers en verzamelaars kwamen erachter dat je eten kon oogsten. Door
de voorraad van de graan gingen de mensen op een vaste plek wonen.
Hierdoor werden de groepen steeds groter. Er ontstond een taakverdeling
en een soort leider. Ze kregen meer bezit omdat ze niet steeds door
hoefde.
Rond 5300 voor chr. Verschenen de eerste boeren in het huidige Limburg.
Dit boeren volk maakte karaktersistiek aardewerk, versierd met ingekraste
patronen in banden over het oppervlak van de pot. Hierdoor worden ze het
volk van de Bandkeramiekers genoemd.
Hier begint de overgang van de nomadische naar de agrarische
samenleving.
Omdat de boeren voor veel veranderingen zorgen in het landschap en de
manier van samen leven wordt dit de neolithische revolutie genoemd.