De diagnostische cyclus
een praktijkleer
DEEL 1 REFERENTIEKADER
1. Inleiding
1.1 Doelstelling van dit boek
In de klinische psychodiagnostiek wordt informatie
verzameld over de cliënt en zijn omgeving met het oog
op het ontwerpen van de meest adequate aanpak van
zijn problemen.
Diagnostiek: ‘een zoek- en beslissingsproces dat in
dialoog met de cliënt en diens omgeving wordt
uitgevoerd.‘
Deze handleiding richt zich op de diagnostische
besluitvorming binnen de jeugdhulpverlening in ruime
zin.
De doelstelling van de handleiding is drieledig:
1. Didactisch doel: onderwijzen.
2. Voorlichten van diagnostici: hoe hun collega’s nu
worden opgeleid. En 3, om hen een hulpmiddel te
geven om de kwaliteit in eigen werkkring door te
lichten en eventueel aan te passen.
1.2 De noodzaak van opleiding
De traditionele kijk op diagnostiek verwoord in de
definitie van De Zeeuw (1983): “het onderscheiden van
personen naar hun individuele psychische kenmerken,
zoals die zich manifesteren in hun typische gedrags- en
uitingsvormen, en wel met behulp van tests”. In het
verleden werd de nadruk gelegd op diagnosticeren door
middel van tests, aan het scholen van studenten in de
systematiek van het diagnostisch beslissingsproces
werd weinig aandacht besteed. Hierdoor was er vaak
sprake van een klinisch oordeel, waarbij een
diagnosticus in geval van complexe beslissingen veelal
een beroep bleef doen op eigen ervaring en intuïtie. Het
boek spreekt van een ‘ongewapend oordeel’: een
uitgesproken oordeel zonder gebruik te maken van
methodologische principes of systematische procedures.
De noodzaak van opleiding in de diagnostische
besluitvorming dringt zich op vanuit de resultaten van
ten minste drie ontwikkelingen in het gedragsonderzoek
die uitermate belangrijk zijn voor de diagnostiek:
1. Het onderzoek naar de kwaliteit van het
, ongewapende oordeel, 2. de ontwikkelingen in de
besliskunde
3. het ontwikkelen van prescriptieve kaders ten behoeve
van de professionele diagnostiek.
1.3 Pretenties en beperkingen
De pretentie van deze handleiding is te laten zien dat
diagnostische besluitvorming in de praktijk op een
wetenschappelijk-professioneel verantwoorde wijze kan
worden doorlopen.
De hulpmiddelen die een diagnosticus gebruikt zijn:
- Inhoudelijke theorieën
- Kennis over normale en afwijkende
ontwikkelingspatronen
- Instrumenten en technieken om
gedragsverschijnselen in kaart te brengen
- Statistische en psychometrische technieken om
gegevens te verwerken
Het handelen van een diagnosticus moet transparant
zijn, waardoor het in principe aan toetsing door hem of
anderen kan worden onderworpen. Een dergelijke
aanpak is te bestempelen als empirisch-analytisch.
Hoofdstuk 2 Uitgangspunten
2.1 Wetenschappelijke diagnostiek
Het specifieke van de empirische benadering is dat
veronderstellingen over de werkelijkheid aan de feiten
worden getoetst op een wijze die in principe ook door
andere onderzoekers herhaalbaar is.
Wanneer er sprake is van een empirische benadering bij
het analyseren en verklaren van problemen, dan
spreken we van wetenschappelijke diagnostiek. De
diagnosticus is wetenschappelijker naarmate hij (van
Strien):
- Explicieter werkt met theorieën en de
verschillende theorieniveaus duidelijker met
elkaar in verband brengt.
- Er zich bewust rekenschap van geeft in
welke gevallen hij wel en in welke gevallen
hij niet voor een bepaalde theorie kiest
- Duidelijker de denkstappen vastlegt die
geleid hebben tot het advies.
- Onderzoek doet naar de waarde van
theorieën voor de problemen waar ze
, betrekking op hebben en naar het effect van
ingrepen.
- De resultaten van het eigen werk uitwisselt
met collega’s.
2.2 Verschillende foutenbronnen
“De alledaagse diagnostische situatie is doorgaans te
typeren als een voorbeeld van een slecht gedefinieerd
beslissingsprobleem.”
Kennis over hoe oordelen en beslissingen tot stand
komen, kan benut worden om de eigen praktijk te
optimaliseren.
Schatten, afwegen en herzien van kansen beslaat een
groot deel van het werk van een diagnosticus, helaas
zijn wij mensen hier niet zo goed in. Wegens gebrek aan
statistische en kant-en-klare informatie is het niet
uitzonderlijk dat een diagnosticus kansen subjectief
moet inschatten.
Onderzoek naar de oorzaken van de fouten en
vertekeningen bij het schatten en afwegen van kansen
resulteerde in vuistregels en heuristieken
(zoekstrategieën). Twee voorbeelden van conclusies uit
het onderzoek: De beschikbaarheidsheuristiek, de
voorkeur voor zaken die verser in het geheugen liggen
en de neiging informatie te zoeken die bij de eigen
opvatting past.
De kwaliteit van het professionele oordeel in klinische
beslissingssituaties laat dikwijls te wensen over.
2.3 Besliskundige ondersteuning
Het beslissingsprobleem: een keuzeprobleem waarbij
verschillende opties verschillende consequenties kunnen
hebben met betrekking tot het doel.
De descriptieve beslissingstheorie houdt zich ook bezig
met het verklaren van het beslissingsgedrag. De
normatieve beslissingstheorie gaat verder dan
beschrijven en verklaren en schrijft ook voor hoe de
beslisser formeel te werk moet gaan op basis van een
aantal rationele axioma’s. De toepassing van de
normatieve beslissingstheorie vindt plaats in de
besliskunde: een verzameling van modellen en
procedures die aangeven hoe de beslisser in de
verschillende stappen van het beslissingsproces het
best kan handelen met het oog op het te bereken doel.
Het diagnostisch beslissingsproces kan worden
ondersteunt door de technieken en procedures uit de
besliskunde.
een praktijkleer
DEEL 1 REFERENTIEKADER
1. Inleiding
1.1 Doelstelling van dit boek
In de klinische psychodiagnostiek wordt informatie
verzameld over de cliënt en zijn omgeving met het oog
op het ontwerpen van de meest adequate aanpak van
zijn problemen.
Diagnostiek: ‘een zoek- en beslissingsproces dat in
dialoog met de cliënt en diens omgeving wordt
uitgevoerd.‘
Deze handleiding richt zich op de diagnostische
besluitvorming binnen de jeugdhulpverlening in ruime
zin.
De doelstelling van de handleiding is drieledig:
1. Didactisch doel: onderwijzen.
2. Voorlichten van diagnostici: hoe hun collega’s nu
worden opgeleid. En 3, om hen een hulpmiddel te
geven om de kwaliteit in eigen werkkring door te
lichten en eventueel aan te passen.
1.2 De noodzaak van opleiding
De traditionele kijk op diagnostiek verwoord in de
definitie van De Zeeuw (1983): “het onderscheiden van
personen naar hun individuele psychische kenmerken,
zoals die zich manifesteren in hun typische gedrags- en
uitingsvormen, en wel met behulp van tests”. In het
verleden werd de nadruk gelegd op diagnosticeren door
middel van tests, aan het scholen van studenten in de
systematiek van het diagnostisch beslissingsproces
werd weinig aandacht besteed. Hierdoor was er vaak
sprake van een klinisch oordeel, waarbij een
diagnosticus in geval van complexe beslissingen veelal
een beroep bleef doen op eigen ervaring en intuïtie. Het
boek spreekt van een ‘ongewapend oordeel’: een
uitgesproken oordeel zonder gebruik te maken van
methodologische principes of systematische procedures.
De noodzaak van opleiding in de diagnostische
besluitvorming dringt zich op vanuit de resultaten van
ten minste drie ontwikkelingen in het gedragsonderzoek
die uitermate belangrijk zijn voor de diagnostiek:
1. Het onderzoek naar de kwaliteit van het
, ongewapende oordeel, 2. de ontwikkelingen in de
besliskunde
3. het ontwikkelen van prescriptieve kaders ten behoeve
van de professionele diagnostiek.
1.3 Pretenties en beperkingen
De pretentie van deze handleiding is te laten zien dat
diagnostische besluitvorming in de praktijk op een
wetenschappelijk-professioneel verantwoorde wijze kan
worden doorlopen.
De hulpmiddelen die een diagnosticus gebruikt zijn:
- Inhoudelijke theorieën
- Kennis over normale en afwijkende
ontwikkelingspatronen
- Instrumenten en technieken om
gedragsverschijnselen in kaart te brengen
- Statistische en psychometrische technieken om
gegevens te verwerken
Het handelen van een diagnosticus moet transparant
zijn, waardoor het in principe aan toetsing door hem of
anderen kan worden onderworpen. Een dergelijke
aanpak is te bestempelen als empirisch-analytisch.
Hoofdstuk 2 Uitgangspunten
2.1 Wetenschappelijke diagnostiek
Het specifieke van de empirische benadering is dat
veronderstellingen over de werkelijkheid aan de feiten
worden getoetst op een wijze die in principe ook door
andere onderzoekers herhaalbaar is.
Wanneer er sprake is van een empirische benadering bij
het analyseren en verklaren van problemen, dan
spreken we van wetenschappelijke diagnostiek. De
diagnosticus is wetenschappelijker naarmate hij (van
Strien):
- Explicieter werkt met theorieën en de
verschillende theorieniveaus duidelijker met
elkaar in verband brengt.
- Er zich bewust rekenschap van geeft in
welke gevallen hij wel en in welke gevallen
hij niet voor een bepaalde theorie kiest
- Duidelijker de denkstappen vastlegt die
geleid hebben tot het advies.
- Onderzoek doet naar de waarde van
theorieën voor de problemen waar ze
, betrekking op hebben en naar het effect van
ingrepen.
- De resultaten van het eigen werk uitwisselt
met collega’s.
2.2 Verschillende foutenbronnen
“De alledaagse diagnostische situatie is doorgaans te
typeren als een voorbeeld van een slecht gedefinieerd
beslissingsprobleem.”
Kennis over hoe oordelen en beslissingen tot stand
komen, kan benut worden om de eigen praktijk te
optimaliseren.
Schatten, afwegen en herzien van kansen beslaat een
groot deel van het werk van een diagnosticus, helaas
zijn wij mensen hier niet zo goed in. Wegens gebrek aan
statistische en kant-en-klare informatie is het niet
uitzonderlijk dat een diagnosticus kansen subjectief
moet inschatten.
Onderzoek naar de oorzaken van de fouten en
vertekeningen bij het schatten en afwegen van kansen
resulteerde in vuistregels en heuristieken
(zoekstrategieën). Twee voorbeelden van conclusies uit
het onderzoek: De beschikbaarheidsheuristiek, de
voorkeur voor zaken die verser in het geheugen liggen
en de neiging informatie te zoeken die bij de eigen
opvatting past.
De kwaliteit van het professionele oordeel in klinische
beslissingssituaties laat dikwijls te wensen over.
2.3 Besliskundige ondersteuning
Het beslissingsprobleem: een keuzeprobleem waarbij
verschillende opties verschillende consequenties kunnen
hebben met betrekking tot het doel.
De descriptieve beslissingstheorie houdt zich ook bezig
met het verklaren van het beslissingsgedrag. De
normatieve beslissingstheorie gaat verder dan
beschrijven en verklaren en schrijft ook voor hoe de
beslisser formeel te werk moet gaan op basis van een
aantal rationele axioma’s. De toepassing van de
normatieve beslissingstheorie vindt plaats in de
besliskunde: een verzameling van modellen en
procedures die aangeven hoe de beslisser in de
verschillende stappen van het beslissingsproces het
best kan handelen met het oog op het te bereken doel.
Het diagnostisch beslissingsproces kan worden
ondersteunt door de technieken en procedures uit de
besliskunde.