Werkcollege 1: Voortplantingsstelsel
Doelstellingen
De student kan:
De anatomie en fysiologie van de mannelijke en vrouwelijke
voortplantingsorganen beschrijven en uitleggen
De man
Os pubis: schaambeen voor bescherming
Urethra: urinebuis, van de urineblaas naar het uiteinde van de penis en is
een doorgang voor zowel urine als sperma
Penis: een buisvormig orgaan waarmee tijdens de geslachtsgemeenschap
het sperma in de vagina van de vrouw wordt ingebracht en
waardoor de urine uit het lichaam wordt geloosd
Glans: het verbrede gedeelte rond de uitwendige uitmondingen van
de urethra
Voorhuid: omgeeft het uiteinde van de penis
Scrotum: buitenkant van de balzakken
Ductus deferens: zaadleider van de balzakken naar de penis
Epididymus: een langwerpige buis die de samenstelling van de vloeistof in de
buis reguleert en waar recycling van beschadigde spermacellen
plaatsvindt (cellen die dit gedeelte verlaten zijn rijp maar
onbeweeglijk)
Testes: testikels of zaadballen, bevinden zich in het scrotum en
ontwikkelen spermacellen
Vesica urinaria: urineblaas, hol en gespierd orgaan waarin urine voorafgaand aan
het plassen wordt
opgeslagen
Rectum: opslagplaats voor de ontlasting
Ureter: urineleiders, vervoert urine van de nieren naar de urineblaas
Zaadblaasjes: een actieve klier die ongeveer 60% van het volume van het
zaadvocht vormt
Prostaatklier: geeft vocht af dat ongeveer 30% van het zaadvocht vormt
PATHOLOGIE BLOK 2.4 TESSA VELLEMA 1
, Figuur: het mannelijke voortplantingsstelsel
De vrouw
Ovarium: eierstok, voor de vorming van eicellen en de afgifte van hormonen
Oviduct: eileider
Vesica urinaria: urineblaas, hol en gespierd orgaan waarin urine voorafgaand aan
het plassen wordt
opgeslagen
Symphysis pubica: kraakbeenverbinding met het schaambeen voor bescherming
(de mens heeft twee
schaambenen die naar elkaar toe staan, tijdens de bevalling gaat dit
losser zitten zodat het kind erdoor kan)
Glandula vestibularis majore: klieren die bij seksuele opwinding klierproducten
afgeven bij de
ingang van de vagina
Clitoris: uiterst gevoelig weefsel wat bij opwinding volloopt met bloed
Labium minor: kleine schaamlippen
Labium major: grote schaamlippen
Uterus: baarmoeder
Schedegewelf: een kleine holte achter de baarmoedermond in de vagina
(omdat de baarmoeder
uitpuilt)
Cervix: baarmoederhals, hier bevindt zich een slijmprop om het lichaam te
weren tegen invloeden van de buitenwereld. Tijdens de ovulatie is
deze te passeren door zaadcellen
Vagina: ingang naar de baarmoeder
Rectum: opslagplaats voor de ontlasting
Anus: uitgang voor de ontlasting
Colon sigmoideum: laatste stukje dikke darm voordat het overgaat in de
endeldarm
PATHOLOGIE BLOK 2.4 TESSA VELLEMA 2