Pathologie samenvatting blok 2.1
Hoorcollege 1 en les 1
De voedingstoestand is de conditie van het lichaam als gevolg van enerzijds
de inneming, absorptie en benutting van voeding en anderzijds van
ziektefactoren.
- Basaalmetabolisme
BMR = Basal metabolic rate is het aantal calorie dat nodig is om het
metabolism te onderhouden dat nodig is voor het dagelijkse
lichaamsonderhoud.
60-70%
- Lichamelijke activiteit
20-35%
- Voeding-geinduceerde thermogenese
TEF = thermic effect of food is de energie dat nodig is
om het voedsel te verteren.
5-10%
Deze schaalverdeling is bij iedereen anders. Dit wordt beïnvloed
door:
Vetvrije massa
Geslacht
Lichaamstemperatuur
Leeftijd
Hoeveel je eet
Hoeveel je beweegt
Erfelijke factoren
Endocrien systeem
Energie uit de voeding komt van:
Eiwit
o Voor opbouw, behoud en reparatie van weefsels (alleen in nood voor
brandstof/energie)
Koolhydraten
o Primaire bron van energie
o Opgeslagen als glycogeen in lever en spieren o.i.v. insuline
o Glucose-afhankelijke weefsels: o.a. hersenen, niermerg, rode
bloedcellen, testikels
Vet
o Energievoorraad (bij te weinig koolhydraten)
o Energiebron voor glucose-afhankelijke weefsels (in vorm van
ketonen)
Klinische depletie = ondervoeding door ziekte
Ondervoeding is een acute of chronische toestand waarbij een tekort of
disbalans van energie, eiwit en andere voedingsstoffen leidt tot meetbare,
nadelige effecten op lichaamssamenstelling, functioneren en klinische resultaten.
,De verhoudingen van lichaamssamenstelling is bij iedereen verschillend.
Gemiddeld genomen is het:
Vetmassa: 20-30%
Spiermassa: 35-50%
Extracellulair vocht: 20%
Skelet en bindweefsel: 10-15%
Vetweefsel
VETMASSA
20%-30%
Actieve celmassa:
Spieren, organen,
bloed en
immuunsysteem
35%-50% VETVRIJE MASSA
Extracellulair vocht
20%
Skelet en bindweefsel
10%-15%
Er zijn drie vormen van ondervoeding:
Sarcopenie = spierafbraak bij ouderdom
Cachexie = door ziekte
Wasting = uithongeren
Vetmass VVM BMR Gewicht
a
Sarcopeni (licht) of gelijk
e
Wasting (eerst) (later) (sterk) (langzaam)
Bij Cachexie of (snel)
gelijk
sarcopenie is er sprake van leeftijdgeassocieerd verlies van skeletspiermassa en
functionaliteit. Sarcopenie wordt veroorzaakt door:
Veranderde anabole hormoonspiegels
Verminderde energie- en eiwitinname
Verminderde lichamelijke activiteit
Chronische ziekte
Inflammatie
Insulineresistentie
Primaire sarcopenie: verandering van de verhouding tussen vet en spier
Toename vetmassa
Afname vetvrije massa (spieren) en vocht
(Gewicht kan hetzelfde blijven)
Verlaging van het metabolisme
Komt door ouderdom
Secundaire sarcopenie:
Verandering van de verhouding tussen vet en spier, maar dan niet door
leeftijd
, Bijvoorbeeld ruimtevaarders
Wasting is het verlies van zowel spier- als vetmassa bij een ernstig tekort aan
voeding. Bij wasting gaat de negatieve voedingsbalans eerst met name ten koste
van de vetreserves en pas in een later stadium ook ten koste van de spiermassa.
Primaire wasting:
Anorexia nervosa
Hongerstakers
Secundaire wasting:
Ziekte-gerelateerd:
Door ziekte reageert de hypothalamus anders op orexigene (trek) en
anorexigene (verzadiging) prikkels
T.g.v. behandeling: misselijkheid
Ouderdom-gerelateerd:
Verminderde smaak- en reukzin
Cognitieve achteruitgang
Eenzaamheid/somberheid
Als iemand gaat vasten gebeurd er dit:
Vasten < 24 uur
o Insuline
o In de eerste 24 uur gebruikt het lichaam het nog aanwezige
glycogeen als energiebron
o Glucagon à glycogenolyse à (glycogeen wordt omgezet in
glucose)
o Daarnaast treedt gluconeogenese op (=nieuwvorming van glucose
uit aminozuren, glycerol en melkzuur).
o Naast glucose worden ook vrije vetzuren uit vetweefsel gebruikt als
energiebron.
Vasten >24 uur
o Glycogeenvoorraad is uitgeput
o Primaire bron van energie: vrije vetzuren
Maar, vrije vetzuren kunnen niet door alle organen als
energiebron gebruikt worden (bv. hersenen)
o Secundaire bron van energie: Gluconeogenese (glucose gevormd
uit aminozuren en vetten)
Om te voorkomen dat grote hoeveelheden spiereiwitten
worden omgezet in glucose (gluconeogenese), schakelt het
lichaam een eiwitsparend mechanisme in: de vorming van
ketonlichamen, deze kunnen voor alle organen als
energiebron worden gebruikt
Dit mechanisme wordt in werking gesteld door hormonale
veranderingen (minder insuline, meer glucagon); en hierbij
worden vrije vetzuren in de lever omgezet in ketonlichamen
(-hydroxyboterzuur, acetylazijnzuur, aceton).
Chronisch
o Adaptatie: BMR daalt met 20-25%
o Na uitputting vetmassa, volgt vetvrije massa
Hoorcollege 1 en les 1
De voedingstoestand is de conditie van het lichaam als gevolg van enerzijds
de inneming, absorptie en benutting van voeding en anderzijds van
ziektefactoren.
- Basaalmetabolisme
BMR = Basal metabolic rate is het aantal calorie dat nodig is om het
metabolism te onderhouden dat nodig is voor het dagelijkse
lichaamsonderhoud.
60-70%
- Lichamelijke activiteit
20-35%
- Voeding-geinduceerde thermogenese
TEF = thermic effect of food is de energie dat nodig is
om het voedsel te verteren.
5-10%
Deze schaalverdeling is bij iedereen anders. Dit wordt beïnvloed
door:
Vetvrije massa
Geslacht
Lichaamstemperatuur
Leeftijd
Hoeveel je eet
Hoeveel je beweegt
Erfelijke factoren
Endocrien systeem
Energie uit de voeding komt van:
Eiwit
o Voor opbouw, behoud en reparatie van weefsels (alleen in nood voor
brandstof/energie)
Koolhydraten
o Primaire bron van energie
o Opgeslagen als glycogeen in lever en spieren o.i.v. insuline
o Glucose-afhankelijke weefsels: o.a. hersenen, niermerg, rode
bloedcellen, testikels
Vet
o Energievoorraad (bij te weinig koolhydraten)
o Energiebron voor glucose-afhankelijke weefsels (in vorm van
ketonen)
Klinische depletie = ondervoeding door ziekte
Ondervoeding is een acute of chronische toestand waarbij een tekort of
disbalans van energie, eiwit en andere voedingsstoffen leidt tot meetbare,
nadelige effecten op lichaamssamenstelling, functioneren en klinische resultaten.
,De verhoudingen van lichaamssamenstelling is bij iedereen verschillend.
Gemiddeld genomen is het:
Vetmassa: 20-30%
Spiermassa: 35-50%
Extracellulair vocht: 20%
Skelet en bindweefsel: 10-15%
Vetweefsel
VETMASSA
20%-30%
Actieve celmassa:
Spieren, organen,
bloed en
immuunsysteem
35%-50% VETVRIJE MASSA
Extracellulair vocht
20%
Skelet en bindweefsel
10%-15%
Er zijn drie vormen van ondervoeding:
Sarcopenie = spierafbraak bij ouderdom
Cachexie = door ziekte
Wasting = uithongeren
Vetmass VVM BMR Gewicht
a
Sarcopeni (licht) of gelijk
e
Wasting (eerst) (later) (sterk) (langzaam)
Bij Cachexie of (snel)
gelijk
sarcopenie is er sprake van leeftijdgeassocieerd verlies van skeletspiermassa en
functionaliteit. Sarcopenie wordt veroorzaakt door:
Veranderde anabole hormoonspiegels
Verminderde energie- en eiwitinname
Verminderde lichamelijke activiteit
Chronische ziekte
Inflammatie
Insulineresistentie
Primaire sarcopenie: verandering van de verhouding tussen vet en spier
Toename vetmassa
Afname vetvrije massa (spieren) en vocht
(Gewicht kan hetzelfde blijven)
Verlaging van het metabolisme
Komt door ouderdom
Secundaire sarcopenie:
Verandering van de verhouding tussen vet en spier, maar dan niet door
leeftijd
, Bijvoorbeeld ruimtevaarders
Wasting is het verlies van zowel spier- als vetmassa bij een ernstig tekort aan
voeding. Bij wasting gaat de negatieve voedingsbalans eerst met name ten koste
van de vetreserves en pas in een later stadium ook ten koste van de spiermassa.
Primaire wasting:
Anorexia nervosa
Hongerstakers
Secundaire wasting:
Ziekte-gerelateerd:
Door ziekte reageert de hypothalamus anders op orexigene (trek) en
anorexigene (verzadiging) prikkels
T.g.v. behandeling: misselijkheid
Ouderdom-gerelateerd:
Verminderde smaak- en reukzin
Cognitieve achteruitgang
Eenzaamheid/somberheid
Als iemand gaat vasten gebeurd er dit:
Vasten < 24 uur
o Insuline
o In de eerste 24 uur gebruikt het lichaam het nog aanwezige
glycogeen als energiebron
o Glucagon à glycogenolyse à (glycogeen wordt omgezet in
glucose)
o Daarnaast treedt gluconeogenese op (=nieuwvorming van glucose
uit aminozuren, glycerol en melkzuur).
o Naast glucose worden ook vrije vetzuren uit vetweefsel gebruikt als
energiebron.
Vasten >24 uur
o Glycogeenvoorraad is uitgeput
o Primaire bron van energie: vrije vetzuren
Maar, vrije vetzuren kunnen niet door alle organen als
energiebron gebruikt worden (bv. hersenen)
o Secundaire bron van energie: Gluconeogenese (glucose gevormd
uit aminozuren en vetten)
Om te voorkomen dat grote hoeveelheden spiereiwitten
worden omgezet in glucose (gluconeogenese), schakelt het
lichaam een eiwitsparend mechanisme in: de vorming van
ketonlichamen, deze kunnen voor alle organen als
energiebron worden gebruikt
Dit mechanisme wordt in werking gesteld door hormonale
veranderingen (minder insuline, meer glucagon); en hierbij
worden vrije vetzuren in de lever omgezet in ketonlichamen
(-hydroxyboterzuur, acetylazijnzuur, aceton).
Chronisch
o Adaptatie: BMR daalt met 20-25%
o Na uitputting vetmassa, volgt vetvrije massa