PPO - Hoorcolleges
College 1: Intro
Focus colleges PPO: problemen, behandeling en opvoeding.
Informatie over tentamen; zie slides college 1
Classificatie DSM-5
● Geeft een gemeenschappelijke taal
● Is ontstaan door link tussen theorie, onderzoek en praktijk
● Evidence based
● Gebruikt voor een onderkennende/classificerende diagnose
● Handig voor protocollair werken
● Voorkennis van de DSM is nodig om:
○ Verschijningsvormen problemen te herkennen (klachten/symptomen)
○ Hulpvraag van ouders/leerkracht > willen vaak toch een diagnose
○ Diagnose is niet altijd nodig voor behandeling
○ Belangrijk: houdt oog voor het mens achter de klachten/het label
Evidence based hulpverlening
● Wat werkt, waarvoor en voor wie?
● Randomized controlled trials
● Meta-analyses > hoogste niveau van bewijs
● NJI als databank
Protocollaire behandelingen
● Specifieke interventie > draaiboek wat volledig is uitgewerkt
● Voor hulpverleners is het een duidelijk handvat, voor ouders/kinderen een duidelijk plan
● Van de behandelingen is vaak duidelijk dat ze evidence based zijn
Soorten behandelingen/stromingen
● Gedragstherapie
● CGT
● Oplossingsgericht en clientgericht
● Psychoanalyse
● Systeemtherapie
● Belangrijk om per protocol te bedenken onder welke stroming dit valt, welke theorie zit er
achter
Voorbeeld CGT: zie slide 25
Bij behandeling van problematiek:
● Welke soorten behandelingen/stromingen zijn er
, ● Welke specifieke interventies zijn er per stroming
● Belangrijk: verschillen herkennen in dezelfde soorten behandeling voor verschillende
problematiek
Etiologie en instandhouding van probleem
● = leer van de oorzaken
● Welke factoren spelen (mogelijk!) een rol bij het ontstaan en instandhouden van
problematiek, je kan dit nooit met zekerheid zeggen
● Begrijpen van risico- en beschermende factoren
● Is verandering mogelijk in de verschillende factoren?
● Focus op opvoeding/ouders
● Dit wil je weten om te kunnen bepalen hoe je verandering teweeg kunt brengen
Context van ontwikkeling > bio-ecologisch systeem theorie van Bronfenbrenner > transactioneel
kader > wisselwerking en afstemming
Common assesment framework > kind centraal met behoeftes eromheen, aan welke factoren is
voldaan
Ontwikkeling kind = resultaat van complexe interacties met ouders/brusjes/leerkracht/etc
● Rol van de orthopedagoog om dit te zien
● Focus op ouders maar ook op brusjes/gezin/grootouders/school
● Belangrijk: het systeem is veranderbaar
Zie slide 34 voor overzicht factoren gezinssysteem
Altijd afvragen: welke rol spelen ouders bij het ontstaan en in stand houden van problemen.
● Dit geeft richting aan diagnostiek en behandeling
● Welke opvoedings- en ondersteuningsbehoeften zijn er
Is er een voor ouders bij de behandeling:
● Bewijs voor bh met of zonder ouders verschilt per leeftijdsgroep (bij ,12 betrek je ouders
eigenlijk altijd) en het type behandeling/interventie
● Hoe ziet dit in de praktijk eruit, lukt het ook om ouders te betrekken
● Zie slide 37 voor link naar richtlijn
Genderstereotypering
● Aandacht voor verschillen in problemen en behandeling
● Soms zorgt gender wel voor verschillende uitingen
● Wees je bewust van je eigen stereotypen en je stereotype gedrag
● Onderliggende mechanismen anders?
● Is de behandeleffectiviteit anders als je bijvoorbeeld vader of moeder meeneemt
● Rol diverse ouders in etiologie en behandeling (bv homoseksuele stellen)
Per probleem gaan we leren over:
, 1. Herkennen klachten en klinisch beeld
2. Etiologie
3. Behandelingen, soorten, specifieke interventies, effectiviteit, inhoud
4. Rol ouders bij behandeling
5. Sekseverschillen
6. Transdiagnostische factoren in etiologie en behandeling
Transdiagnostisch werken
● Dimensioneel > kijken met een brede bril
● Diagnose overstijgend
● Gemeenschappelijke factoren als verklaring
● Er is niet altijd één verklaring die één probleem verklaart
● Je kunt zo meer cliëntspecifiek je behandeling kiezen
● Het een hoeft het ander niet uit te sluiten
● Transdiagnostische factoren
● Cognitief
● Emotioneel
● Gedragsmatig
Tip: maak een overzicht in een schema zie slide 56
College 2: Hechting
Hechting = een proces tussen kind en opvoeder, relatie
Kenmerken van opvoeders die van belang zijn voor een gezonde hechting met het kind
- Sensitiviteit: de mate waarin de opvoeder bewust is van de signalen van de baby en, de baby
kan beschouwen als een apart persoon.
- Responsiviteit: de mate waarin de opvoeder adequaat en snel reageert op de signalen van
de baby.
- Mind-mindedness : de mate waarin de opvoeder de gedachten, wensen en emoties van het
kind begrijpt en op een passende manier hierop reageert = voorwaarde om sensitief en
responsief te kunnen zijn
Cirkel van veiligheid > opvoeders moeten een veilige basis bieden en tegelijk kinderen de vrijheid
geven om te exploreren
Hechtingsstoornissen
- DSM-5 (Trauma- and Stressorrelated Disorders), twee afzonderlijke stoornissen
● De reactieve of geremde hechtingsstoornis (RAD):
○ Minimaal contact zoeken of laten troosten door opvoeders wanneer gestrest
○ Persistente verstoring in sociaal-emotionele ontwikkeling
■ Amper sociale en emotionele reacties op anderen
■ Beperkte positieve affect
, ■ Episodes van onverklaarbare geïrriteerdheid, bedroefdheid, angst die
voorkomen tijdens niet-bedreigende interacties met opvoeders
● De ontremd-sociale contactstoornis (DSED):
○ Verminderde of afwezige terughoudendheid in benaderen en omgaan met
onbekende volwassenen
○ Extreem “intiem” fysiek of verbaal contact met onbekende volwassenen, dat niet in
lijn is met leeftijd, cultuur, en sociale grenzen.
○ Houdt geen contact met opvoeders in nieuwe situaties
○ Bereidheid om met onbekende volwassene mee te gaan
○ Erg moeilijk te behandelen! (Zeneah & Gleason, 2015)
● Moet sprake zijn pathogene zorg (verwaarlozing/deprivatie, veel wisselende opvoeders,
opgegroeid in instellingen)
● Gedrag moet zijn ontstaan voor de leeftijd van 5 jaar.
● Kunnen vanaf de leeftijd van 9 maanden vastgesteld worden
● Dit zijn zeldzame stoornissen (bij ernstig getraumatiseerde kinderen < 1 procent van de
kinderen)
Veilige en onveilige gehechtheid
- Gehechtheidsclassificaties:
● Veilige gehechtheidsrelaties (Type B)
● Onveilig - vermijdend (Type A)
● Onveilig - ambivalent (Type C)
● Gedesorganiseerde gehechtheid (Type D)
- Belangrijk:
● Georganiseerde (type B, A, C) vs. Gedesorganiseerde (type D) onveiligheid
- Classificaties volgens Zeanah & Boris (2000) > niet gebaseerd op types
● Geen gehechtheidsrelatie (gehechtheidsstoornis)
● Verstoorde gehechtheidsrelatie (gedesorganiseerde gehechtheid)
● Verbroken gehechtheidsrelatie
Problematische gehechtheid is van toepassing op:
- jeugdigen die onveilig (vermijdend of ambivalent) gehecht zijn aan hun ouders EN bij wie
sprake is van probleemgedrag als gevolg daarvan.
- jeugdigen bij wie de gehechtheidsrelatie gedesorganiseerd of verstoord is.
- jeugdigen bij wie de gehechtheidsrelatie verbroken is en die daarvan nog steeds last hebben.
- reactieve hechtingsstoornis: jeugdigen die met geen enkele volwassene een
gehechtheidsrelatie lijken te hebben opgebouwd.
Risicofactoren
- Kind:
● Moeilijk temperament
● Vroeggeboorte
● Verstandelijke of lichamelijk beperkingen
● Autisme
- In de omgeving:
College 1: Intro
Focus colleges PPO: problemen, behandeling en opvoeding.
Informatie over tentamen; zie slides college 1
Classificatie DSM-5
● Geeft een gemeenschappelijke taal
● Is ontstaan door link tussen theorie, onderzoek en praktijk
● Evidence based
● Gebruikt voor een onderkennende/classificerende diagnose
● Handig voor protocollair werken
● Voorkennis van de DSM is nodig om:
○ Verschijningsvormen problemen te herkennen (klachten/symptomen)
○ Hulpvraag van ouders/leerkracht > willen vaak toch een diagnose
○ Diagnose is niet altijd nodig voor behandeling
○ Belangrijk: houdt oog voor het mens achter de klachten/het label
Evidence based hulpverlening
● Wat werkt, waarvoor en voor wie?
● Randomized controlled trials
● Meta-analyses > hoogste niveau van bewijs
● NJI als databank
Protocollaire behandelingen
● Specifieke interventie > draaiboek wat volledig is uitgewerkt
● Voor hulpverleners is het een duidelijk handvat, voor ouders/kinderen een duidelijk plan
● Van de behandelingen is vaak duidelijk dat ze evidence based zijn
Soorten behandelingen/stromingen
● Gedragstherapie
● CGT
● Oplossingsgericht en clientgericht
● Psychoanalyse
● Systeemtherapie
● Belangrijk om per protocol te bedenken onder welke stroming dit valt, welke theorie zit er
achter
Voorbeeld CGT: zie slide 25
Bij behandeling van problematiek:
● Welke soorten behandelingen/stromingen zijn er
, ● Welke specifieke interventies zijn er per stroming
● Belangrijk: verschillen herkennen in dezelfde soorten behandeling voor verschillende
problematiek
Etiologie en instandhouding van probleem
● = leer van de oorzaken
● Welke factoren spelen (mogelijk!) een rol bij het ontstaan en instandhouden van
problematiek, je kan dit nooit met zekerheid zeggen
● Begrijpen van risico- en beschermende factoren
● Is verandering mogelijk in de verschillende factoren?
● Focus op opvoeding/ouders
● Dit wil je weten om te kunnen bepalen hoe je verandering teweeg kunt brengen
Context van ontwikkeling > bio-ecologisch systeem theorie van Bronfenbrenner > transactioneel
kader > wisselwerking en afstemming
Common assesment framework > kind centraal met behoeftes eromheen, aan welke factoren is
voldaan
Ontwikkeling kind = resultaat van complexe interacties met ouders/brusjes/leerkracht/etc
● Rol van de orthopedagoog om dit te zien
● Focus op ouders maar ook op brusjes/gezin/grootouders/school
● Belangrijk: het systeem is veranderbaar
Zie slide 34 voor overzicht factoren gezinssysteem
Altijd afvragen: welke rol spelen ouders bij het ontstaan en in stand houden van problemen.
● Dit geeft richting aan diagnostiek en behandeling
● Welke opvoedings- en ondersteuningsbehoeften zijn er
Is er een voor ouders bij de behandeling:
● Bewijs voor bh met of zonder ouders verschilt per leeftijdsgroep (bij ,12 betrek je ouders
eigenlijk altijd) en het type behandeling/interventie
● Hoe ziet dit in de praktijk eruit, lukt het ook om ouders te betrekken
● Zie slide 37 voor link naar richtlijn
Genderstereotypering
● Aandacht voor verschillen in problemen en behandeling
● Soms zorgt gender wel voor verschillende uitingen
● Wees je bewust van je eigen stereotypen en je stereotype gedrag
● Onderliggende mechanismen anders?
● Is de behandeleffectiviteit anders als je bijvoorbeeld vader of moeder meeneemt
● Rol diverse ouders in etiologie en behandeling (bv homoseksuele stellen)
Per probleem gaan we leren over:
, 1. Herkennen klachten en klinisch beeld
2. Etiologie
3. Behandelingen, soorten, specifieke interventies, effectiviteit, inhoud
4. Rol ouders bij behandeling
5. Sekseverschillen
6. Transdiagnostische factoren in etiologie en behandeling
Transdiagnostisch werken
● Dimensioneel > kijken met een brede bril
● Diagnose overstijgend
● Gemeenschappelijke factoren als verklaring
● Er is niet altijd één verklaring die één probleem verklaart
● Je kunt zo meer cliëntspecifiek je behandeling kiezen
● Het een hoeft het ander niet uit te sluiten
● Transdiagnostische factoren
● Cognitief
● Emotioneel
● Gedragsmatig
Tip: maak een overzicht in een schema zie slide 56
College 2: Hechting
Hechting = een proces tussen kind en opvoeder, relatie
Kenmerken van opvoeders die van belang zijn voor een gezonde hechting met het kind
- Sensitiviteit: de mate waarin de opvoeder bewust is van de signalen van de baby en, de baby
kan beschouwen als een apart persoon.
- Responsiviteit: de mate waarin de opvoeder adequaat en snel reageert op de signalen van
de baby.
- Mind-mindedness : de mate waarin de opvoeder de gedachten, wensen en emoties van het
kind begrijpt en op een passende manier hierop reageert = voorwaarde om sensitief en
responsief te kunnen zijn
Cirkel van veiligheid > opvoeders moeten een veilige basis bieden en tegelijk kinderen de vrijheid
geven om te exploreren
Hechtingsstoornissen
- DSM-5 (Trauma- and Stressorrelated Disorders), twee afzonderlijke stoornissen
● De reactieve of geremde hechtingsstoornis (RAD):
○ Minimaal contact zoeken of laten troosten door opvoeders wanneer gestrest
○ Persistente verstoring in sociaal-emotionele ontwikkeling
■ Amper sociale en emotionele reacties op anderen
■ Beperkte positieve affect
, ■ Episodes van onverklaarbare geïrriteerdheid, bedroefdheid, angst die
voorkomen tijdens niet-bedreigende interacties met opvoeders
● De ontremd-sociale contactstoornis (DSED):
○ Verminderde of afwezige terughoudendheid in benaderen en omgaan met
onbekende volwassenen
○ Extreem “intiem” fysiek of verbaal contact met onbekende volwassenen, dat niet in
lijn is met leeftijd, cultuur, en sociale grenzen.
○ Houdt geen contact met opvoeders in nieuwe situaties
○ Bereidheid om met onbekende volwassene mee te gaan
○ Erg moeilijk te behandelen! (Zeneah & Gleason, 2015)
● Moet sprake zijn pathogene zorg (verwaarlozing/deprivatie, veel wisselende opvoeders,
opgegroeid in instellingen)
● Gedrag moet zijn ontstaan voor de leeftijd van 5 jaar.
● Kunnen vanaf de leeftijd van 9 maanden vastgesteld worden
● Dit zijn zeldzame stoornissen (bij ernstig getraumatiseerde kinderen < 1 procent van de
kinderen)
Veilige en onveilige gehechtheid
- Gehechtheidsclassificaties:
● Veilige gehechtheidsrelaties (Type B)
● Onveilig - vermijdend (Type A)
● Onveilig - ambivalent (Type C)
● Gedesorganiseerde gehechtheid (Type D)
- Belangrijk:
● Georganiseerde (type B, A, C) vs. Gedesorganiseerde (type D) onveiligheid
- Classificaties volgens Zeanah & Boris (2000) > niet gebaseerd op types
● Geen gehechtheidsrelatie (gehechtheidsstoornis)
● Verstoorde gehechtheidsrelatie (gedesorganiseerde gehechtheid)
● Verbroken gehechtheidsrelatie
Problematische gehechtheid is van toepassing op:
- jeugdigen die onveilig (vermijdend of ambivalent) gehecht zijn aan hun ouders EN bij wie
sprake is van probleemgedrag als gevolg daarvan.
- jeugdigen bij wie de gehechtheidsrelatie gedesorganiseerd of verstoord is.
- jeugdigen bij wie de gehechtheidsrelatie verbroken is en die daarvan nog steeds last hebben.
- reactieve hechtingsstoornis: jeugdigen die met geen enkele volwassene een
gehechtheidsrelatie lijken te hebben opgebouwd.
Risicofactoren
- Kind:
● Moeilijk temperament
● Vroeggeboorte
● Verstandelijke of lichamelijk beperkingen
● Autisme
- In de omgeving: