Ademhalingstelsel
Ademhaling
Gaswisseling
Blz. 118
Bloed is een vloeibaar weefsel (roodgekleurd, stroperige vloeistof), wordt als
een steunweefsel beschouwd, bestaat uit bloedcellen omgeven door vloeibaar
matrix: het bloedplasma. 45% van het bloed bestaat uit bloedcellen en
celfragmenten, rest 55% = bloedplasma.
Bloed= transport, bloedcellen, vocht, warmte, zuurstof en co2 kooldioxide,
hormonen, warmte, antistoffen (afweer), voedingstoffen (natrium, kalium, glorie
etc.)en afvalstoffen.
7,5 % lichaamsgewicht = hoeveelheid bloed in menselijk lichaam. 70 kg, 7,5% =
+/- 5 liter, circulerende bloedvolume.
Bloedplasma: water met opgeloste cellen ZONDER cellen.
Erytrcocyten (rode bloedlichaampjes zuurstof vervoeren),
leukocyten (witte bloedlichaampjes, afweer, immuniteit, ),
trombocyten (bloedplaatjes)
Bloedstolling(bloedplaatjes) = te weinig wit of rooie dan stolling.
Bloedplasma = bloed zonder cellen
Bloedserum = plasma zonder fibrinogeen (stollingeiwit)
BSE= BezinkingsSnelheidErytrocyten = snelheid waarmee rode bloedcellen
(en overige bestanddelen) in het bloed (be) zinken in mm per uur. Verhoogd: >
15 mm na een uur bij mannen of > 20 mm. Na een uur bij vrouwen. Bij
ontsteking vooral veel eiwitten.
Bloedplasma = bestaat 90% uit water, rest uit elektrolyten, plasma eiwiten,
bloedgassen en passageaire stoffen. Blz. 122.
Passageaire stof: voedingstoffen, (glucose, vetzuren en aminozuren) afkomstig uit
het spijsverteringskanaal. Afbraakproducten van de stofwisseling, op weg naar
bijv. de nieren voor verwijdering en hormonen en vitamines (uit de voeding of
aangemaakt in het lichaam)
Functie bloedplasma: transport voedingsstoffen, CO2, afbraakproducten,
vitaminen, hormonen: niet binden aan bloedcellen. Regelen: vochtgehalte,
osmotische druk, zuurgraad, lichaamstemp.
Plasma eiwit= groot aantal eiwitten aanwezig. Taken: Colloid
Osmotische Druk (COD), buffer (pH), reservevoorraad aminozuren.
Plasma-eiwitten door de lever aangemaakt. Plasma eiwit net als de opgeloste
elektrolyten een watermantel om zich heen. Waardoor colloid-osmotische
waarden (COW) veroorzaken. Plasma eiwitten ondersteunen de bufferwerking van
elektrolyten en dragen bij aan de viscositeit (stroperigheid) van het bloed. 3
belangrijk plasma-eiwitten: Albumine, globuline, fibrinogeen.
Albumine: helft van plasma-eiwitten. Colloid Osmotische Druk en bufferende
werking door albumine bewerkstelligd. Globuline: alfa, béta en gamma
globuline. Alfa en bètaglobuline hebben een transportfunctie van voedingstoffen.
Ze kunnen suikers, vetten, ijzer, vitamines, hormonen en agglutininen binden.
Gamma, immunoglobulinen (antistoffen) genoemd, hebben een belangrijke rol bij
afweer van het lichaam. Fibrinogeen: kleinste deel in plasma eiwitten,
essentiële rol bij bloedstolling, stollingseiwit. Bloedplasma fibrinogeen is
verwijderd = bloedserum. Onstolbaar serum wordt gebruikt voor transfusies.
Colloid Osmotische Druk = druk in of om een bloedvat door de aanwezigheid
van eiwitten. Albumine= gemaakt in lever. Hoog COD = hoge concentratie eiwit.
, Laag COD = lag concentratie eiwit. Osmose = water gaat door de vaatwand
(halfdoorlatend membraan) van lage concentratie naar hoge concentratie eiwit.
Doel: evenwicht = gelijke concentratie = heet diffusie.
COD)= aanzuigende kracht van eiwitten op water.
Buffer (ph)
Reservevooraad aminozuren
Osmose en diffusie = passief transport. Diffusie = verspreiding van
moleculen. Stoffen gaan van gebied met hoge concentratie naar gebied met lage
concentratie. Bijv. druppel kleurvloeistof in water geeft kleuring van water
(evenredige verdeling van de kleurstof). Osmose = diffusie van water. Water
verplaatst zich door een semipermeabele membraan om een evenwicht te
realiseren. Stoffen als eiwitten kunnen de membraan niet passeren, water wel.
Theezakje in water/ bruine groene kleur water kleur stof lost nr buiten toe
gelijkmatige verkleuring / deeltjes nr de buitenomgeving= qua kleur diffusie.
Theezakje nr buiten toe, thee zakje opgezet; trekt water aan: osmose.
Theeblaadjes er niet uit; concentratie in theezakje, buiten niets dan verspreid
het; water verplaatsen nr de theezakje, volgelopen met water; water
aangetrokken= cosmolitische druk.
Difusie van verplaatsing van minder nr meer…op zoek nr evenwicht.
Osmose druk= thee zakje aanzettingskracht op het water = osmotische druk.
Vochtgehalte= balans tussen inname en uitscheiding. Intercellulair: 45%
- 36 liter. Extracellulair: in de vaten (plasma, lymfe): 5% - 4 liter. Interstitiele
ruimte (weefselvocht tussen weefsels) 15% - 12 liter.
Notities tijdens de les:
Weefslevocht, bloed nr de cel middels weefselvocht….
Capilair –bij elkaar- groter dan de aders
Eiwitten kunnen niet nr buiten het bloedvat….het trek vocht/ aanzuigende
werking= werkt als druk. Eiwitten naar binnen toe. Via diffusie nr de cel.
Bloeddruk = druk nr buiten toe nr de . afbraakproduduct: ………meloen = orgaan,
bloedvaten eromheen = capilairen= bloed stroom langzaam tot uitwisseling door
nr de organen. Dunne haarvaten nr toe. Perst nr buiten toe. Druk in de slagader,
capilairen zorgt ervoor. Aorta druk bloed op het vat. Kracht naar binnen
toe,elastische toe. Eiwitten zorgt ervoor vocht nr binnen toe= regulatie systeem=
voedingstoffen en afvalstoffen terug in de bloed.
Begin nr buiten gericht aan het eind nr binnen gericht nr de lymfevaten…nr de
sleutelbeenaderen.
diffusie en osmose=Osmotische druk. Voedingstoffen nr het weefsel/vocht-ruimte
tussen de weefsel- meerde cellen zijn weefsel. Actief transport. Celmembraan via
uitwisseling. Uitwisseling als de stoffen zijn opgelost zijn in vocht. Homeostase…
afrika voedingstekort…eiwite te weinig….homeostase …..vocht nr de
weefsels….buiten de bloedbaan is meer dan binnen de eiwit. Vocht gaat juist nr
buiten….
Zout osmotische druk…kristaloiden druk…praktisch== bloeddruk…minder zout
in bloedbaan…juist minder…
Teveel zout in de bloedbaan…zout aantrekkende kracht op vocht; hoeveelheid
bloed neemt toe in de bloedbaan; hoe hoger de druk. Zoutbalans / zout
huishouding reduceren. Osmotische druk neemt dan ook toe. Bovendruk is druk
uitoefent op de bloedbaan= elastiek uit elkaar.
Bovenkant van de cappilair
Uiteinde van de capillair
Evenwicht= homeostase
Ademhaling
Gaswisseling
Blz. 118
Bloed is een vloeibaar weefsel (roodgekleurd, stroperige vloeistof), wordt als
een steunweefsel beschouwd, bestaat uit bloedcellen omgeven door vloeibaar
matrix: het bloedplasma. 45% van het bloed bestaat uit bloedcellen en
celfragmenten, rest 55% = bloedplasma.
Bloed= transport, bloedcellen, vocht, warmte, zuurstof en co2 kooldioxide,
hormonen, warmte, antistoffen (afweer), voedingstoffen (natrium, kalium, glorie
etc.)en afvalstoffen.
7,5 % lichaamsgewicht = hoeveelheid bloed in menselijk lichaam. 70 kg, 7,5% =
+/- 5 liter, circulerende bloedvolume.
Bloedplasma: water met opgeloste cellen ZONDER cellen.
Erytrcocyten (rode bloedlichaampjes zuurstof vervoeren),
leukocyten (witte bloedlichaampjes, afweer, immuniteit, ),
trombocyten (bloedplaatjes)
Bloedstolling(bloedplaatjes) = te weinig wit of rooie dan stolling.
Bloedplasma = bloed zonder cellen
Bloedserum = plasma zonder fibrinogeen (stollingeiwit)
BSE= BezinkingsSnelheidErytrocyten = snelheid waarmee rode bloedcellen
(en overige bestanddelen) in het bloed (be) zinken in mm per uur. Verhoogd: >
15 mm na een uur bij mannen of > 20 mm. Na een uur bij vrouwen. Bij
ontsteking vooral veel eiwitten.
Bloedplasma = bestaat 90% uit water, rest uit elektrolyten, plasma eiwiten,
bloedgassen en passageaire stoffen. Blz. 122.
Passageaire stof: voedingstoffen, (glucose, vetzuren en aminozuren) afkomstig uit
het spijsverteringskanaal. Afbraakproducten van de stofwisseling, op weg naar
bijv. de nieren voor verwijdering en hormonen en vitamines (uit de voeding of
aangemaakt in het lichaam)
Functie bloedplasma: transport voedingsstoffen, CO2, afbraakproducten,
vitaminen, hormonen: niet binden aan bloedcellen. Regelen: vochtgehalte,
osmotische druk, zuurgraad, lichaamstemp.
Plasma eiwit= groot aantal eiwitten aanwezig. Taken: Colloid
Osmotische Druk (COD), buffer (pH), reservevoorraad aminozuren.
Plasma-eiwitten door de lever aangemaakt. Plasma eiwit net als de opgeloste
elektrolyten een watermantel om zich heen. Waardoor colloid-osmotische
waarden (COW) veroorzaken. Plasma eiwitten ondersteunen de bufferwerking van
elektrolyten en dragen bij aan de viscositeit (stroperigheid) van het bloed. 3
belangrijk plasma-eiwitten: Albumine, globuline, fibrinogeen.
Albumine: helft van plasma-eiwitten. Colloid Osmotische Druk en bufferende
werking door albumine bewerkstelligd. Globuline: alfa, béta en gamma
globuline. Alfa en bètaglobuline hebben een transportfunctie van voedingstoffen.
Ze kunnen suikers, vetten, ijzer, vitamines, hormonen en agglutininen binden.
Gamma, immunoglobulinen (antistoffen) genoemd, hebben een belangrijke rol bij
afweer van het lichaam. Fibrinogeen: kleinste deel in plasma eiwitten,
essentiële rol bij bloedstolling, stollingseiwit. Bloedplasma fibrinogeen is
verwijderd = bloedserum. Onstolbaar serum wordt gebruikt voor transfusies.
Colloid Osmotische Druk = druk in of om een bloedvat door de aanwezigheid
van eiwitten. Albumine= gemaakt in lever. Hoog COD = hoge concentratie eiwit.
, Laag COD = lag concentratie eiwit. Osmose = water gaat door de vaatwand
(halfdoorlatend membraan) van lage concentratie naar hoge concentratie eiwit.
Doel: evenwicht = gelijke concentratie = heet diffusie.
COD)= aanzuigende kracht van eiwitten op water.
Buffer (ph)
Reservevooraad aminozuren
Osmose en diffusie = passief transport. Diffusie = verspreiding van
moleculen. Stoffen gaan van gebied met hoge concentratie naar gebied met lage
concentratie. Bijv. druppel kleurvloeistof in water geeft kleuring van water
(evenredige verdeling van de kleurstof). Osmose = diffusie van water. Water
verplaatst zich door een semipermeabele membraan om een evenwicht te
realiseren. Stoffen als eiwitten kunnen de membraan niet passeren, water wel.
Theezakje in water/ bruine groene kleur water kleur stof lost nr buiten toe
gelijkmatige verkleuring / deeltjes nr de buitenomgeving= qua kleur diffusie.
Theezakje nr buiten toe, thee zakje opgezet; trekt water aan: osmose.
Theeblaadjes er niet uit; concentratie in theezakje, buiten niets dan verspreid
het; water verplaatsen nr de theezakje, volgelopen met water; water
aangetrokken= cosmolitische druk.
Difusie van verplaatsing van minder nr meer…op zoek nr evenwicht.
Osmose druk= thee zakje aanzettingskracht op het water = osmotische druk.
Vochtgehalte= balans tussen inname en uitscheiding. Intercellulair: 45%
- 36 liter. Extracellulair: in de vaten (plasma, lymfe): 5% - 4 liter. Interstitiele
ruimte (weefselvocht tussen weefsels) 15% - 12 liter.
Notities tijdens de les:
Weefslevocht, bloed nr de cel middels weefselvocht….
Capilair –bij elkaar- groter dan de aders
Eiwitten kunnen niet nr buiten het bloedvat….het trek vocht/ aanzuigende
werking= werkt als druk. Eiwitten naar binnen toe. Via diffusie nr de cel.
Bloeddruk = druk nr buiten toe nr de . afbraakproduduct: ………meloen = orgaan,
bloedvaten eromheen = capilairen= bloed stroom langzaam tot uitwisseling door
nr de organen. Dunne haarvaten nr toe. Perst nr buiten toe. Druk in de slagader,
capilairen zorgt ervoor. Aorta druk bloed op het vat. Kracht naar binnen
toe,elastische toe. Eiwitten zorgt ervoor vocht nr binnen toe= regulatie systeem=
voedingstoffen en afvalstoffen terug in de bloed.
Begin nr buiten gericht aan het eind nr binnen gericht nr de lymfevaten…nr de
sleutelbeenaderen.
diffusie en osmose=Osmotische druk. Voedingstoffen nr het weefsel/vocht-ruimte
tussen de weefsel- meerde cellen zijn weefsel. Actief transport. Celmembraan via
uitwisseling. Uitwisseling als de stoffen zijn opgelost zijn in vocht. Homeostase…
afrika voedingstekort…eiwite te weinig….homeostase …..vocht nr de
weefsels….buiten de bloedbaan is meer dan binnen de eiwit. Vocht gaat juist nr
buiten….
Zout osmotische druk…kristaloiden druk…praktisch== bloeddruk…minder zout
in bloedbaan…juist minder…
Teveel zout in de bloedbaan…zout aantrekkende kracht op vocht; hoeveelheid
bloed neemt toe in de bloedbaan; hoe hoger de druk. Zoutbalans / zout
huishouding reduceren. Osmotische druk neemt dan ook toe. Bovendruk is druk
uitoefent op de bloedbaan= elastiek uit elkaar.
Bovenkant van de cappilair
Uiteinde van de capillair
Evenwicht= homeostase