§4.1 Genotype en Fenotype
Lichaamscellen = cellen in je lichaam
Chromosoom = dunne draden DNA in de
celkern
Je hebt 46 chromosomen in 1 cel.
Bij celdeling worden eerst de chromosomen
gekopieerd, daarna splitst de cel in tweeën en
krijgt elke dochtercel dezelfde 46 chromosomen.
- Je krijgt de helft (23) van je moeder en de andere helft van je vader
- Zo bevatten alle dochtercellen ook dezelfde info
GENOTYPE
Genotype = in je DNA (DNA voor blauwe ogen)
Gen = stukjes DNA die je eigenschap bevatten (dus bijv. blauwe ogen)
Alle genen in de cel vormen samen het genotype. Dit ontstaat op
het moment van bevruchting.
Genexpressie = het uiten van een gen
- De cel kan genen uit en aan zetten, afhankelijk van welke cel het is
(blauwe ogen gen moet aan voor oogcellen, de rest gaat uit).
- Als een gen tot uiting komt zie je het fenotype
- Het aanzetten van een gen kan hard of zacht staan (hele blauwe of
minder blauwe ogen)
FENOTYPE
Fenotype = wat je ziet aan iemand, maar ook processen in het lichaam.
(blauwe ogen/bloeddruk)
- Je fenotype kan kunstmatig
worden veranderd, maar je
genotype blijft dan hetzelfde (haar
paars verven)
Je fenotype kan worden veranderd door
je omgeving bijvoorbeeld een litteken
krijgen is niet genotypisch.
Fenotype ‘gespierd zijn’ is een
combinatie van: genotype + leefstijl
(trainen)
§4.5 De evolutietheorie
Lichaamscellen = cellen in je lichaam
Chromosoom = dunne draden DNA in de
celkern
Je hebt 46 chromosomen in 1 cel.
Bij celdeling worden eerst de chromosomen
gekopieerd, daarna splitst de cel in tweeën en
krijgt elke dochtercel dezelfde 46 chromosomen.
- Je krijgt de helft (23) van je moeder en de andere helft van je vader
- Zo bevatten alle dochtercellen ook dezelfde info
GENOTYPE
Genotype = in je DNA (DNA voor blauwe ogen)
Gen = stukjes DNA die je eigenschap bevatten (dus bijv. blauwe ogen)
Alle genen in de cel vormen samen het genotype. Dit ontstaat op
het moment van bevruchting.
Genexpressie = het uiten van een gen
- De cel kan genen uit en aan zetten, afhankelijk van welke cel het is
(blauwe ogen gen moet aan voor oogcellen, de rest gaat uit).
- Als een gen tot uiting komt zie je het fenotype
- Het aanzetten van een gen kan hard of zacht staan (hele blauwe of
minder blauwe ogen)
FENOTYPE
Fenotype = wat je ziet aan iemand, maar ook processen in het lichaam.
(blauwe ogen/bloeddruk)
- Je fenotype kan kunstmatig
worden veranderd, maar je
genotype blijft dan hetzelfde (haar
paars verven)
Je fenotype kan worden veranderd door
je omgeving bijvoorbeeld een litteken
krijgen is niet genotypisch.
Fenotype ‘gespierd zijn’ is een
combinatie van: genotype + leefstijl
(trainen)
§4.5 De evolutietheorie