LEERTAAK 1: Begripsverkenning
1. Vermogensrecht/ vermogensrechten
Vermogensrecht: verzamelbegrip: eigendom van lichamelijke zaken + onlichamelijke rechten op
goeden = verbintenissenrecht en goederen recht.
Vermogen: activa en passiva ( schulden en bezittingen ) alle op geld waardeerbare zaken.
Vermogensrechten: overdraagbaar / doel hebben stoffelijk voordeel te verschaffen Art. 3:6 BW
2. Onderscheid tussen objectieve rechten en subjectieve rechten.
Objectieve recht: geheel aan geldende rechts regels in het BW ( 7 )
Goederenrecht en verbintenissen recht
Verbintenissenrecht: rechtsverhouding tussen twee personen. Is subjectief recht.
Goederenrecht: verhouding tussen een persoon en een goed. Art. 5.1 BW eigendom.
Zaken + vermogensrechten 3:1 BW
Dieren zijn geen zaken. Kan wel bijvb met een scheiding als zaak behandeld worden.
Subjectief recht: komt toe aan een iemand komend recht = bevoegd die vloeit voort uit het
objectieve recht.
Vermogensrecht schema:
Vermogensrecht = objectief recht
Subjectief recht
Objectief recht = goederenrecht
verbintenissenrecht
Subjectief recht= absoluut Art. 3:6 BW
relatief
Bronnen van verbintenissen:
ontstaan: als het uit de wet voortvloeit Art. 6:1 BW. De wet is de bron
Rechtsfeit: er komt een rechtsgevolg.
1. Bloot rechtsfeit
2. Rechtshandelingen ( gedraging ) van persoon:
- rechtshandeling Art. 3:33 BW ( wil en verklaring stemmen overheen ) : de wil is gericht op het tot
stand brengen van het rechtsgevolg (Titel 3.2)
- andere gedraging: als je de wil niet hebt.
, Onrechtmatige daad:
Rechtmatige daad:
Rechtshandeling
Eenzijdig: 1 pers:
gericht: bijvb. op stellen van een testament
ongericht
Meerzijdig: 2 personen. Of meer
Om baat: staat iets tegen over
Om niet: gratis, dus je geeft er niks voor terug
Absolute rechten: rechten die tegen over iedereen werken, eigendom. Meest omvattende recht.
Relatieve rechten: Voornamelijk verbintenissenrecht.
Overeenkomst: word gesloten tussen twee personen. Meerzijdige rechtshandeling Art. 6: 213
1. Wederkerige: over en weer, rechten en plichten. Beide partijen
2. Niet – wederkerige: niet over en weer.
Aanbod en aanvaarding Art. 6:217 BW
Vrijblijvend aanbod: blijft het zelfde Art. 6:219 BW
Aanbod: is concreet. Moet voortvloeien uit de verklaring. Specifiek naar een persoon gericht.
Verval van een aanbod: Art 2:20 tm Art. 2:25 BW
Aanbod blijft gelden ook na de dood Art. 6:222 BW
Aanbod is een gerichte verklaring tot een bepaald persoon lid 3
Een aanbod wat is vervallen kan niet meer worden aanvaard.
Wil en verklaring: Art. 3:37 BW
Art. 3:33 BW aanbod en aanvaarding
1. Overeenkomst Art. 6:213
Aanbod en aanvaarding
2. Wil en verklaring Art. 3:33 BW
- Psychische stoornis Art. 3:34 BW
- Gerechtvaardigd vertrouwen: Art. 3:35 BW
- aanvaardbaar R+B 3:36 BW
1. Rechtsvraag: is de verplichting van de gemeente om een verharde weg aan te leggen
overgegaan op de vastgoedonderneming?
1. Vermogensrecht/ vermogensrechten
Vermogensrecht: verzamelbegrip: eigendom van lichamelijke zaken + onlichamelijke rechten op
goeden = verbintenissenrecht en goederen recht.
Vermogen: activa en passiva ( schulden en bezittingen ) alle op geld waardeerbare zaken.
Vermogensrechten: overdraagbaar / doel hebben stoffelijk voordeel te verschaffen Art. 3:6 BW
2. Onderscheid tussen objectieve rechten en subjectieve rechten.
Objectieve recht: geheel aan geldende rechts regels in het BW ( 7 )
Goederenrecht en verbintenissen recht
Verbintenissenrecht: rechtsverhouding tussen twee personen. Is subjectief recht.
Goederenrecht: verhouding tussen een persoon en een goed. Art. 5.1 BW eigendom.
Zaken + vermogensrechten 3:1 BW
Dieren zijn geen zaken. Kan wel bijvb met een scheiding als zaak behandeld worden.
Subjectief recht: komt toe aan een iemand komend recht = bevoegd die vloeit voort uit het
objectieve recht.
Vermogensrecht schema:
Vermogensrecht = objectief recht
Subjectief recht
Objectief recht = goederenrecht
verbintenissenrecht
Subjectief recht= absoluut Art. 3:6 BW
relatief
Bronnen van verbintenissen:
ontstaan: als het uit de wet voortvloeit Art. 6:1 BW. De wet is de bron
Rechtsfeit: er komt een rechtsgevolg.
1. Bloot rechtsfeit
2. Rechtshandelingen ( gedraging ) van persoon:
- rechtshandeling Art. 3:33 BW ( wil en verklaring stemmen overheen ) : de wil is gericht op het tot
stand brengen van het rechtsgevolg (Titel 3.2)
- andere gedraging: als je de wil niet hebt.
, Onrechtmatige daad:
Rechtmatige daad:
Rechtshandeling
Eenzijdig: 1 pers:
gericht: bijvb. op stellen van een testament
ongericht
Meerzijdig: 2 personen. Of meer
Om baat: staat iets tegen over
Om niet: gratis, dus je geeft er niks voor terug
Absolute rechten: rechten die tegen over iedereen werken, eigendom. Meest omvattende recht.
Relatieve rechten: Voornamelijk verbintenissenrecht.
Overeenkomst: word gesloten tussen twee personen. Meerzijdige rechtshandeling Art. 6: 213
1. Wederkerige: over en weer, rechten en plichten. Beide partijen
2. Niet – wederkerige: niet over en weer.
Aanbod en aanvaarding Art. 6:217 BW
Vrijblijvend aanbod: blijft het zelfde Art. 6:219 BW
Aanbod: is concreet. Moet voortvloeien uit de verklaring. Specifiek naar een persoon gericht.
Verval van een aanbod: Art 2:20 tm Art. 2:25 BW
Aanbod blijft gelden ook na de dood Art. 6:222 BW
Aanbod is een gerichte verklaring tot een bepaald persoon lid 3
Een aanbod wat is vervallen kan niet meer worden aanvaard.
Wil en verklaring: Art. 3:37 BW
Art. 3:33 BW aanbod en aanvaarding
1. Overeenkomst Art. 6:213
Aanbod en aanvaarding
2. Wil en verklaring Art. 3:33 BW
- Psychische stoornis Art. 3:34 BW
- Gerechtvaardigd vertrouwen: Art. 3:35 BW
- aanvaardbaar R+B 3:36 BW
1. Rechtsvraag: is de verplichting van de gemeente om een verharde weg aan te leggen
overgegaan op de vastgoedonderneming?