SAMENVATTING WELZIJN
ENBO-GWWELH1.X.23
D.S
,Inhoudsopgave
Sociologie....................................................................................................................................................2
Sociologie 1..............................................................................................................................................2
Sociologie 2:.............................................................................................................................................5
Sociologie 3..............................................................................................................................................9
Sociologie 4............................................................................................................................................11
Sociologie 5............................................................................................................................................13
Sociologie, aantekeningen uit de les......................................................................................................14
Sociologie 1:.......................................................................................................................................14
Sociologie 2:.......................................................................................................................................15
Sociologie 3, 4, 5................................................................................................................................16
Groepsdynamica........................................................................................................................................19
Groepsdynamica 1: groepsvorming.......................................................................................................19
Groepsdynamcia 2: communicatie........................................................................................................22
Groepsdynamicia 3: samenwerken........................................................................................................25
Groepsdynamica 4: conflicten...............................................................................................................29
Groepsdynamica 5: leiderschap.............................................................................................................32
Groepsdynamica 6: feedback.................................................................................................................36
Groepsdynamica: aantekeningen uit de les:..........................................................................................39
1: groepsvorming...............................................................................................................................39
2: communicatie................................................................................................................................40
3: samenwerken in groepen..............................................................................................................41
Kinder- en jeugdpsychiatrie.......................................................................................................................46
Kinder- en jeugdpsychiatrie 1: gedragsstoornis en gedragsproblemen.................................................46
Kinder-en jeugdpsychiatrie 2: ADHD......................................................................................................48
Kinder- en jeugdpsychiatrie 3: ASS........................................................................................................52
Kinder- en jeugdpsychiatrie 4: ODD en Norm-overschrijdend gedragsstoornis.....................................55
Kinder- en jeugdpsychiatrie 5: hechtingsstoornis..................................................................................58
Gezond gedrag...........................................................................................................................................62
Gezond gedrag 1....................................................................................................................................62
Gezond gedrag 2....................................................................................................................................66
Gezond gedrag 3....................................................................................................................................71
1
, Gezond gedrag 4....................................................................................................................................74
Gezond gedrag 5....................................................................................................................................75
Gezond gedrag 6....................................................................................................................................77
Sociologie
Sociologie 1.
Wat is sociologie?
Sociologie zegt dat er geen scheiding is tussen individu en maatschappij. De maatschappij dat ben jij. Er
is interactie tussen verschillende individuen.
Al ons gedrag is sociaal georiënteerd.
De student:
Verklaart wat verbondenheid is vanuit sociologisch perspectief
Zonder elkaar kun je niet leven, je kunt netwerken door verwantschapsrelaties. Verworven relaties bijv:
je klas, indirecte verbinding.
4 basale sociologische vragen:
- solidariteit: Wie hoort bij wie?
- hiërachie: wie staat boven wie?
- arbeid: wie werkt voor wie?
- bezit: wat is van wie?
Belangrijk uitgangspunt in de sociologie: mensen hebben elkaar nodig (interdependentie)
- interdependentie is een gegeven
- netwerk
- sociologie bestudeert mensen in de samenlevingsverbanden die zij met elkaar vormen:
- ontstaan
- werking
- verandering
Interdependentie is onderlinge afhankelijkheid of samenhang. Bij sociale interdependentie zijn mensen
op elkaar aangewezen. Bij staten is er sprake van interdependentie als beide tegelijk van elkaar
afhankelijk zijn.
Verklaart de volgende begrippen:
Fysieke bestaansvoorwaarden: (geen sociologie)
zuurstof, omgevingstemperatuur.
Fysieke bestaansvoorwaarden zijn bestaansvoorwaarden die gelden voor bijna alle levende wezens.
Sociale bestaansvoorwaarden: (wel sociologie)
bestaansvoorwaarden die mensen afhankelijk maken voor hun medemensen:
- voedsel
2
, - beschutting (kleding en huisvestiging
- bescherming (voor roofdieren, dieven etc. samenwerken en conflict)
- affectie (liefde, knuffel, ergens bijhoren)
- kennis (praten, eten, aankleden, kennis doe je op door anderen nadoen of docent)
- sturing (zelfsturing, beheersing, aan gedragsregels houden)
Afhankelijkheidspatroon van een samenleving:
een samenstel van mensen.
Die samenleving bestaat voort, ook als er mensen sterven of vertrekken. Maar een samenleving kan niet
voortbestaan als de afhankelijkheidspatronen uiteenvallen of als daar niet telkens nieuwe mensen in
worden opgenomen.
Mensen hebben elkaar nodig -> voeding, beschutting, bescherming, affectie, kennis en (zelf)sturing. Elk
van die voorwaarden hangt samen met bepaalde vormen van afhankelijkheid.
Soorten netwerken:
- boomnetwerk (stamboom)
elkaar opbellen bij lesuitval. Iedereen krijgt dezelfde boodschap maar niet iedereen is met elkaar
verbonden.
- hiërarchie netwerken
bestaat uit het kleinste aantal verbindingen dat juist voldoende is om alle knooppunten te verbinden,
niet rechtstreeks maar via via.
- wielnetwerk
een spil in een netwerk met verbinding naar alle knooppunten. Een hiërarchie netwerk met 2 lagen.
- volledig verbonden elektronische netwerk
sociaal media, met alle anderen tegelijk communiceren. Boerensamenleving, voedselvoorziening, gezin
moet in eigen voorziening voorzien
- geldeconomie
een groot netwerk waarin we elkaar nodig zijn (voedsel van boeren gaat eerst naar de groothandel, dan
winkelier en uiteindelijk huishouden)
Rollen:
verwachtingen. Zo doen mensen nu eenmaal. Het samenspel van verwachtingen die in de samenleving
gelden ten opzichte van iemand in een bepaalde positie bijv: moederrol, leidersrol, serveerster.
Wie een rol vervult weet zelf welke verwachtingen samenhangen.
Thomas-regel:
als mensen verwachten dat er iets gebeurt, dan hebben die verwachtingen gevolgen voor wat er
gebeurd bij: in de krant staat dat pindakaas bijna is uitverkocht en moeilijk te verkrijgen is. Mensen gaan
allemaal hamsteren & de pindakaas raakt inderdaad op.
- onze interpretatie van de werkelijkheid bepaalt ons handelen.
Blinde-processen:
het resultaat van menselijke handelingen die berusten op verwachtingen over de handelingen van
anderen maar het uiteindelijke resultaat is vaak door niemand verwacht of bedoeld.
Ons onderlinge afhankelijkheid reikt verder dan dat we kunnen overzien. Ons handelen heeft dan ook
gevolgen die we niet voor ogen hadden.
3