CGO Samenvatting
Het balansmodel kan in kaart brengen hoe het gaat bij een gezin. Er wordt een
afweging gemaakt tussen een draagkracht en draaglast.
Zelfmanagement zodanig omgaan met de chronische aandoening. De
symptomen, behandeling, lichamelijke, psychische en sociale consequenties en de
bijbehorende aanpassingen in leefstijl dat de aandoening optimaal wordt ingepast in
het leven.
Zelfmanagement bevorderen
o Zorgstandaarden: deze gaan uit van shared decision making medische
beslissingen worden in samenspraak genomen
o Nieuwe rolverdeling: zorgvrager krijgt meer verantwoordelijkheid en
zeggenschap. Rol van zorgverlener verschuift meer naar coachend
o Gezamenlijke aanpak: wensen en verwachtingen van de patiënt staan
centraal
o Concrete doelen
o Kennis delen: zorgverlener heeft medische kennis, patiënt heeft eigen
ervaringen
Zelfregie coördineren of organiseren van het eigen leven met als doel een goed
leven in eigen ogen
Zelfredzaamheid vermogen van mensen om zichzelf te redden met zo min
mogelijk hulp
5A model
Achterhalen: nodig de patiënt uit ervaringen en behoeften te benoemen
Adviseren: verklaar de bevindingen van de patiënt en geef informatie op maat
Afspreken: help de patiënt zelf haalbare doelen te stellen en kom tot gedeelde
besluitvorming
Assisteren: bij het omgaan met persoonlijke barrières en inventariseer behoefte aan
extra ondersteuning
Arrangeren: maak samen een specifiek plan voor (vervolg) ondersteuning
Hechting -> Duurzame affectieve relatie tussen een kind en een of meer opvoeders
Veilig gehechte kinderen zullen in periodes van stress de nabijheid zoeken aan de
personen aan wie zij zijn gehecht
Angstig-vermijdende hechting -> tonen geen emotie bij ouders, zijn zelfstandig
Angstig-ambivalente hechting-> zijn niet te troosten als ouders weg zijn
Gedesorganiseerde hechting -> menging van beide
Sensitief reageren, continuïteit en je inleven in de kinderen is belangrijk voor een
veilige hechting
,5 factoren die van invloed kunnen zijn op de hechting
o Ouders (verslaving, tienermoeder, verstandelijk beperkt)
o Kind (beperkt, huilbaby’s)
o Zwangerschap (ongepland, ongewild)
o Omgeving (schulden, werkloosheid, lage SES)
o Traumata (oorlog, verlies dierbare)
Model van Gordon
1. Patroon van gezondheidsbeleving en -instandhouding -> wat de patiënt van
zijn gezondheid en welzijn vindt en hoe hij voor zijn gezondheid zorgt.
2. Voeding/stofwisselingspatroon -> inname van vocht en voedsel in verhouding
tot de fysiologische behoeften. Ook de toestand van de huid, haar, nagels,
slijmvliezen, en gebit en lichaamstemperatuur, lengte en gewicht.
3. Uitscheidingspatroon -> uitscheidingsfunctie van darmen, blaas en huid. De
subjectief beleefde regelmaat van de uitscheiding. Gebruik van
laxeermiddelen en hulpmiddelen (katheter, stoma).
4. Activiteitenpatroon -> geheel van lichaamsbeweging, activiteiten, ontspanning,
recreatie en vrijetijdsbesteding
5. Slaap/rustpatroon -> patroon van perioden van slaap, rust en ontspanning
verspreid over het etmaal. Subjectieve beleving van de kwaliteit en kwantiteit
van slaap, de hoeveelheid energie en hulpmiddelen bij het slapen.
6. Cognitiepatroon -> waarnemen, informatie verwerken, leren en denken.
Adequaatheid van zintuigen en omgaan met pijn.
7. Zelfbelevingspatroon -> wijze waarop iemand zichzelf ziet (zelfbeeld, identiteit,
algehele patroon van emoties). Lichaamshouding, motoriek, oogcontact, stem
en spraak maken deel uit van dit patroon.
8. Rollen/relatiespatroon -> de belangrijkste rollen en verantwoordelijkheden van
de patient in zijn huidige levenssituatie en zijn familie-, gezins-, werk- en
sociale relaties met de bijbehorende verantwoordelijkheden.
9. Seksualiteit/voortplantingspatroon -> de seksuele relaties,
seksualiteitsbeleving en het voortplantingspatroon
10. Stressverwerkingspatroon -> wijze waarop iemand met problemen en stress
omgaat.
11. Waarden/overtuigingenpatroon-> de waarden, normen, doelstellingen en
overtuigingen waarop iemand zijn keuzes en beslissingen baseert.
(godsdienst)
SMART: bij verpleegdoel: aantoonbaar gedrag
Specifiek
Meetbaar
Acceptabel
Realistisch
Tijdsgebonden
, Borstvoeding
Voordelen
o Optimale voedingswaarde
o Samenstelling is aangepast aan (leeftijd) kind
o Schept speciale band
o Altijd bij de hand, goedkoop
o Minder kans op botontkalking en premenopauzale borstkanker moeder
o Bevat afweerstoffen, waardoor minder kans op infecties, allergieën en ziektes
Nadelen
o Alleen moeder kan borstvoeding geven, vermoeiend, moeilijk combineren met
werk
o Veel van wat moeder nuttigt komt ook in de borstvoeding (alcohol, medicijnen)
o Onduidelijk hoeveel de baby heeft gedronken
Borstvoeding laten slagen
o Baby binnen 2 uur aanleggen
o 8-12 voedingen per 24 uur geven de eerste paar weken
o Voeden op verzoek
o Geen bijvoeding
o Geen fopspeen
o Baby laat vanzelf los, geen tijdslimiet
Voeding kind
o Na 6 maanden beginnen met bijvoeding en borstvoeding afbouwen
o Groente, fruit, aardappel, rijst
o Na 7 maanden eiwitrijk voedsel toevoegen (vis, vlees, ei, peulvruchten)
en beginnen met brood en pap
o Na 8 maanden drinken uit een beker
o Na 1 jaar 3 hoofdvoedingen (pap, brood, warme maaltijd) en 2 tussendoortjes
Klinisch redeneren
Benaderingen
o Intuïtief: vanuit de intuïtie worden conclusies getrokken en pas achteraf
beargumenteerd
o Psychologie van het redeneren: er wordt gebruik gemaakt van op
ervaringskennis gebaseerde cognitieve strategieën (klinische blik, gezond
verstand, vuistregel) om sneller tot een conclusie te komen
o Analytisch: eerst gegevens verzamelen, vervolgens analyseren en daarna
conclusies trekken
Het balansmodel kan in kaart brengen hoe het gaat bij een gezin. Er wordt een
afweging gemaakt tussen een draagkracht en draaglast.
Zelfmanagement zodanig omgaan met de chronische aandoening. De
symptomen, behandeling, lichamelijke, psychische en sociale consequenties en de
bijbehorende aanpassingen in leefstijl dat de aandoening optimaal wordt ingepast in
het leven.
Zelfmanagement bevorderen
o Zorgstandaarden: deze gaan uit van shared decision making medische
beslissingen worden in samenspraak genomen
o Nieuwe rolverdeling: zorgvrager krijgt meer verantwoordelijkheid en
zeggenschap. Rol van zorgverlener verschuift meer naar coachend
o Gezamenlijke aanpak: wensen en verwachtingen van de patiënt staan
centraal
o Concrete doelen
o Kennis delen: zorgverlener heeft medische kennis, patiënt heeft eigen
ervaringen
Zelfregie coördineren of organiseren van het eigen leven met als doel een goed
leven in eigen ogen
Zelfredzaamheid vermogen van mensen om zichzelf te redden met zo min
mogelijk hulp
5A model
Achterhalen: nodig de patiënt uit ervaringen en behoeften te benoemen
Adviseren: verklaar de bevindingen van de patiënt en geef informatie op maat
Afspreken: help de patiënt zelf haalbare doelen te stellen en kom tot gedeelde
besluitvorming
Assisteren: bij het omgaan met persoonlijke barrières en inventariseer behoefte aan
extra ondersteuning
Arrangeren: maak samen een specifiek plan voor (vervolg) ondersteuning
Hechting -> Duurzame affectieve relatie tussen een kind en een of meer opvoeders
Veilig gehechte kinderen zullen in periodes van stress de nabijheid zoeken aan de
personen aan wie zij zijn gehecht
Angstig-vermijdende hechting -> tonen geen emotie bij ouders, zijn zelfstandig
Angstig-ambivalente hechting-> zijn niet te troosten als ouders weg zijn
Gedesorganiseerde hechting -> menging van beide
Sensitief reageren, continuïteit en je inleven in de kinderen is belangrijk voor een
veilige hechting
,5 factoren die van invloed kunnen zijn op de hechting
o Ouders (verslaving, tienermoeder, verstandelijk beperkt)
o Kind (beperkt, huilbaby’s)
o Zwangerschap (ongepland, ongewild)
o Omgeving (schulden, werkloosheid, lage SES)
o Traumata (oorlog, verlies dierbare)
Model van Gordon
1. Patroon van gezondheidsbeleving en -instandhouding -> wat de patiënt van
zijn gezondheid en welzijn vindt en hoe hij voor zijn gezondheid zorgt.
2. Voeding/stofwisselingspatroon -> inname van vocht en voedsel in verhouding
tot de fysiologische behoeften. Ook de toestand van de huid, haar, nagels,
slijmvliezen, en gebit en lichaamstemperatuur, lengte en gewicht.
3. Uitscheidingspatroon -> uitscheidingsfunctie van darmen, blaas en huid. De
subjectief beleefde regelmaat van de uitscheiding. Gebruik van
laxeermiddelen en hulpmiddelen (katheter, stoma).
4. Activiteitenpatroon -> geheel van lichaamsbeweging, activiteiten, ontspanning,
recreatie en vrijetijdsbesteding
5. Slaap/rustpatroon -> patroon van perioden van slaap, rust en ontspanning
verspreid over het etmaal. Subjectieve beleving van de kwaliteit en kwantiteit
van slaap, de hoeveelheid energie en hulpmiddelen bij het slapen.
6. Cognitiepatroon -> waarnemen, informatie verwerken, leren en denken.
Adequaatheid van zintuigen en omgaan met pijn.
7. Zelfbelevingspatroon -> wijze waarop iemand zichzelf ziet (zelfbeeld, identiteit,
algehele patroon van emoties). Lichaamshouding, motoriek, oogcontact, stem
en spraak maken deel uit van dit patroon.
8. Rollen/relatiespatroon -> de belangrijkste rollen en verantwoordelijkheden van
de patient in zijn huidige levenssituatie en zijn familie-, gezins-, werk- en
sociale relaties met de bijbehorende verantwoordelijkheden.
9. Seksualiteit/voortplantingspatroon -> de seksuele relaties,
seksualiteitsbeleving en het voortplantingspatroon
10. Stressverwerkingspatroon -> wijze waarop iemand met problemen en stress
omgaat.
11. Waarden/overtuigingenpatroon-> de waarden, normen, doelstellingen en
overtuigingen waarop iemand zijn keuzes en beslissingen baseert.
(godsdienst)
SMART: bij verpleegdoel: aantoonbaar gedrag
Specifiek
Meetbaar
Acceptabel
Realistisch
Tijdsgebonden
, Borstvoeding
Voordelen
o Optimale voedingswaarde
o Samenstelling is aangepast aan (leeftijd) kind
o Schept speciale band
o Altijd bij de hand, goedkoop
o Minder kans op botontkalking en premenopauzale borstkanker moeder
o Bevat afweerstoffen, waardoor minder kans op infecties, allergieën en ziektes
Nadelen
o Alleen moeder kan borstvoeding geven, vermoeiend, moeilijk combineren met
werk
o Veel van wat moeder nuttigt komt ook in de borstvoeding (alcohol, medicijnen)
o Onduidelijk hoeveel de baby heeft gedronken
Borstvoeding laten slagen
o Baby binnen 2 uur aanleggen
o 8-12 voedingen per 24 uur geven de eerste paar weken
o Voeden op verzoek
o Geen bijvoeding
o Geen fopspeen
o Baby laat vanzelf los, geen tijdslimiet
Voeding kind
o Na 6 maanden beginnen met bijvoeding en borstvoeding afbouwen
o Groente, fruit, aardappel, rijst
o Na 7 maanden eiwitrijk voedsel toevoegen (vis, vlees, ei, peulvruchten)
en beginnen met brood en pap
o Na 8 maanden drinken uit een beker
o Na 1 jaar 3 hoofdvoedingen (pap, brood, warme maaltijd) en 2 tussendoortjes
Klinisch redeneren
Benaderingen
o Intuïtief: vanuit de intuïtie worden conclusies getrokken en pas achteraf
beargumenteerd
o Psychologie van het redeneren: er wordt gebruik gemaakt van op
ervaringskennis gebaseerde cognitieve strategieën (klinische blik, gezond
verstand, vuistregel) om sneller tot een conclusie te komen
o Analytisch: eerst gegevens verzamelen, vervolgens analyseren en daarna
conclusies trekken