Paragraph 1 – How does group membership afecc people?
Sociale psychologie houdt zich bezig met hoe mensen de gedachten, gevoelens en actes van anderen
beïnvloeden.
Mensen hebben een allesoverheersende motvate om bii de groep te passen. Deze behoefe aan
interpersoonliike gehechtheid is een fundamenteel motef dat zich heef ontwikkeld voor adapteve
doeleinden. Groepslidmaatschap brengt echter ook uitdagingen met zich mee, zoals het uitzoeken
hoe ie een goed groepslid kunt ziin. De ‘social brain hypothesis’ plaatst dergeliike uitdagingen in de
context van hersengroote. De theorie zegt dat de groote van de standaard sociale groep van een
primaatsoort gerelateerd is aan het volume van de neocortex van die soort.
In de loop van de menseliike evolute was het voor groepen van cruciaal belang om andere groepen
als vrienden of viianden te identiceren. De ingroup is de groep waar mensen tot behoren en een
outgroup is een groep waar mensen niet tot behoren. Bii groepsvorming liiken 2 voorwaarden
cruciaal te ziin:
- Wederkerigheid Wat ie doet/geef voor/aan iemand, kriig ie ook terug van hem/haar
- Transiviteit Het delen van de mening van vrienden over andere mensen
Zodra mensen anderen categoriseren als ingroup of outgroup leden, behandelen ze hen ook op die
manier. Dankzii het outgroup homogeniteit efect ziin mensen geneigd om outgroup leden als
minder gevarieerd te bsechouwen dan ingroup leden. Een gevolg van het categoriseren van mensen
als ingroup of outgroup leden is het ‘ingroup favoritsm’: de neiging van mensen om leden van de
ingroup gunstger te beoordelen en meer voorrecht te geven dan leden van de outgroup. Vrouwen
vertonen een veel sterkere automatsche ingroup voorkeur voor andere vrouwen dan mannen voor
andere mannen.
Groepslidmaatschappen vormen een belangriik onderdeel van sociale identteiten en dragen bii aan
het algemene gevoel van eigenwaarde van elk groepslid. Volgens de sociale identteitstheorie bestaat
een ingroup uit individuen die zichzelf beschouwen als leden van dezelfde sociale categorie. Inherent
aan deze theorie is het idee dat mensen de groepen waarderen waarmee ze zichzelf identiceren en
daar ook trots op ziin.
Om een goed groepslid te ziin moeten mensen kunnen begriipen wat andere groepsleden denken en
vooral oe anderen over hen denken. Het middelste deel van de prefrontale cortex, de mediale
prefrontale cortex genoemd, is belangriik voor het denken over andere mensen. Dit gedeelte van de
hersenen is minder actef bii het beschouwen van (extreme) outgroup leden dan bii het beschouwen
van ingroup leden. Een verklaring hiervoor is dat mensen sommige outgroup leden ‘ontmenseliiken’.
Mensen zien de menseliike geest eerder in ingroup leden dan in outgroup leden.
Gezien het belang van groepen is het niet verassend dat de gedachten, emotes en actes van mensen
heel sterk worden beïnvloed door hun verlangen om een goed groepslid te ziin. De belangriikste les
uit de sociale psychologie is dan ook dat de kracht van de sociale situate veel groter is dan mensen
denken. Sociale facilitate is het idee dat de aanwezigheid van anderen over het algemeen de
prestates verbetert. robert Zaionc (1965) stelde een model van sociale facilitate voor met 3
basisstappen. Volgens dit model leidt de aanwezigheid van anderen tot verhoogde opwinding. Die
opwinding bevordert de dominante respons (de reacte die hoogstwaarschiinliik wordt uitgevoerd in
de situate). Als de vereiste reacte makkeliik is of goed beheerst wordt, worden de prestates
, verbeterd. Als de vereiste reacte moeiliik is of nog niet goed beheerst wordt, vermindert de
prestate.
Mensen verliezen soms hun individualiteit wanneer ze deel gaan uitmaken van een groep.
Deïndividuate is een toestand van verminderde individualiteit en een verminderd zelbewustziin,
waardoor mensen minder aandacht schenken aan hun persoonliike normen en waarden.
Gedeïndividuaeerde mensen doen vaak dingen die ze niet zouden doen als ze zelbewust of alleen
waren geweest. Mensen zullen vooral gedeïndividuaeerd raken in een groep als ze opgewonden en
anoniem ziin en als de verantwoordeliikheid is verdeeld over de groepsleden.
Sociale psychologen hebben onderzocht dat deel uitmaken van een groep het maken van keuzes op
verschillende manieren beïnvloedt. In 1960 vond James Stoner uit dat groepen vaak risicovollere
keuzes maken dan individuen het risky-shif efect.
Soms worden groepen iuist voorzichtger als een aantal leden een beetie voorzichtg ziin. Groep
polarisate is het proces waarbii initile houdingen van groepsleden er in de loop van de tid voor
zorgen dat de groepshouding extremer wordt.
Soms ziin groepsleden vooral bezig met het handhaven van de samenhang van de groep. Daarom kan
de groep, omwille van de gemoedstoestand een slechte beslissing nemen. In 1972 bedacht Irving
James de term ‘groupthink’ hiervoor: de neiging van groepen om slechte beslissingen te nemen
wanneer de groep onder druk staat, geconfronteerd wordt met extreme dreigingen of
bevooroordeeld is.
Social loaing (sociale lef) is de neiging van mensen om minder hard te werken wanneer ze deel
uitmaken van een groep dan wanneer ze alleen werken. Dit komt voor wanneer de inspanningen
van mensen worden samengevoegd, waardoor individuen zich niet persoonliik verantwoordeliik
voelen voor de output van de groep.
Een andere krachtge vorm van sociale invloed is conformiteit: de verandering van iemands gedrag of
mening zodat het overeenkomt met het gedrag/de mening van andere mensen of zodat het
overeenkomt met de verwachtngen van mensen. Sociale psychologen hebben twee primaire
redenen geïdenticeerd waardoor mensen zich conformeren:
- Normateve invloed: de neiging van mensen om met de menigte mee te gaan (zich te
conformeren) zodat ze in de groep passen. Normateve invloed is afankeliik van de
maatschappeliike behoefe aan regels. Verwachte standaarden van gedrag worden sociale
normen genoemd. Deze normen beïnvloeden gedrag op meerdere manieren. Normateve
invloed werkt omdat mensen zich schamen als ze de sociale normen schenden en ze zich
zorgen maken over wat anderen van hen denken.
- Informateve invloed: de neiging van mensen om zich te conformeren aan de groep wanneer
ze aannemen dat het gedrag van anderen de iuiste manier is om te reageren.
Uit een onderzoek van Solomon Asch (1955), waarin gevraagd werd welke liin qua lengte
overeenkwam met de referente liin, is gebleken dat mensen de neiging hebben om zich aan sociale
normen te houden, zelfs als die normen duideliik verkeerd ziin. Mensen conformeerden zich omdat
ze niet dom wilden liiken door tegen de groep in te gaan. De bevinden van dit onderzoek ziin te
wiiten aan normateve invloed. In een daaropvolgende reeks van onderzoeken identiceerde Asch
factoren die de kansen op conformiteit verminderen. Eén factor is groepsgroote. Als er slechts een
of twee anderen aanwezig ziin, conformeert een naïeve deelnemer zich meestal niet aan hen.
Wanneer er echter drie of meer anderen aanwezigen ziin, is de kans groter dat de deelnemer zich
conformeert. Conformiteit liikt op een bepaald punt af te vlakken. Onderzoek heef uitgewezen dat
groepen van 16 mensen niet tot meer conformiteit leiden dan groepen van 7 mensen. Gebrek aan
unanimiteit is een andere factor die conformiteit vermindert. Elke afwiiking van de