1
Antwoordmodel hertentamen IEB 17 september 2018
Uitwerking opgave 1 (15 punten)
a.
Het gaat om het besluit van 7 september 2017 (V-N 2017/46.7). De ratio van de goedkeuring is dat
Nederland voor actieve inkomsten kapitaalimportneutraliteit voorstaat. Dat betekent dat X niet
vergeleken moet worden met een werknemer (inwoner van Nederland) die zijn gehele salaris (100) in
Nederland verdient (bij die vergelijking is de verrekeningsmethode passend), maar met een werknemer
(inwoner van de golfstaat) die in de golfstaat zijn salaris verdient. De Nederlandse werknemer moet
dezelfde belastingdruk hebben als een lokale werknemer in de golfstaat. Bij kapitaalimportneutraliteit
hoort de vrijstellingsmethode.
b.
De Nederlandse IB over het wereldinkomen (60) bedraagt 22 (30% x 40 + 50% x 20).)
De vrijstellingsmethode leidt tot een belastingvermindering van: 30 (buitenlands inkomen)/60
(wereldinkomen) x 22 = 11.
De verrekeningsmethode leidt tot een belastingvermindering van 12 (de IB van de golfstaat).
X zal dus niet voor de goedkeuring van het besluit kiezen. Bij toepassing van de verrekeningsmethode
is X in Nederland nog 10 inkomstenbelasting verschuldigd (22 -/- 12).
Uitwerking opgave 2 (8 punten)
a.
Sint Eustatius is (als een van de BES-eilanden) onderdeel van Nederland. Het antwoord lijkt dus
bevestigend te luiden (art. 2.1-1a Wet IB 2001). Ingevolge art. 2-3d3o AWR luidt het antwoord
evenwel ontkennend. (De woonplaatsfictie van art. 2.2, lid 2, Wet IB 2001 is niet van toepassing.)
b.
X moet inwoner zijn van een verdragsluitende staat (art. 1 verdrag Nederland-België 2001).
Het Koninkrijk der Nederlanden is een verdragsluitende staat (art. 3, par. 1, a1o). Sint Eustatius is
onderdeel van Nederland. Maar art. 3, par. 1, a3o, bepaalt dat onder Nederland alleen het Europese
deel van Nederland wordt verstaan.
Uitwerking opgave 3 (9 punten)
a.
Nederland heeft geen belastingverdrag met Cyprus. X BV blijft na de zetelverplaatsing binnenlands
belastingplichtig (art. 2, lid 4, Wet VPB 1969). De zetelverplaatsing heeft dus geen gevolgen voor de
heffing van (Nederlandse) vennootschapsbelasting.
b.
X is en blijft inwoner van Nederland. De zetelverplaatsing heeft geen gevolgen voor de heffing van
(Nederlandse) inkomstenbelasting. (Als X geen inwoner van Nederland was geweest, had de
zetelverplaatsing tot een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in X BV geleid, en wel op
grond van art. 7.5, lid 7, Wet IB 2001.)
Uitwerking opgave 4 (11 punten)
X is (in box 3) buitenlands belastingplichtig voor het optierecht op grond van art. 7.7, lid 2b, Wet IB
2001. Het optierecht valt niet onder lid 2a, omdat het optierecht geen onroerende zaak vormt, maar een
Antwoordmodel hertentamen IEB 17 september 2018
Uitwerking opgave 1 (15 punten)
a.
Het gaat om het besluit van 7 september 2017 (V-N 2017/46.7). De ratio van de goedkeuring is dat
Nederland voor actieve inkomsten kapitaalimportneutraliteit voorstaat. Dat betekent dat X niet
vergeleken moet worden met een werknemer (inwoner van Nederland) die zijn gehele salaris (100) in
Nederland verdient (bij die vergelijking is de verrekeningsmethode passend), maar met een werknemer
(inwoner van de golfstaat) die in de golfstaat zijn salaris verdient. De Nederlandse werknemer moet
dezelfde belastingdruk hebben als een lokale werknemer in de golfstaat. Bij kapitaalimportneutraliteit
hoort de vrijstellingsmethode.
b.
De Nederlandse IB over het wereldinkomen (60) bedraagt 22 (30% x 40 + 50% x 20).)
De vrijstellingsmethode leidt tot een belastingvermindering van: 30 (buitenlands inkomen)/60
(wereldinkomen) x 22 = 11.
De verrekeningsmethode leidt tot een belastingvermindering van 12 (de IB van de golfstaat).
X zal dus niet voor de goedkeuring van het besluit kiezen. Bij toepassing van de verrekeningsmethode
is X in Nederland nog 10 inkomstenbelasting verschuldigd (22 -/- 12).
Uitwerking opgave 2 (8 punten)
a.
Sint Eustatius is (als een van de BES-eilanden) onderdeel van Nederland. Het antwoord lijkt dus
bevestigend te luiden (art. 2.1-1a Wet IB 2001). Ingevolge art. 2-3d3o AWR luidt het antwoord
evenwel ontkennend. (De woonplaatsfictie van art. 2.2, lid 2, Wet IB 2001 is niet van toepassing.)
b.
X moet inwoner zijn van een verdragsluitende staat (art. 1 verdrag Nederland-België 2001).
Het Koninkrijk der Nederlanden is een verdragsluitende staat (art. 3, par. 1, a1o). Sint Eustatius is
onderdeel van Nederland. Maar art. 3, par. 1, a3o, bepaalt dat onder Nederland alleen het Europese
deel van Nederland wordt verstaan.
Uitwerking opgave 3 (9 punten)
a.
Nederland heeft geen belastingverdrag met Cyprus. X BV blijft na de zetelverplaatsing binnenlands
belastingplichtig (art. 2, lid 4, Wet VPB 1969). De zetelverplaatsing heeft dus geen gevolgen voor de
heffing van (Nederlandse) vennootschapsbelasting.
b.
X is en blijft inwoner van Nederland. De zetelverplaatsing heeft geen gevolgen voor de heffing van
(Nederlandse) inkomstenbelasting. (Als X geen inwoner van Nederland was geweest, had de
zetelverplaatsing tot een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in X BV geleid, en wel op
grond van art. 7.5, lid 7, Wet IB 2001.)
Uitwerking opgave 4 (11 punten)
X is (in box 3) buitenlands belastingplichtig voor het optierecht op grond van art. 7.7, lid 2b, Wet IB
2001. Het optierecht valt niet onder lid 2a, omdat het optierecht geen onroerende zaak vormt, maar een