ernstige gedragsproblemen en werkkaarten (p.9-62).
Inleiding.
De Richtlijn Ernstige gedragsproblemen voor jeugdhulp en jeugdbescherming biedt handvatten voor
de diagnostiek en behandeling van ernstige gedragsproblemen van jeugdige van 3-18 jaar, binnen de
context van het gezin en de school.
Ernstige gedragsproblemen zijn: ernstig dwars en opstandig gedrag, prikkelbaar, boos of woendend
gedrag, anderen ergeren, agressief gedrag en/of antisociaal gedrag.
Ernstige gedragsproblemen verstoort de relatie met ouders, gezinsleden, het functioneren op school
en opleidingsmogelijkheden, het bemoeilijkt het aangaan van contacten met leeftijdsgenoten. Een
deel van deze jeugdigen wonen in Nederland niet in hun eigen gezinssituatie, maar in gezinshuizen of
een residentiële behandelgroep. Cognitieve gedragstherapie blijkt gedragsproblemen bij jeugdigen >
8 jaar te kunnen verminderen.
Hoofdstuk 1, Ernstige gedragsproblemen: definitie, risicofactoren en diagnostiek.
1.1. Definitie van ernstige gedragsproblemen.
Er is reden tot zorg wanneer storend gedrag de cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling van
het kind of de jongere belemmert. We spreken van ernstige gedragsproblemen als 1 of meerdere
typen storend gedrag gedurende enkele maanden voorkomt en nadelige gevolgen heeft voor het
kind. Het wordt als erger zien als:
Het een langere periode aanhoudt.
Het vaker voorkomt.
Het in meerdere situaties voorkomt.
Het meerdere typen storend gedrag vertoont.
Het meer nadelige gevolgen heeft.
Typen storend gedrag:
Dwars en opstandig gedrag: verzetten, weigeren te voldoen aan regels, ruziemaken.
Prikkelbaar, boos of woedend (driftig): lichtgeraakt, geërgerd, ontevreden.
Anderen ergeren: met opzet ergeren, anderen schuld geven.
Antisociaal gedrag: liegen, stelen, spijbelen.
Agressief gedrag: pesten, bedreigen, vechten.
Er is onderscheid tussen matige ernstige problemen en duidelijk ernstige problemen.
Geassocieerde problemen= ander probleemgedrag dat zo overheersend is dat de hulpverlening in
eerste instantie zich op dit andere probleemgedrag moet richten.
Impulsief gedrag= Moeite met het onderdrukken van de impuls (wat er in hun opkomt).
Agressief gedrag kan ook impulsief zijn.
- Proactief agressief is beheerst, gecontroleerd en koel. Agressief gedrag wordt
omgezet in het bereiken van een doel.
Druk en hyperactief gedrag.
Aandachtsproblemen.
Onzeker, angstig en somber.
Storend gedrag: Veelal bij jeugdigen met LVB of zwakbegaafdheid.
Comorbiditeit= Wanneer probleemgedrag uitgesproken is en vervolgens een stoornis vastgesteld
kan worden.
, ADHD, middelen gerelateerde en verslavingsstoornis, stemmingsstoornis, angststoornis,
hechtingsstoornis, LVB, specifieke leerstoornis en taalstoornis kunnen tegelijk voorkomen.
Kinderen met gedragsproblemen hebben vaker lagere leerprestaties wegens hun dwars gedrag.
Gedragsproblemen kunnen voorkomen bij kinderen met ASS.
Oppositioneel opstandige stoornis (ODD) of een normoverschrijdende gedragsstoornis (CD) kunnen
voorkomen bij kinderen met duidelijke ernstige gedragsproblemen.
ODD: Gedrag moet minstens 6 maanden aanwezig zijn. Gedrag bestaat uit dwars en
opstandig gedrag, anderen ergeren, boos, prikkelbaar en driftig gedrag.
CD: Gedrag moet minstens 1 jaar aanwezig zijn. Gedrag bestaat uit agressief en antisociaal
gedrag.
Met de tijd worden storend gedrag en ernstige gedragsproblemen gemiddeld genomen minder.
Maar dit geldt niet voor iedereen.
Toekomst risico’s:
School, opleiding en werk: Ze worden vaak geschorst of van school verwijderd wegens hun
agressief gedrag.
Sociaal gebied: Soms worden ze niet geaccepteerd door leeftijdsgenoten en worden ze
eenzaam, of ze sluiten zich bij een risicovolle groep jongeren aan.
Sociaal denken: Ze krijgen vaak negatieve reacties waardoor ze een vijandig wereldbeeld en
negatief zelfbeeld ontwikkelen.
Psychiatrische aandoeningen ontwikkelen: later ontwikkelen ze angstproblemen of worden
ze depressief en ontwikkelen ze ODD of CD.
1.2. Hoe ontstaan ernstige gedragsproblemen, hoe worden ze in stand gehouden?
Ernstige gedragsproblemen ontstaan meestal als gevolg van risicokenmerken van zowel het kind als
de omgeving.
Risicokenmerken= Eigenschappen van het kind of van de omgeving die de kans op het ontstaan van
gedragsproblemen verhogen.
Moeilijk temperament (prikkelbaarder, rusteloos, vaker huilen, meer dwars, druk, snel
afgeleid).
Neurobiologische factoren (problemen met verwerking signalen van straf of afkeuring,
signalen van beloning of goedkeuring).
Problemen in de hormoonhuishouding.
Zwakkere ontwikkelde neurobiologisch bepaalde functies voor emotieregulatie.
Zwakke intelligentie en taalontwikkeling.
Achterstand in de ontwikkeling van de executieve functies.
Onveilige hechting van het kind.
Persoonlijke problemen ouders.
1.3. Beschermende factoren.
Ouders die zich inzetten voor hun kind en bereid zijn goed samen te werken met derden kan een
beschermende factor zijn. Het inventariseren van zowel beschermende als risicofactoren geeft een
vollediger beeld van het functioneren van de jeugdige en zijn omgeving en bevordert de
samenleving.