Hoofdstuk 15 Expertise in cognitieve therapie: vaardigheden, persoonlijke
therapie, training en supervisie
15.1 Inleiding
Dit hoofdstuk gaat over: wat kenmerkt een goede therapeut? Welke
kennis, vaardigheden en houding heb je nodig? Hoe meten we de
expertise van een therapeut binnen cognitieve therapie?
15.2 Expertise in cognitieve therapie
3 aspecten:
- Therapeutische attitude
- Gespreksvaardigheden
- Vermogen tot casusconceptualisatie o.b.v. inhoudelijke kennis en
ervaring
15.2.1 De therapeutische attitude: geleidelijke ontdekking
Collaborative empiriscism patient en therapeut werken samen als
een team. Ookwel, geleide ontdekking van de gedachten van de
patient, welke als theorie over de werkelijkheid worden gezien. Therapeut
begeleidt patient in onderzoek naar de juistheid van diens theorie.
Socratische dialoog nieuwsgierige houding in gedachtegang
patient. Rol therapeut is hetzelfde als die van een onderzoeker: je zoekt
naar data over de theorie (de gedachten) en toetst deze met
experimenten.
Excitement of true discovery Gevaar voor therapeuten is dat ze
teveel resultaatgericht zijn, waarbij informatie over het hoofd kan
worden gezien en te snel richting gekozen wordt door therapeut.
Therapeut moet vragen stellen met als doel om de visie van de patiënt te
begrijpen, niet om simpelweg zijn gedachten te veranderen.
“Als je niet echt nieuwsgierig bent naar het antwoord, stel dan niet de
vraag”.
15.2.2 Gespreksvaardigheden van de cognitief therapeut
Informatie geven
, Geeft informatie over proces van therapie en neemt mee op weg
naar de volgende stap. Informatie wordt aangepast aan
belevingswereld, niveau en taalgebruik van patient.
Informatie geven belangrijk om 2 redenen:
- Bevordert samenwerking
- Methode aanleren om hun emotionele problemen aan te pakken
Vragen om feedback
Het bevordert de samenwerking en je onderzoekt in hoeverre
patient het proces volgt (begrepen heeft) en hoe hij over de
informatie denkt. Bijv: “wat vind je ervan het zo aan te pakken?”
Concretiseren en socratisch vragen
Concretiseren = verhelderen van hetgeen de patiënt naar voren brengt
(gevoelens, gedrag, beelden en gedachten) en wat juist niet, zodanig dat
therapeut er een goede voorstelling van kan maken.
Daarna stelt therapeut vragen om de gedachte concreet en begrijpelijk te
maken voor patiënt en therapeut.
Voorwaarden goede socratische vragen:
1. Patiënt bezit de kennis voor de antwoorden op deze vragen
2. De vragen brengen relevante en potentieel behulpzame informatie
in bewustzijn patiënt door aandacht te richten op informatie buiten
de focus
3. Vragen gaan van concreet naar meer abstract
4. De patiënt kan de ontdekte informatie gebruiken om eerdere
conclusies te herevalueren of een nieuw idee te formuleren
Samenvatten
Elke paar minuten dient samengevat te worden wat patiënt heeft gezegd,
het liefst in notities op een bord.
Verschillende functies samenvatten:
1. Nagaan of hetzelfde begrepen is tussen patient en therapeut
2. Gelegenheid om informatie als geheel te bekijken
3. Afstand nemen van het cognitieve proces om na te denken
over de volgende stap
Synthetiseren
Na bovenstaande wordt een synthetiserende of analyserende vraag
gesteld die de nieuwe informatie betrekt op de oorspronkelijke gedachte.