Hoofdstuk 1 een omstreden begrip
1.1 Inleiding
West-Europa opkomst van de bourgeoisie grondslag voor een stelsel van
vrijheden en gekozen vertegenwoordigers om de overheid te controleren.
Door druk van middenklassen mochten arbeiders en vrouwen ook stemmen
daarom is dat parlementair stelsel ook democratisch
Uit belang van vrijheden is iets een liberale democratie en door gekozen
vertegenwoordigers ook een representatieve democratie
Door de democratie hebben burgers meer rechten en vrijheden en worden ze
met meer respect behandeld door hun overheden dan onderdanen in dictaturen.
1.2 Het probleem van de definitie
Demos Volk
+
Kratein Heersen
=
Democratie als heerschappij van het volk
De moderne democratie is niet ontstaan voor heerschappij van het volk maar om
de macht van de vorst en de overheid in te perken.
Door het algemene kiesrecht heeft de bevolking indirect meer controle over de
regering.
Het kan niet dat het volk regeert of de macht heeft omdat het volk geen eenheid
is die allemaal hetzelfde willen.
Liberale democratie: een politiek stelsel dat de mogelijkheid biedt om op basis
van de meerderheid op een rustige en nette manier conflicten op te lossen en
afspraken te maken over hoe de samenleving eruit moet zien. In die samenleving
is het vooral belangrijk dat vrijheden en rechten van de burgers gegarandeerd
zijn.
Twee belangrijke elementen voor liberale democratie:
1. Democratisch: een besluitvormingsprocedure waarbij alle burgers direct of
indirect invloed uit kunnen oefenen.
2. Liberaal: vrijheden en grondrechten die voor alle burgers gelden en grenzen
stellen aan hoeveel de overheid over burgers te zeggen hebben.
,1.3 kenmerken van liberale democratie
Er zijn vier principes voor een liberale democratie waarin er ook een
representatieve democratie is. Als één van de vier ontbreekt is het niet meer
democratisch.
1. Gelijkheid: Mensen worden gelijk behandeld omdat ze allemaal gelijk zijn
geboren. Voor iedereen gelden dezelfde wetten en iedereen heeft dezelfde
politieke rechten.
2. Volkssoevereiniteit: De regering is geen verantwoording schuldig aan
een koning of aan God, maar aan door het volk gekozen
vertegenwoordigers. Dat gekozen parlement kan de regering controleren.
3. Vrijheid: Burgers kunnen hun mening uiten, zich verbinden met
opvattingen en zelf met een groep zich organiseren.
4. Rechtsstaat: Burgers zijn gelijk voor de wet, ook de overheid moet zich
aan de wetten houden. Er is een scheiding tussen wetgevende,
uitvoerende en rechterlijke macht.
Instituties en procedures:
- Algemeen kiesrecht:
Actief kiesrecht Het recht om een stem uit te brengen op
vertegenwoordigers
Passief kiesrecht Het recht om gekozen te worden als
vertegenwoordiger
- Vrije, geheime en periodieke verkiezingen:
Vrije Kiezers moeten vrij zijn om te kiezen wie zij willen en mogen niet
onder druk gezet worden
Geheime Kiezers hoeven niemand te vertellen wat ze hebben gestemd.
Periodieke verkiezingen Verkiezingen moeten regelmatig plaatsvinden
minimaal elke vijf jaar.
- Vrijheid van vereniging en vergadering: mensen moeten zich op basis
van opvattingen of belangen vrije kunnen organiseren. Anders sta je als
individu te zwak tegenover de machtige staat.
- Meerderheidsbeginsel: De meerderheid beslist
- Machtenscheiding: uitvoerende, rechterlijke, wetgevende macht moeten
verdeeld zijn over verschillende organen en onafhankelijk werken.
Daardoor wordt de macht bij een persoon of groep voorkomen of beperkt.
Anders kan één persoon de wetten maken, uitvoeren en rechtspreken.
Democratie komt in veel verschillende vormen voor:
Directe/indirecte systemen:
Directe democratieën komen alleen in kleine gemeenschapen en
organisaties voor. Wel kan je een referendum hebben dan beslissen burgers gelijk
op een beleidspunt.
,Indirecte democratieën representatief stelsel daarbij stem je op
vertegenwoordigers.
- Meerderheidsstelsel: Regeert meestal één partij op basis van de
meerderheid. Gekozen doormiddel van een districtenstelsel.
- Consensusdemocratieën: Een stelsel zoals in Nederland waarin partij er
samen uit moeten komen.
- Presidentiële systemen: de president heeft grote bevoegdheden
gebaseerd op directe verkiezingen door het volk
- Parlementair stelsel: de niet door het volk gekozen president of koning
hebben vooral een symbolische functie.
1.4 Lege plek van de macht en andere wezenlijke elementen
In democratie worden verschillen tussen mensen erkend en gerespecteerd.
De verschillen worden niet onderdrukt door zogenaamd een volkseenheid.
Erkenning van verschillen leidt tot het accepteren van conflict.
Democratie is een stelsel met een geïnstitutionaliseerde maar ook beperkte
onzekerheid Democratie is als een spelletje waarbij de regels vastliggen, maar
je nooit helemaal zeker weet wie er gaat winnen
In democratieën worden conflicten niet met geweld uitgevochten en zien
partijen elkaar als tegenstanders maar niet als vijanden die je neer moet
halen.
1.5 zes dillema’s
1. Democratie en leiding: Hebben gewone burgers wel genoeg ervaring en
kennis om politieke oordelen te geven en te bestuderen?
2. Vrijheid en gelijkheid: kunnen grote vrijheid en gelijkheid elkaar bedreigen?
3. Eenheid en verscheidenheid: Hoeveel ruimte wordt er gelaten aan lokale
regels, tradities, talen en culturele uitingen?
4. Meerderheid en rechtsstaat: Tot hoever kunnen meerderheden
veranderingen aanbrengen in grondrecht en intuïties van de rechtsstaat?
5. Politieke strijd, conflict en compromissen en consensus: moeten
politieke partijen meer de strijd aangaan en er voor hun achterban zijn of moeten
ze meer consensus doen en daarmee zich meer focussen op het geheel?
6. Antidemocratische organisaties en publieke uitingen: moeten
democratieën antidemocratische uitingen verbieden? Verbieden is in strijd met
het kenmerk vrijheid maar het toestaan kan een bedreiging zijn voor de
democratie.
, 1.6 Twee visies
Twee hoofdvisies op democratie. Allebei de visies gaan vooral over de relatie
tussen de burgers en de politiek maar maken bij dillema’s ander keuzes.
Liberaal-individualistisch: Sociaal-collectivistisch
Politici-bestuurders en vrijheid Burgers en gelijkheid
17e eeuwse John Locke 18e eeuw Jean-Jacques Rousseau
Engelse Glorious Revolution 1688 Franse revolutie 1789
Vrijheid en Rechtsstaat Gelijkheid en volkssoevereiniteit
Negatieve vrijheid: mensen zijn vrij
van bemoeienis van een staat. Weinig
met economische activiteiten
benoemen
Rechtsstaat: duidelijke scheiding
tussen staat en maatschappij.
Strikte machtenscheiding Scheiding is minder belangrijk
Weinig staatsingrijpen Veel staatsingrijpen vooral om sociale
gelijkheid te krijgen
Beperkte participatie buiten Grote participatie ook buiten
verkiezingen verkiezingen
Democratie bedreigd door domme Democratie bedreigd door machtige
meerderheden minderheden
Liberaal individualistisch Legt vooral de nadruk op de formele kanten van
democratie: procedures, wettelijke gelijkheden en vastgelegde vrijheden
Sociaal collectivistisch Legt vooral de nadruk op materiële aspecten:
Maatschappelijk gelijke kansen en mogelijkheden om actief te participeren.
1.7 Principiële tegenstanders
Anarchisme: Anarchisme streeft naar een samenleving zonder dwangmatige
hiërarchieën, zoals staten, autoritaire regeringen en ongelijkheid in macht of
rijkdom. Het legt de nadruk op individuele vrijheid, vrijwillige samenwerking en
gelijkwaardigheid, waarbij mensen zichzelf organiseren in netwerken gebaseerd
op solidariteit en wederzijdse hulp. Anarchisten geloven dat macht alleen
gerechtvaardigd is als die vrijwillig wordt geaccepteerd en verantwoordelijk wordt
gehouden, en streven naar een samenleving die vreedzaam en rechtvaardig is,
zonder overheersing of uitbuiting.
Communisme: Communisme streeft naar een samenleving zonder klassen,
privébezit van productiemiddelen, of economische ongelijkheid. In een
communistisch systeem worden goederen en middelen gemeenschappelijk
beheerd, en werkt iedereen naar vermogen en ontvangt naar behoefte. Het
uiteindelijke doel is een rechtvaardige samenleving waarin de staat overbodig
wordt en mensen samenwerken op basis van solidariteit en gedeelde belangen.