Hoofdstuk 1
Paragraaf 1
1. Je kunt kenmerken noemen van de levenswijze van jager-verzamelaars. Nomaden,
tenten en gammele hutten, jaagden op dieren
2. Je kunt uitleggen waar en waardoor de landbouwrevolutie ontstond. De landbouw
ontstond in het Midden-Oosten doordat het daar natter en warmer werd.
3. Je kunt uitleggen hoe en waardoor de landbouwrevolutie zich verspreidde naar
Europa. Doordat de landbouw in het Midden-Oosten meer voedsel opbracht dan het
jagen en verzamelen, nam het aantal mensen toe. Daardoor ontstond bevolkingsdruk en
trokken sommige boeren naar Europa. Zij namen hun kennis over de landbouw met zich
mee.
4. Je kunt de gevolgen van de landbouwrevolutie beschrijven en verklaren. Men
ging sedentair (levenswijze waarbij de mensen een permanente plek hebben om te
wonen) leven.
Paragraaf 2
1. Je kunt uitleggen waardoor in Mesopotamië stedelijke gemeenschappen ontstonden.
Enkele tientallen dorpen in Mesopotamië waren rond 3500 v.Chr. zodanig in
omvang en inwoneraantal gegroeid, dat het steden waren geworden. Door het ontstaan
van irrigatielandbouw ontstonden de stedelijke gemeenschappen.
2. Je kunt enkele stedelijke gemeenschappen uit de Tijd van jagers en boeren noemen
en daarvan de kenmerken geven, verklaren en herkennen Stadstaten; deze waren
hiërarchisch opgebouwd. Onderaan stonden slaven, vaak krijgsgevangenen. Daarboven
kwamen de boeren, het grootste deel van de bevolking en weer daarboven stonden de
ambachtslieden en soldaten. Daarna kwamen de priesters. In de meeste stadstaten
geloofde men in meerdere goden; Polytheïsme.
Paragraaf 3
1. Je kunt uitleggen waarom Egypte een staat kan worden genoemd. Sommige delen van
het Midden-Oosten gingen stadstaten samenwerken. Dat gebeurde soms vrijwillig, maar
vaak ook onder dwingende leiding van een machtige stad. Zo ontstonden er grotere
aaneengesloten gebieden die onder leiding van een koning stonden; staat.
2. Je kunt beschrijven op welke pijlers de farao’s hun macht baseerden. 1.
Ambtenarij en het leger: ambtenaren zijn mensen in dienst van de overheid. Zij
ondersteunen het landsbestuur.
2. Het belastingsysteem: om de ambtenaren en het leger te financieren, moesten de
Egyptenaren belasting betalen.
3. Goddelijke legitimering: De farao werd gezien als de zoon van de zonnegod Ra.
4. Propaganda: Reclame voor een politiek doel, idee of politicus.
3. Je kunt enkele kenmerken van de Egyptische cultuur die te maken hebben met
religie en de dood herkennen, beschrijven en verklaren De Egyptenamen geloofden
in meerdere goden; Polytheïsme en ze dachten dat deze goden eruit zagen als half
mens, half kat. Goden stonden symbool voor een bepaald natuurverschijnsel bijv. god
voor de dood of voor overstromingen of zwangerschappen. De Egyptenaren geloofden in
leven na de dood. Zij dachten dat de ziel van de overledene elke dag terug keerde
naar het lichaam op aarde waar deze dankzij offers zoals voedsel aan konden sterken
om vervolgens weer naar het dodenrijk te kunnen afreizen. Hierdoor was het zeer
belangrijk om het lichaam van de dode goed bewaard bleef dit deden ze d.m.v.
mummificeren in versierde sarcofagen en graftombes.
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1
1. Je kunt met behulp van het begrip polis uitleggen dat de Griekse wereld op
bestuurlijk gebied verdeeld was, maar op cultureel gebied verenigd. Griekenland
was een land at bestond uit ruim tweehonderd stadstaten. Het Griekse woord voor
stadstaat is polis en het meervoud is poleis. Elke polis had zijn eigen wetten en
bestuur, dat veel zelfstandigheid betekende. De Griekse cultuur was een belangrijke
overkoepelende factor. De Grieken vereerden dezelfde goden, spraken dezelfde taal,
maakten beeldhouwkunst, hielden olympische spelen en genoten van dezelfde
,heldenverhalen.
2. Je kent vier bestuursvormen die in Griekenland voorkwamen. Aristocratie;
Bestuur door groep edelen.
Democratie; Bestuur waarbij het volk de hoogste macht heeft.
Monarchie; Bestuur door een alleenheerser met erfopvolging.
Tirannie; Bestuur door een vaak wrede alleenheerser
3. Je kunt beschrijven hoe de Atheense democratie werkte. In de democratie heeft
het volk de macht doordat het volk de politieke beslissing neemt. Niet iedere
Athener kon stemmen. Vrouwen, slaven en inwoners van niet-Atheense afkomst hadden
geen politieke rechten. Mannen met burgerrecht waren vrij omdat ze mochten spreken
en stemmen in de volksvergadering en gelijk omdat ze allemaal dezelfde rechten
hadden. Burgerrecht is het recht van burgers in een land op verkiezingen, een
eerlijk proces, vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid enz.
4. Je kunt uitleggen wat de ontwikkeling van wetenschappelijk denken van de Grieken
inhield. Eerst werden Natuurverschijnselen zoals ziekten verklaard door mythisch
denken. Sommige mensen begonnen het mythisch verklaringsmodel te bekritiseren. Ze
zochten naar logische verschijnselen. We noemen deze denkers filosofen ‘vrienden
van de wijsheid’. Men ging zelf zaken onderzoeken door observaties. Bv het
opensnijden van een schedel om ziektes te onderzoeken.
5. Je kunt uitleggen waar en waardoor de Griekse cultuur zich ook buiten
Griekenland verspreidde. Dit kwam doordat de Grieken die zich in de veroverde
gebieden vestigden, vasthielden aan hun gewoontes. Zij vormden de bovenlaag van de
samenleving. Wilde je in deze maatschappij hogerop komen, dan moest je Grieks leren
en de Griekse cultuur overnemen en koloniën stichten.
Paragraaf 2
1. Je kunt uitleggen hoe de Romeinen hun imperium uitbreidden en onder controle
hielden. In 509 v.Chr werd de laatste koning verjaagd. Vanaf toen was Rome een
republiek, waarin adellijke families de meeste macht hadden (aristocratie) (rome
was in die tijd een republiek. De belangrijkste leden van adel kwamen samen in de
senaat). Dat Rome in de eeuwen daarna een groot rijk veroverde, was het resultaat
van honger naar macht en status. Dit grote rijk konden ze makkelijk onderhouden
doordat er goede wegen waren en een sterk leger. Hierdoor kon het sterke leger
gemakkelijk en snel naar een plek waar opstand was. Ze hadden ook een goed werkend
bestuur met duidelijke wetten. Daarnaast hadden ze goede grenzen. Denk aan de muur
van Hadrianus, een grensmuur in het huidige Engeland. Denk ook aan het opnemen van
Germanen in het leger en het toestaan van Germaanse koninkrijkjes in het Romeinse
Rijk.
2. Je kunt uitleggen waardoor zich in het Romeinse Rijk een Grieks-Romeinse
mengcultuur verspreidde. Door de verovering van Griekse koloniën in Zuid-
Italië raakte de Romeinse cultuur beïnvloed door die van de Grieken. Met de
oorlogsbuit kwam hoogstaande Griekse kunst naar Rome. Deze kunst werd zeer
bewonderd en vanaf de 1e eeuw v.Chr werden in Italië volop tempels, theaters en
landhuizen naar Grieks voorbeeld gebouwd. Ook geloofden de Grieken in meerdere
goden (Polytheïsme) die de Romeinen ook overnamen.
3. Je kunt voorbeelden herkennen van de Grieks-Romeinse vormen in architectuur.
In Griekenland speelde de symmetrie een grote rol. Ook gebruikten de Grieken
zuilen die het dak droegen en dienden ter verfraaiing. De Romeinen voegden aan de
Griekse architectuur twee technische verbeteringen toe: beton en boogconstructie.
Deze pasten ze op allerlei manieren toe: in koepels, amfitheaters, bovengrondse
waterleidingen (aquaducten) en in luxe villa’s.
4. Je kunt uitleggen wat de oorzaken en gevolgen waren van romanisering.
Germanen, zoals de volken in Noordwest-Europa werden genoemd, namen veel
elementen van de Romeinse cultuur over, zoals het schrift, kleding,
voedingsmiddelen en het Latijn, de Romeinse taal. Twee zaken versterkten dit
proces: de Romeinen namen Germanen in dienst als soldaten en beloonden hen bij goed
gedrag met het Romeinse burgerrecht. Daarmee konden ze hogerop komen in de Romeinse
maatschappij.
5. Je kunt uitleggen waardoor zich in het West-Romeinse Rijk groepen Germanen
vestigden en wat daarvan de gevolgen waren. De Romeinen namen de Germanen in
, dienst als soldaten en beloonden hen bij goed gedrag met het Romeinse burgerrecht.
Daarmee konden ze hogerop komen in de Romeinse cultuur. Ook stichtten de Romeinen
steden op in West-Europa. Zij richtten deze steden in met Romeinse gebouwen.
6. Je kunt drie verschillen noemen tussen het Oost-Romeinse en het West-Romeinse
Rijk. In het West-Romeinse Rijk vielen steeds vaker grote groepen Germanen het
noordwesten van het rijk binnen. Bestuurlijk nam de stabiliteit af: steeds vaker
grepen Romeinse legeraanvoerders de macht. Tussen 235 en 284 waren er meer dan
vijftig van deze ‘soldatenkeizers’. Aan Germaanse stammen werden steeds hogere
afkoopsommen betaald om plunderen te voorkomen. Hierdoor ging het financieel gezien
met het land ook steeds slechter en probeerden de keizers het probleem op te lossen
door minder zilver in de munten te doen, maar hierdoor werd het geld nog minder
waard. Deze problemen verzwakte het Westen van het rijk, maar het Oosten niet.
De grootte van het Westen nam af, de bestuurders per bepaalde periode namen toe en
het werd financieel gezien armer. Het Oosten had dit niet.
Paragraaf 3
1. Je kunt aangeven waarin het jodendom en het christendom zich onderscheidden van
de meeste andere religies in de Oudheid. Het jodendom en het christendom zijn
allebei monotheïstische geloven. Dit betekent dat ze beiden geloven in één god.
Veel andere geloven eerden meerdere goden dit heet polytheïsme.
2. Je kunt uitleggen wanneer en waardoor het christendom uit het jodendom ontstond.
Jezus was een messias, wat betekend dat veel mensen dachten dat hij de redder
of verlosser was. De joden geloofden niet dat Jezus hun weer naar het beloofde land
zou brengen. De aanhangers van Jezus noemden zich christenen. Christus is het
Griekse woord voor messias. Het christendom bestond tijdens de regering van keizer
Augustus.
3. Je kunt de groei van het christendom beschrijven en verklaren. Het
christendom ontstond dus als vernieuwingsbeweging binnen het Joodse geloof, maar al
snel richtten christenen zich bij het verspreiden van hun boodschap ook op niet-
Joden. In de eerste eeuw voelden vooral arme mensen en slaven zich aangetrokken tot
het christendom. De boodschap dat status en rijkdom er niet toe doen en dat je in
de hemel komt door goed te leven, sprak hen aan. In de loop van de 2e eeuw
verspreidde het zich ook onder rijkere lagen.
4. Je kunt oorzaken en gevolgen noemen van het besluit om christendom tot
staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk te maken. De keizers waren bang voor
opstand, omdat de joden en christenen niet tot hun goden eerden en offerden. Om de
crisis van de 3eeeuw op te lossen werd het imperium in 285 opgesplitst in oost en
west. Elk deel had zijn eigen keizer, maar de keizers kregen conflict. Er volgde
een reeks burgeroorlogen, waarin Constantijn in 312 een belangrijke slag won. Een
jaar later gaf hij het christendom dezelfde rechten als alle andere godsdiensten.
Volgens christelijke schrijvers deed hij dat omdat de christelijke god hem in een
droom de overwinning zou hebben voorspeld als hij het christelijk kruis als symbool
zou gebruiken. Met het kruis op de schilden en de legervaandels hadden zijn legers
de vijand verslagen. In 391 werd het christendom de staatsgodsdienst van het
Romeinse Rijk en keizer Theodosius verbood toen de verering van alle goden behalve
die van de christenen.
5. Je kunt uitleggen door welke ontwikkelingen het West-Romeinse Rijk geleidelijk
afbrokkelde en ophield te bestaan. Het West-Romeinse Rijk brokkelde in de 5eeeuw
verder af. Een verklaring hiervoor zijn de volksverhuizingen, maar ook het geld dat
opraakte en door veel burgeroorlogen. De komst van de Hunnen, een steppevolk uit
centraal-Azië, zorgde voor onveiligheid in de grensstreken, waardoor meer Germaanse
volken het West-Romeinse Rijk in trokken. Deze Germanen waren bondgenoten, maar
stichtten steeds vaker zelfstandige koninkrijken in het Romeinse Rijk. Toen in 476
een Germaanse generaal in Rome de keizer afzette, kwam er officieel een einde aan
het West-Romeinse Rijk.
Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
1. Je kunt beschrijven hoe West-Europa zich na de val van het Romeinse Rijk
bestuurlijk ontwikkelde. De vroeg middeleeuwse koningen hadden weinig controle
Paragraaf 1
1. Je kunt kenmerken noemen van de levenswijze van jager-verzamelaars. Nomaden,
tenten en gammele hutten, jaagden op dieren
2. Je kunt uitleggen waar en waardoor de landbouwrevolutie ontstond. De landbouw
ontstond in het Midden-Oosten doordat het daar natter en warmer werd.
3. Je kunt uitleggen hoe en waardoor de landbouwrevolutie zich verspreidde naar
Europa. Doordat de landbouw in het Midden-Oosten meer voedsel opbracht dan het
jagen en verzamelen, nam het aantal mensen toe. Daardoor ontstond bevolkingsdruk en
trokken sommige boeren naar Europa. Zij namen hun kennis over de landbouw met zich
mee.
4. Je kunt de gevolgen van de landbouwrevolutie beschrijven en verklaren. Men
ging sedentair (levenswijze waarbij de mensen een permanente plek hebben om te
wonen) leven.
Paragraaf 2
1. Je kunt uitleggen waardoor in Mesopotamië stedelijke gemeenschappen ontstonden.
Enkele tientallen dorpen in Mesopotamië waren rond 3500 v.Chr. zodanig in
omvang en inwoneraantal gegroeid, dat het steden waren geworden. Door het ontstaan
van irrigatielandbouw ontstonden de stedelijke gemeenschappen.
2. Je kunt enkele stedelijke gemeenschappen uit de Tijd van jagers en boeren noemen
en daarvan de kenmerken geven, verklaren en herkennen Stadstaten; deze waren
hiërarchisch opgebouwd. Onderaan stonden slaven, vaak krijgsgevangenen. Daarboven
kwamen de boeren, het grootste deel van de bevolking en weer daarboven stonden de
ambachtslieden en soldaten. Daarna kwamen de priesters. In de meeste stadstaten
geloofde men in meerdere goden; Polytheïsme.
Paragraaf 3
1. Je kunt uitleggen waarom Egypte een staat kan worden genoemd. Sommige delen van
het Midden-Oosten gingen stadstaten samenwerken. Dat gebeurde soms vrijwillig, maar
vaak ook onder dwingende leiding van een machtige stad. Zo ontstonden er grotere
aaneengesloten gebieden die onder leiding van een koning stonden; staat.
2. Je kunt beschrijven op welke pijlers de farao’s hun macht baseerden. 1.
Ambtenarij en het leger: ambtenaren zijn mensen in dienst van de overheid. Zij
ondersteunen het landsbestuur.
2. Het belastingsysteem: om de ambtenaren en het leger te financieren, moesten de
Egyptenaren belasting betalen.
3. Goddelijke legitimering: De farao werd gezien als de zoon van de zonnegod Ra.
4. Propaganda: Reclame voor een politiek doel, idee of politicus.
3. Je kunt enkele kenmerken van de Egyptische cultuur die te maken hebben met
religie en de dood herkennen, beschrijven en verklaren De Egyptenamen geloofden
in meerdere goden; Polytheïsme en ze dachten dat deze goden eruit zagen als half
mens, half kat. Goden stonden symbool voor een bepaald natuurverschijnsel bijv. god
voor de dood of voor overstromingen of zwangerschappen. De Egyptenaren geloofden in
leven na de dood. Zij dachten dat de ziel van de overledene elke dag terug keerde
naar het lichaam op aarde waar deze dankzij offers zoals voedsel aan konden sterken
om vervolgens weer naar het dodenrijk te kunnen afreizen. Hierdoor was het zeer
belangrijk om het lichaam van de dode goed bewaard bleef dit deden ze d.m.v.
mummificeren in versierde sarcofagen en graftombes.
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1
1. Je kunt met behulp van het begrip polis uitleggen dat de Griekse wereld op
bestuurlijk gebied verdeeld was, maar op cultureel gebied verenigd. Griekenland
was een land at bestond uit ruim tweehonderd stadstaten. Het Griekse woord voor
stadstaat is polis en het meervoud is poleis. Elke polis had zijn eigen wetten en
bestuur, dat veel zelfstandigheid betekende. De Griekse cultuur was een belangrijke
overkoepelende factor. De Grieken vereerden dezelfde goden, spraken dezelfde taal,
maakten beeldhouwkunst, hielden olympische spelen en genoten van dezelfde
,heldenverhalen.
2. Je kent vier bestuursvormen die in Griekenland voorkwamen. Aristocratie;
Bestuur door groep edelen.
Democratie; Bestuur waarbij het volk de hoogste macht heeft.
Monarchie; Bestuur door een alleenheerser met erfopvolging.
Tirannie; Bestuur door een vaak wrede alleenheerser
3. Je kunt beschrijven hoe de Atheense democratie werkte. In de democratie heeft
het volk de macht doordat het volk de politieke beslissing neemt. Niet iedere
Athener kon stemmen. Vrouwen, slaven en inwoners van niet-Atheense afkomst hadden
geen politieke rechten. Mannen met burgerrecht waren vrij omdat ze mochten spreken
en stemmen in de volksvergadering en gelijk omdat ze allemaal dezelfde rechten
hadden. Burgerrecht is het recht van burgers in een land op verkiezingen, een
eerlijk proces, vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid enz.
4. Je kunt uitleggen wat de ontwikkeling van wetenschappelijk denken van de Grieken
inhield. Eerst werden Natuurverschijnselen zoals ziekten verklaard door mythisch
denken. Sommige mensen begonnen het mythisch verklaringsmodel te bekritiseren. Ze
zochten naar logische verschijnselen. We noemen deze denkers filosofen ‘vrienden
van de wijsheid’. Men ging zelf zaken onderzoeken door observaties. Bv het
opensnijden van een schedel om ziektes te onderzoeken.
5. Je kunt uitleggen waar en waardoor de Griekse cultuur zich ook buiten
Griekenland verspreidde. Dit kwam doordat de Grieken die zich in de veroverde
gebieden vestigden, vasthielden aan hun gewoontes. Zij vormden de bovenlaag van de
samenleving. Wilde je in deze maatschappij hogerop komen, dan moest je Grieks leren
en de Griekse cultuur overnemen en koloniën stichten.
Paragraaf 2
1. Je kunt uitleggen hoe de Romeinen hun imperium uitbreidden en onder controle
hielden. In 509 v.Chr werd de laatste koning verjaagd. Vanaf toen was Rome een
republiek, waarin adellijke families de meeste macht hadden (aristocratie) (rome
was in die tijd een republiek. De belangrijkste leden van adel kwamen samen in de
senaat). Dat Rome in de eeuwen daarna een groot rijk veroverde, was het resultaat
van honger naar macht en status. Dit grote rijk konden ze makkelijk onderhouden
doordat er goede wegen waren en een sterk leger. Hierdoor kon het sterke leger
gemakkelijk en snel naar een plek waar opstand was. Ze hadden ook een goed werkend
bestuur met duidelijke wetten. Daarnaast hadden ze goede grenzen. Denk aan de muur
van Hadrianus, een grensmuur in het huidige Engeland. Denk ook aan het opnemen van
Germanen in het leger en het toestaan van Germaanse koninkrijkjes in het Romeinse
Rijk.
2. Je kunt uitleggen waardoor zich in het Romeinse Rijk een Grieks-Romeinse
mengcultuur verspreidde. Door de verovering van Griekse koloniën in Zuid-
Italië raakte de Romeinse cultuur beïnvloed door die van de Grieken. Met de
oorlogsbuit kwam hoogstaande Griekse kunst naar Rome. Deze kunst werd zeer
bewonderd en vanaf de 1e eeuw v.Chr werden in Italië volop tempels, theaters en
landhuizen naar Grieks voorbeeld gebouwd. Ook geloofden de Grieken in meerdere
goden (Polytheïsme) die de Romeinen ook overnamen.
3. Je kunt voorbeelden herkennen van de Grieks-Romeinse vormen in architectuur.
In Griekenland speelde de symmetrie een grote rol. Ook gebruikten de Grieken
zuilen die het dak droegen en dienden ter verfraaiing. De Romeinen voegden aan de
Griekse architectuur twee technische verbeteringen toe: beton en boogconstructie.
Deze pasten ze op allerlei manieren toe: in koepels, amfitheaters, bovengrondse
waterleidingen (aquaducten) en in luxe villa’s.
4. Je kunt uitleggen wat de oorzaken en gevolgen waren van romanisering.
Germanen, zoals de volken in Noordwest-Europa werden genoemd, namen veel
elementen van de Romeinse cultuur over, zoals het schrift, kleding,
voedingsmiddelen en het Latijn, de Romeinse taal. Twee zaken versterkten dit
proces: de Romeinen namen Germanen in dienst als soldaten en beloonden hen bij goed
gedrag met het Romeinse burgerrecht. Daarmee konden ze hogerop komen in de Romeinse
maatschappij.
5. Je kunt uitleggen waardoor zich in het West-Romeinse Rijk groepen Germanen
vestigden en wat daarvan de gevolgen waren. De Romeinen namen de Germanen in
, dienst als soldaten en beloonden hen bij goed gedrag met het Romeinse burgerrecht.
Daarmee konden ze hogerop komen in de Romeinse cultuur. Ook stichtten de Romeinen
steden op in West-Europa. Zij richtten deze steden in met Romeinse gebouwen.
6. Je kunt drie verschillen noemen tussen het Oost-Romeinse en het West-Romeinse
Rijk. In het West-Romeinse Rijk vielen steeds vaker grote groepen Germanen het
noordwesten van het rijk binnen. Bestuurlijk nam de stabiliteit af: steeds vaker
grepen Romeinse legeraanvoerders de macht. Tussen 235 en 284 waren er meer dan
vijftig van deze ‘soldatenkeizers’. Aan Germaanse stammen werden steeds hogere
afkoopsommen betaald om plunderen te voorkomen. Hierdoor ging het financieel gezien
met het land ook steeds slechter en probeerden de keizers het probleem op te lossen
door minder zilver in de munten te doen, maar hierdoor werd het geld nog minder
waard. Deze problemen verzwakte het Westen van het rijk, maar het Oosten niet.
De grootte van het Westen nam af, de bestuurders per bepaalde periode namen toe en
het werd financieel gezien armer. Het Oosten had dit niet.
Paragraaf 3
1. Je kunt aangeven waarin het jodendom en het christendom zich onderscheidden van
de meeste andere religies in de Oudheid. Het jodendom en het christendom zijn
allebei monotheïstische geloven. Dit betekent dat ze beiden geloven in één god.
Veel andere geloven eerden meerdere goden dit heet polytheïsme.
2. Je kunt uitleggen wanneer en waardoor het christendom uit het jodendom ontstond.
Jezus was een messias, wat betekend dat veel mensen dachten dat hij de redder
of verlosser was. De joden geloofden niet dat Jezus hun weer naar het beloofde land
zou brengen. De aanhangers van Jezus noemden zich christenen. Christus is het
Griekse woord voor messias. Het christendom bestond tijdens de regering van keizer
Augustus.
3. Je kunt de groei van het christendom beschrijven en verklaren. Het
christendom ontstond dus als vernieuwingsbeweging binnen het Joodse geloof, maar al
snel richtten christenen zich bij het verspreiden van hun boodschap ook op niet-
Joden. In de eerste eeuw voelden vooral arme mensen en slaven zich aangetrokken tot
het christendom. De boodschap dat status en rijkdom er niet toe doen en dat je in
de hemel komt door goed te leven, sprak hen aan. In de loop van de 2e eeuw
verspreidde het zich ook onder rijkere lagen.
4. Je kunt oorzaken en gevolgen noemen van het besluit om christendom tot
staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk te maken. De keizers waren bang voor
opstand, omdat de joden en christenen niet tot hun goden eerden en offerden. Om de
crisis van de 3eeeuw op te lossen werd het imperium in 285 opgesplitst in oost en
west. Elk deel had zijn eigen keizer, maar de keizers kregen conflict. Er volgde
een reeks burgeroorlogen, waarin Constantijn in 312 een belangrijke slag won. Een
jaar later gaf hij het christendom dezelfde rechten als alle andere godsdiensten.
Volgens christelijke schrijvers deed hij dat omdat de christelijke god hem in een
droom de overwinning zou hebben voorspeld als hij het christelijk kruis als symbool
zou gebruiken. Met het kruis op de schilden en de legervaandels hadden zijn legers
de vijand verslagen. In 391 werd het christendom de staatsgodsdienst van het
Romeinse Rijk en keizer Theodosius verbood toen de verering van alle goden behalve
die van de christenen.
5. Je kunt uitleggen door welke ontwikkelingen het West-Romeinse Rijk geleidelijk
afbrokkelde en ophield te bestaan. Het West-Romeinse Rijk brokkelde in de 5eeeuw
verder af. Een verklaring hiervoor zijn de volksverhuizingen, maar ook het geld dat
opraakte en door veel burgeroorlogen. De komst van de Hunnen, een steppevolk uit
centraal-Azië, zorgde voor onveiligheid in de grensstreken, waardoor meer Germaanse
volken het West-Romeinse Rijk in trokken. Deze Germanen waren bondgenoten, maar
stichtten steeds vaker zelfstandige koninkrijken in het Romeinse Rijk. Toen in 476
een Germaanse generaal in Rome de keizer afzette, kwam er officieel een einde aan
het West-Romeinse Rijk.
Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
1. Je kunt beschrijven hoe West-Europa zich na de val van het Romeinse Rijk
bestuurlijk ontwikkelde. De vroeg middeleeuwse koningen hadden weinig controle