Hoorcollege week 1A (Hoofdstuk 1 + 2 + 3.1 t/m 3.5.1)
Een Nederlander gaat werken voor een bedrijf in Engeland. Om welke privaatrechtelijke vragen gaat
het dan in zicht van zijn arbeidsovereenkomst? Is het dan Nederlands of Engels recht? Als hij wordt
ontslagen, naar welke rechter moet hij dan gaan?
Een Nederlandse man trouwt met een Argentijnse vrouw. Zij gaan na het huwelijk wonen in
Nederland. Is het huwelijk geldig als het in Argentinië is gesloten? Hoe zit het met
huwelijksvermogensrecht?
Moet je een Amerikaans vonnis erkennen in Nederland? In Amerika geven ze soms boven op een
schadevergoeding ook een straf in de vorm van geld. In Nederland kennen wij dit niet. In Nederland
is dat in strijd met de openbare orde. Dus, Nederland erkent het vonnis enkel voor het gedeelte van
de schadevergoeding, maar niet de straf die wij in Nederland niet kennen.
Drie hoofdonderdelen
a. Internationale bevoegdheid
b. Toepasselijk recht (conflictenrecht): bestaansvoorwaarden: rechtsverscheidenheid en
grensoverschrijdend rechtsverkeer.
c. Internationaal erkennings- en tenuitvoerleggingsrecht
Internationaal privaatrecht (=ipr) is nationaal recht voor internationale gevallen. Ieder land heeft zijn
eigen ipr regels. Doel ervan is het zo doelmatig en rechtvaardig mogelijk reguleren van het
internationale rechtsverkeer. Op basis van onze eigen Nederlandse waarden.
Rechtsposities zijn afhankelijk van plaats (en tijd). Bij een huwelijk bijvoorbeeld gesloten in Las Vegas,
is daar geldig en ook in Nederland, maar bijvoorbeeld niet geldig in sommige andere landen. Als we
het over bevoegdheid hebben dan moet u eerst beginnen bij nummer 40 in de wettenbundel, bij
Brussel I Bis. Wat IPR doet is kijken of sprake is van bevoegdheid. Je moet kijken welk onderwerp het
is.
Geschiedenis van het conflictenrecht
Want hoe los je nou zo’n probleem op. Welk recht beheers de rechtsverhouding, welk recht moet je
toepassen. Twee voorwaarden: rechtsverscheidenheid en grensoverschrijdend rechtsverkeer.
Eerste theorie van de Grieken. Zij hadden hun eigen recht maar daar is theorie niet tot ontwikkeling
gekomen. De Romeinen die hadden simpele filosofie. Die hadden geen conflicten en ook daarom
geen theorie vorming.
Pas in de 12e eeuw in noord Italië, er ontstonden staatjes met eigen recht. Er ontstond verplaatsing
van goederen en mensen plaats tussen de staatjes. Toen begon pas de vraag welk rechtsgebied van
toepassing is. Dan is de vraag kunnen eigen wetten worden toegepast op vreemdelingen en gelden
eigen wetten ook buiten het grondgebied van de stadstaat. Het ging dus om de vraag wat het
ruimtelijke toepassingsgebied was, reikwijdte van het eigen recht. Als je in Duitsland bijvoorbeeld
gaat wonen, geldt het Burgerlijk Wetboek dan nog steeds voor jou? Daar hebben ze overna gedacht.
Indeling van rechtsregels in klassen, naar hun aard en strekking met eigen toepassingsgebied. Het
was gekoppeld aan de persoon. Ze keken daarbij naar de strekking of het voordelig of nadelig was.
Voorbeeld: een wet die verbiedt dat een persoon jonger dan 25 jaar een testament maakt. Deze wet
strekt tot bescherming van jeugdigen tegen misleiding van ouderen, voordelig. Dan volgt deze wet
deze persoon ook buiten het gebied van de wetgever.
1
,Voorbeeld: een wet die verbiedt dat dochters erven wanneer er zoons zijn. Nadelig voor de dochters.
Dan volgt deze wet deze persoon niet buiten het gebied van de wetgever.
Uitsluitend betrekking op de reikwijdte van het eigen recht. Maar daar waar het eigen recht geen
toepassing verlangt paste men dezelfde conflictregels toe op vreemde statuten. Amper aandacht
voor de grondslag.
Statutenleer van hierboven is verder uitgewerkt door de Fransen.
a. Gekoppeld aan de persoon
b. Gekoppeld aan het grondgebied
c. Gekoppeld aan plaats van handelen
Dan komen we bij de Hollandse statutisten. Die sloten aan bij die statutenleer. Bij die drie klassen
hierboven. Maar die begonnen voor het eerst na te denken waarom en wanneer je welk recht moet
toepassen. Uitgangspunt was dat soevereiniteit staat aan de werking van vreemd recht op eigen
grondgebied in de weg. De vraag was wat de grondslag was om soms het recht van een andere
provincie of staat toe te passen. Het kon geen verplichting zijn, want ze zijn soeverein. Maar eigenlijk
valt het buiten het recht, maar we doen het uit welwillendheid. Daarbij moet je in gedachten houden
dat die hele theorie wordt ontwikkeld in de republiek der zeven Nederlanden.
Ulrik Huber (Nederlandse statutist)– grondslag: uitgangspunt is territoriale werking van wetgeving.
Staten dulden wederzijds dat vreemd recht op hun territoir geldt. Staten bieden elkaar de hand. Het
is een internationale rechtsplicht maar deze plicht vindt haar grens daar waar de belangen van deze
staat of haar onderdanen door toepassing van dit vreemde recht wordt geschaad. Comitas = bindend
volkenrecht: staten zijn soeverein en wetgeving geldt alleen binnen landsgrenzen, maar op basis van
de soevereiniteit maakt dat zij soms ook vreemd recht moeten toepassen in eigen land.
Art. 6, 7 en 10 van AB.
Wat maakt de statutische methode lastig te hanteren? Omdat je bij iedere regel moet nagaan wat de
strekking en het doel is. Het is een onhandige methode en daarom hebben we een ander systeem in
Nederland.
Een van die dingen die Huber opmerkte was het erkennen van rechten van andere provincies alleen
werkt als je bepaalde gedachten van wat recht is met elkaar deelt.
Die leer kwam in de wet AB terecht, maar was lastig toe te passen. Maar met dank aan een andere
meneer (Von Savigny) die veel boeken schreef over het Romeinse recht. Uitgangspunt van hem was
abstracte internationale rechtsverhouding. Hij zei je moet het omdraaien. Je moet niet beginnen bij
de rechtsregel, maar de abstract internationale rechtsverhouding. Je gaat kijken met welk onderwerp
je te maken hebt, dat is abstracte rechtsverhouding en die moet je ergens laten landen in een van de
rechtsstelsels die bij de zaak betrokken zijn. Bij iedere rechtsverhouding moet je dan
rechtsverhouding vinden waarbij die het nauwste is verbonden. Dus helemaal los van de inhoud.
Statutenleer gaat overboord. Want we zijn even grootte volkerengemeenschap van landen in Europa.
We delen dezelfde waarden en normen, dus wat maakt het uit welke ene of andere rechtsgebied het
is. Het verschilt allemaal niet zoveel.
Dus afbakingsrecht wordt het verwijzingsrecht. Hoogste doel is beslissingsharmonie.
Nu: je moet bepalen met welke twee van de rechtsstelsels het nauwste is verbonden.
Verwijzingsrecht van toepassing: van toepassing op het recht waar de overeenkomst is gesloten, dat
is nauwste verbonden. Dat is makkelijk toe te passen.
2
,Kenmerken conflictenrecht Von Savigny
Het is indirect. Ze pakten het artikel uit het BW en gingen kijken of de regel over de grens moest
worden toegepast. Is er wanprestatie en wat is dan het gevolg daarvan. Hij verwijst naar een
rechtsstelsel en lost het niet meteen op. Kijken of het grensoverschrijdend is. Kijken waar het
zwaartepunt ligt en dat recht pas je toe en wat eruit komt maakt niet uit. Hij stond er ook neutraal in,
hij had geen voorkeur voor zijn eigen recht. En abstract omdat voor iedere overeenkomst dezelfde
regel geldt. Maakt niet uit welke landen betrokken zijn of wat de omstandigheden zijn.
Samenvattend IPR geschiedenis:
- Statutenleer
o Indeling van rechtsregels in klassen, naar hun aard en strekking met eigen
toepassingsgebied. Was gekoppeld aan de persoon. Ze keken daarbij naar de
strekking of het voordeling (ander recht) of nadelig (eigen recht) was.
- Statutisten
o Uitgangspunt was dat soevereiniteit de werking van vreemd recht in de weg stond.
Ander recht wel toepassen uit welwillendheid. Vind de grens in waar onderdanen
door toepassing van het vreemde recht werden geschaad. Comitas = bindend
volkenrecht
- Von Savigny
o Kijken welk onderwerp (abstracte rechtsverhouding) en dan bij iedere
rechtsverhouding kijken waarbij die het nauwste is verbonden. Hoogste doel is
beslissingsharmonie, dus geen statelijke soevereiniteit. Betreft dus het
verwijzingsrecht:
Indirect = grensoverschrijdend element
Neutraal: geen voorkeur voor zijn eigen recht
Abstract: voor iedere overeenkomst geldt dezelfde regel.
Dus: afbakeningsrecht wordt het verwijzingsrecht
Je had de wet Algemene Bepalingen. Deze eenzijdige verwijzingsregels worden in de rechtspraak
omgevormd tot meerzijdige verwijzingsregels.
Voorbeeld: handelingsonbekwaamheid beheerst door de nationale wet van een persoon.
Maar er was kritiek op de regelblindheid.
Moderne IPR: niet meer 100% neutraal. Waardeninstroom in de conflictstroom. Je vindt
bijvoorbeeld dat minderjarigen moeten worden beschermd of vindt dat alimentatie echt betaald
moet worden. Dan ga je wel kijken naar ons eigen recht.
Je hebt een verwijzingscategorie (onderwerp). Een regel met de aanknopingsfactor.
Rome II verordening gaat over de onrechtmatige daad. Waar de schade zich voordoet, dat recht is
van toepassing. (Staat ook allemaal in het oranje boekje).
Hoe bepalen wij bij familierecht de zetel van een rechtsverhouding. Beginsel van de nauwste
verbondenheid. Geschikte aanknopingspunten. Je kan aanknopen bij de nationaliteit of de normale
woonplaats. Vraag is welke het meeste geschikt is. Wat is er voor en wat er tegen deze
aanknopingsfactoren.
Maar wat is dan precies gewone verblijfplaats = de plaats waar iemand feitelijk zijn hoofdverblijf
heeft. Dat geeft een band met die plaats, dat land. De woonplaats uit Boek 1 is niet relevant, dat is
waar je je bij de gemeente moet inschrijven. Het gaat echt om de concrete omstandigheden. Eerste
3
,stap is om te bepalen voor feitelijke verblijf waar de persoon werkelijk verblijft. Waar werkt hij, waar
studeert hij etc. Het totaal van deze omstandigheden geeft een indicatie van zijn integratie in een
bepaalde omgeving.
Als je definitie van net in gedachten hebt, waar is dan bijvoorbeeld verblijfplaats van de premier van
Nederland. Hij woont in Wassenaar en werkt hier vaak dus verbonden met Nederland. De koning
woont in Nederland en verricht werkzaamheden voor ons volk. Kinderen wonen niet allemaal meer
thuis. Ook hierbij verbondenheid met Nederland. De Koningin natuurlijk ook. Mark Rutte is nu hoofd
van de NAVO, dus zit in Brussel. Hij woont nu ook in Brussel en daar werkt hij komende vijf jaar
sowieso. Dat is althans wel zijn intentie. Dus verbonden met België. Kijk ook goed naar de intentie
van de persoon. Als je verhuist naar het buitenland, en je hebt intentie je daar echt te vestigen voor
meerdere jaren, dan is dat nieuwe land dus de verbondenheid.
Nationaliteit als aanknopingsfactor. Wie bepaald of iemand de nationaliteit van een land heeft?
Grote voordeel van hierbij aanknopen is dat het makkelijk is. Je pakt een paspoort en kijkt gewoon
waar iemand vandaan komt. Maar wordt problematisch bij dubbele nationaliteit etc. Een verwaterde
nationaliteit heeft geen waarde meer. Daar is een oplossing voor 10:8 BW. Je moet realiteitstoets
uitvoeren.
Dubbele nationaliteit kijken naar 10:11 BW kijken. Voor staatloze vluchtelingen 10:16 BW.
Meervoudige rechtstelsels 10:15 BW. Als je verwijsregel hebt dat Nederlands recht van toepassing is.
Koninkrijk der Nederlanden, moet je dan recht van de eilanden hebben of van het land.
Je moet onthouden: er is steeds een verwijzingsregel.
Hoorcollege week 1B
Vandaag gaan we verder met de theorie. Uitgangspunt statutenleer was regels van het BW en daarbij
bepalen wat ruimtelijk toepassingsgebied is. Bijvoorbeeld reikwijdte van het Nederlandse recht
bijvoorbeeld. Indelen in klassen. Verschillende onderwerpen en dan eigen toepassingsgebied aan de
hand van de strekking, verbiedend of veroorlovend dan volgt het persoon wel. Bij verbiedend volgt
persoon dus niet. Ging om bepalen reikwijdte eigen recht. Uitsluitend betrekking op de reikwijdte
van het eigen recht. Maar, daar waar het eigen recht geen toepassing verlangt paste men dezelfde
conflictregels toe op vreemde statuten. Amper aandacht voor de grondslag.
Toepassen recht ander land op grond van Comitas (=bindend volkenrecht)
Je had Paul Voet en Ulrik Huber. Verschil tussen die twee Voet constateerde dat in rechtspraak men
het recht uit Holland toepaste in Utrecht. Verklaring was dat het uit welwillendheid was. Maar
eigenlijk stond het buiten het recht, Hulber volkenrechtelijke verplichting. Begin 19 e eeuw codificatie
statutenleer, wet van 15 mei 1829, houdende algemene bepalingen der wetgeving van het koninkrijk
art. 6, 7 en 10 wet AB.
Dus verschil tussen Huber en Voet:
- Huber: vreemd recht toepassen uit volkenrechtelijke verplichting;
- Voet: vreemd recht toepassen uit welwillendheid.
Savigniaanse (Von Savigny) methode beter hanteerbaar? Die zei, veel makkelijker dan men denkt.
Niet uitgaan materiele recht maar je moet erboven gaan hangen en uitgaan van abstracte
internationale rechtsverhouding. Die moet je elke keer thuisbrengen door middel van een
aanknopingsfactor. Die legt dan het verband tussen het onderwerp of de persoon en het nauw
verbonden recht. Je moet opzoek naar de zetel van de rechtsverhouding.
4
,Had geen last van soevereiniteit gedachten. Want eigenlijk zijn volkeren een geheel. Zelfde ideeën
over wat recht is en dan maakt het niet meer uit welk recht je toepast. Het probleem benaderen op
dezelfde wijze als in een staat met gebiedsrechten met eigen privaatrecht. Belangrijke voorwaarden
voor het goed functioneren van deze theorie is het delen van rechtsinstituten en beginselen van
privaatrecht. Hoogste doel was zorgen voor beslissingsharmonie.
Kenmerken conflictenrecht Von Savigny
Altijd indirect, wijst het toe aan een rechtsstelsel. Neutraal tegenover welk recht. Niet eigen recht
voorop. En abstract, want het staat los van concrete omstandigheden van het geval. Inhoud
rechtsstelsels niet van belang.
Als iemand komt met nieuw idee dan wordt het soms snel overgenomen, gebeurde in Nederland.
BW werd omgezet in meerzijdige verwijzingsregels. En dan kom je uit op een rechtsstelsel. Dus we
beginnen met het bepalen van de verwijzing categorie. Dan de factor en dan kom je ergens uit
onderliggende beginsel is het vinden van nauwst verbonden recht.
De vraag wat zijn geschikte aanknopingsfactoren bij familierecht. Nationaliteit bijvoorbeeld. Gewone
verblijfplaats ligt wellicht meer voor de hand. Want daar vaak het leven van de persoon. Moet gaan
om de concrete omstandigheden van het geval. Gaat om de gewone verblijfplaats. Gaat om waar
feitelijk het hoofdverblijf zit. Bepalend daarvoor zijn dus niet de juridische criteria die in Nederland
zijn neergelegd in art. 1:10-15 BW, maar de concrete omstandigheden. > in welk land verblijft de
betrokkenen de facto, waar houdt hij een bankrekening, waar werkt hij, waar worden zijn
abonnementen bezorgd, waar gaan zijn kinderen naar school, waar staat zijn computer, waar doet hij
zijn dagelijkse boodschappen, waar bezoekt hij een stamcafé, club of sportschool?
Het totaal van deze omstandigheden geeft een indicatie van zijn integratie in een bepaalde
omgeving. Voorts kan rekening gehouden worden met de duur van het verblijf in een bepaald land,
met de reden waarom iemand in een bepaald land verblijft, met de intentie om het verblijf in een
bepaald land al dan niet voor onbepaalde tijd voort te zetten en met het onderwerp van de
verwijzingsregels.
Waar heeft Arne Slot verblijfplaats? (Trainer van Engelse voetbalclub). Vrienden en familie zitten
gewoon nog in Zwolle. Kan af en toe ook terug vliegen naar Nederland. Feitelijk verblijf is in
Engeland. Bankrekening zal die ook hebben in Nederland maar misschien ook eentje in Engeland. Hij
werkt in Engeland. Kinderen gaan wel in Nederland naar school. Hij zit nog maar net in Engeland, dus
nu nog korte duur. De reden is voor zijn werk. Vraag is altijd voor hoeveel jaar, in principe contract
voor drie jaar. Dus intentie is blijven in Engeland. Alles bij elkaar Engeland.
Structuur verwijzingsregels. Moet Nederlandse rechter die regels altijd toepassen? We hebben
conflictregels dus die altijd toepassen. Neergelegd in art. 10:2 BW. Ambtshalve toepassen. We zien in
de praktijk dat we toch Nederlands recht willen gaan toepassen. Als partijen dat goedvinden, dan kan
dat ook gewoon. In het artikel staat ook dat hij het buitenlandse recht moet toepassen.
1. Verwijzing categorie (onderwerp).
2. Een regel met de aanknopingsfactor (norm)
3. Toepasselijk recht (gevolg)
Kwalificatie van het onderwerp: tot welke verwijzing categorie wordt een bepaalde rechtsverhouding
gerekend?
Casus: een Zweedse man en een Noorse vrouw zijn op 19 oktober 2012 in Spanje met elkaar gehuwd.
Na een lange huwelijksreis hebben partijen hun eerste huwelijksdomicillie in januari 2013 gevestigd
in Spanje. Sinds 2015 woont het echtpaar in Nederland. Zij hebben twee kinderen. Op 15 november
5
, 2024 verzoekt de vrouw bij de Nederlandse rechter ontbinding van het huwelijk. Welke vragen van
toepasselijk recht kunnen hier spelen? De vraag of er een geldig huwelijk is en huwelijksontbinding is
een andere verwijzing categorie. Alimentatie voor de kinderen en vrouw kunnen nog een rol spelen
en huwelijksvermogensrecht. Je hebt verschillende vragen en verschillende rechtsstelsels.
Echtscheiding, in Nederland heel liberaal stelsel. Als je wil scheiden is dat makkelijk maar in veel
landen is dat anders. Veel landen kennen een wachttijd. Misschien bedenk je je wel in dat jaar,
Zweden kent dit bijvoorbeeld. IPR is nationaal recht (anders dan bij uitgangspunt Von Savigny). In
landen hebben ze andere verwijzingsregels. Kan zijn dat iemand getrouwd is in Spanje maar als niet
getrouwd geldt in een ander land. Om dat nou te voorkomen, moet je rekening houden met het IPR
van het land dat je moet toepassen op grond van eigen IPR regels. Ieder land heeft dus eigen regels
van IPR en het gevolg daarvan is een hinkende rechtsverhouding. Moeten wij bij de toepassing van
ons eigen conflictenrecht rekening houden met het conflictenrecht van het als toepasselijk
aangewezen recht? Immers: hoogste doel in het Savigniaanse model = beslissingsharmonie.
Vb. een Nederlander neemt tijdens een vakantie in Australië een Amerikaanse lifter mee. De auto
raakt van de weg. De Amerikaan heeft letsel. Een kwestie van overeenkomst of onrechtmatige daad?
Vb. Nederlandse vrouw en Amerikaanse man. Trouwbelofte, voornemen om na het huwelijk in de VS
te gaan wonen. Belofte verbroken tijdens huwelijk in China. Is het een kwestie van familierecht in
Nederland, overeenkomst VS of onrechtmatige daad in China? In alle landen verschillend
gekwalificeerd. Stel Nederlands recht, maar zouden in VS gaan wonen dus in zekere mate ook van
toepassing. Maar VS zegt: vanuit ons IPR is het contractenrecht en dus andere conflictregel.
Toepassen recht waar contract wordt verbroken, dus China recht van toepassen. Dus Nederlands IPR
verwijst naar Amerika, maar Amerika verwijst naar China. Maar volgens China is dit onrechtmatige
daad en past daarop toe woonplaats wie onrechtmatige daad pleegt en dat was de vrouw. Conclusie:
je krijgt chaos. Dus de theorie die zegt je moet de lex causae, aangewezen recht moet je toepassen
inclusief het IPR van het land. Betrokken rechtsstelsels moet je naast elkaar zetten. Zonder meer
toepassen van Nederlandse rechtsbergrippen werkt ook niet. Je kan niet zomaar enkel het
Nederlandse BW toepassen.
Lex causae = aangewezen recht moet je toepassen inclusief het IPR van het land
Oplossing is de lex fori theorie (=rechter past in beginsel zijn eigen recht toe). Is afgestemd om
internationale situatie. Is een eigen conflictrechtelijk begrippenapparaat.
Als ik verwijzingsregel heb gebruikt en dan kom ik uit bij recht van New York voor een contract, dan is
de vraag welke onderwerpen daaronder vallen. Moet ik daarvoor afstemmen op het Amerikaanse
recht. Dat is van belang, Vb. omdat het recht van New York verjaring procesrecht is en bij ons is dat
contractenrecht. Dus als we New York toepassen moeten we ook dat recht van verjaring toepassen.
Veel gedoe. Wij bepalen zelf, vanuit onze waarde welke onderwerpen door het recht moeten
worden beheerst.
Dus we houden geen rekening met IPR van betreffende buitenland. Gevolg: mogelijk hinkende
rechtsverhoudingen, dus niet altijd beslissingsharmonie.
Beslissingsharmonie in de EU is er wel degelijk door verordeningen in Rome I en II verordening.
Nummer 31 in wettenbundel. Bij verordening altijd naar materieel, onderwerp, kijken. Dan heb je
veel verwijzingsregels. Art. 12 zien we wat onder dat recht wordt begrepen.
Het kan zo zijn, nalatenschap als uitgangspunt, dat op de vererving Frans erfrecht van toepassing is.
Langstlevende echtgenoot is erfgenaam samen met de kinderen zegt frans recht. Dan heb je
voorvragen die opkomen. Frans erfrecht moet je toepassen. Echtgenote, dus je hebt een geldig
huwelijk nodig en welk recht beheerst dat dan? Andere vraag is zijn het wel kinderen van die man,
6