2024 – 2025
90 oefenvragen (casus) – 10 per hoorcollege.
,Oefentoets
Hoorcollege 1:
1. Jeffrey werkt als meester op een basisschool. Hij twijfelt of hij een
signaal van kindermishandeling moet melden, ondanks de belofte
van geheimhouding aan de ouder. Wat is hier aan de hand?
A. Een taakverantwoordelijkheidsconflict
B. Een ethisch dilemma
C. Een voorbeeld van reinigingsmoraal
2. Theo zegt: “Ik geef mijn huiswerk optijd, anders krijg ik straf”. In
welk moreel stadium volgens Kohlberg bevind Theo zich?
A. Stadium 1
B. Stadium 3
C. Stadium 4
3. Wat kenmerkt de normatieve professionaliteit van een pedagoog
volgens Rothfusz het beste?
A. Het streven naar maximale effectiviteit en efficiëntie.
B. Het bewust reflecteren op waarden en morele overwegingen in
handelen.
C. Het strikt volgen van protocollen en richtlijnen van de organisatie.
4. Linda is psycholoog en overweegt om bij een depressieve cliënt
diens privacy te schenden door contact op te nemen met zijn
familie. Op welk niveau speelt dit morele vraagstuk zich af?
A. Macro
B. Micro
C. Meso
5. Lisa wilt stiekem iets pakken uit de voorraadkast, maar bedenkt zich.
Welk deel van de psyche volgens Freud spreekt hier?
A. Id
B. Ego
C. Superego
, 6. Welke uitspraak past bij het post-conventionele niveau van morele
ontwikkeling volgens Carol Gilligan?
A. “Ik help anderen, ook als ik daar zelf last van heb.”
B. “Ik zorg voor mezelf, want anders doet niemand het.”
C. “Ik houd rekening met mezelf en de ander, er moet balans zijn.”
7. Jim verdedigt zijn broertje Jack die gepest wordt, hij doet dat zonder
daar rationeel over na te denken. Welke vorm van intuïtieve moraal
speelt hier een rol?
A. Samenwerkingsmoraal
B. Hechtingsmoraal
C. Geweldsmoraal
8. Sophie kiest ervoor om bij een ethisch dilemma zowel haar eigen
belang als dat van de ander mee te wegen. In welk stadium van
moraal volgens Gilligan bevind Sophie zich?
A. Pre-conventioneel
B. Conventioneel
C. Post-conventioneel
9. Fenne bespreekt openlijk met haar collega’s waarom ze ingrijpt in
een gezinssituatie en welke waarden daarin spelen. Wat laat Fenne
vooral zien?
A. Legitimatie
B. Motivatie
C. Integriteit
10. Elke uitspraak past het best bij het deugd ethische perspectief
in de pedagogiek?
A. Goed handelen betekent de regels volgen, ongeacht de situatie.
B. Goed handelen betekent het nastreven van het grootste geluk
voor zoveel mogelijk mensen.
C. Goed handelen betekent handelen vanuit gevormde
karaktereigenschappen zoals, moed, rechtvaardigheid en
zorgzaamheid.
Hoorcollege 2: