antwoorden
1. Wat betekent NT2-verwervende leerling?
A. Een leerling die tweetalig onderwijs volgt
B. Een leerling die Nederlands als moedertaal heeft
C. Een leerling die van huis uit een andere taal spreekt dan Nederlands
D. Een leerling die extra hulp krijgt van de remedial teacher
2. Wat wordt bedoeld met Tweedetaal leren?
A. Taal leren in een natuurlijke omgeving, zoals op straat
B. Taal leren via schoolse instructies, bijvoorbeeld van de juf
C. Taal leren door televisieprogramma’s te kijken
D. Taal leren door imitatie en herhaling
3. Welke term hoort bij kinderen die al vanaf de kleuterklas op een
Nederlandse school zitten?
A. Onderinstromers
B. Zij-instromers
C. Derde generatie leerlingen
D. Remedial leerlingen
4. Welke lessen zijn vaak te moeilijk voor NT2-leerlingen?
A. Voorleeslessen
B. Lijm- en kniplessen
C. Muzieklessen
D. Bewegingslessen
5. Bij de drie D’s gaat Didactiek over…
A. Wat de leerlingen moeten leren
B. Hoeveel verschil er tussen leerlingen is
C. Hoe de leerdoelen bereikt kunnen worden
D. Welke woorden gekozen worden
6. Wereldoriëntatie is moeilijk voor NT2-leerlingen omdat…
A. Het vaak over bekende onderwerpen gaat
B. Het veel abstracte begrippen bevat
C. Het altijd ondersteund wordt met plaatjes
D. Het alleen gericht is op woordenschat
7. Een leerling begrijpt het woord democratie niet. De leerkracht
past differentiatie toe door:
A. Het woord in een context uit te leggen
B. De betekenis in de woordenlijst te laten opzoeken
C. Het woord te vervangen door een simpeler woord
D. Het woord niet verder uit te leggen
8. Wat houdt de stille periode in:
A. Kinderen horen geen taal
B. Kinderen luisteren wel, maar spreken nog niet
C. Kinderen gebruiken vooral T1
D. Kinderen communiceren alleen schriftelijk
, 9. Gülsner weet, als bijna vijf jarige, wel wat appels en peren zijn,
maar ze kan niet op de Nederlandse woorden komen. Als de
leerkracht vraagt ‘wijs de appels eens aan’ wijst Gülsner wel het
juiste plaatje aan. Bij Gülsner is de …. Vaardigheid het grootst:
A. Productieve taalvaardigheid
B. Receptieve taalvaardigheid
C. Fonologische taalvaardigheid
D. Creatieve taalvaardigheid
10. Wat betekent interferentie?
A. Sneller leren door motivatie
B. Universele fouten maken
C. Fouten door invloed van de eerste taal
D. Woorden leren door rijmpjes
11. Een leerling zegt: “ik heb de raam open gedaan”. Dit is een
voorbeeld van:
A. Transfer
B. Overgeneralisatie
C. Interferentie
D. Creatieve constructie
12. Welke benadering gebruikt vaste zinnen en patronen?
A. Grammatica-vertaalbenadering
B. Audio-linguale benadering
C. Communicatieve benadering
D. Taakgerichte benadering
13. Wat staat centraal in de interactionele benadering?
A. Woordenlijsten
B. Contact met moedertaalsprekers
C. Alleen receptieve vaardigheden
D. Uitvoeren van taaltaken
14. Mohammed heeft geleerd dat je van het woord pak in het
meervoud pakken maakt. Mohammed zegt dat het woord dak dus
dakken wordt. Waarvan is dit een fout?
A. Interferentie
B. Creatieve constructie
C. Receptieve vaardigheid
D. Overgeneralisatie
15. Welke aanpassing maakt taalaanbod begrijpelijker?
A. Snel praten
B. Lange zinnen gebruiken
C. Herhaling
D. Moeilijke woorden gebruiken
16. Topicalisatie betekent dat…
A. Het onderwerp vooraan in de zin wordt gezet
B. De nadruk op het werkwoord ligt
C. Er alleen korte zinnen gebruikt worden
D. Het gesprek op één onderwerp blijft hangen
17. Foreigner talk is…
A. Simpele, duidelijke taal met herhaling
B. Krom Nederlands spreken in de hoop begrepen te worden
C. Alleen visuele ondersteuning bieden