Samenvatting tentamenstof Hersenen en Gedrag – Deeltentamen
1
H7 en H10 zijn hierin niet meegenomen
Pagina 3-29
The science of mind: The discipline of psychology
Vanuit verschillende perspectieven kun je de reacties van mensen op
bijvoorbeeld smaak verklaren. Zo kan dit biologisch, sociaal etc. maar toch
kom je pas op een compleet antwoord als je dit samenbundelt.
Wat is psychologie? Psychologie is de wetenschappelijke studie van de
geest (mind): gedachtes, emoties en gedrag. Letterlijk betekend
psychologie (psychology): de objectieve studie van de geest. Vroeger
waren dit soort studies onvolledig door het naleven van persoonlijke
observaties, gedachten, gevoelens etc. zonder hier duidelijk bewijs voor te
hebben. Dit noemen we introspectie (introspection.
De psychologie familie bestaat uit 2 voorouders: filosofie (philosophy):
onderzoekt systematische basisbegrippen waaronder de bron van kennis,
en natuurwetenschappen (natural sciences): onderzoekt fysieke en
biologische gebeurtenissen in de natuur.
De relatie tussen psychologie en filosofie: zijn beide onderzoekend naar de
balans tussen natuurlijke, aangeboren factoren (nature) en externe,
aangeleerde factoren (nurture).
De relatie tussen psychologie en natuurwetenschappen: deze artsen legde
de basis voor psychologie, denk aan methodes en nieuwe ontdekkingen
over het welzijn van een individu.
Vele vraagstukken hebben geleid tot experimenten die lijken op de
psychologie van nu.
Gustav Fechner: onderzocht hoe zacht een geluid kon zijn waarbij dit toch
waargenomen kon worden.
Helmholtz: teen-reflex duurt langer dan heup-reflex door langere afstand
naar hersenen
De eerste psycholoog was Wilhelm Wundt. Hij had het eerste
psychologische experiment over reactietijd. (hoelang nadat een bal valt
kan een persoon reageren?) Wundt zag mentale ervaringen als hierarchie.
Uit Wundt zijn opvattingen kwam het structuralisme (structuralism) voort.
(=de geest is gebroken in de kleinste elementen van mentale ervaringen)
,Duitse psychologen wezen het structuralisme af en vonden het gestalt
psychologie uit. (het geheel van een object, patroon of ervaring is altijd
groter dan de som der losse delen) zij zeiden dat het breken van perceptie
in losse delen ten koste zou gaan van psychologische informatie.
Hiernaast werd een andere vorm (losstaand) ontwikkeld. Het
functionalisme (functionalism): de interesse lag hierbij voornamelijk op
waarom gedrag en mentale processen op een bepaalde manier werkte.
William James was hiervan de hoofdvoorstander.
Tussen de 17e en 19e eeuw werd er steeds vaker anders naar mentale
aandoeningen gekeken. Er werd op psychologische manier een
behandelplan gemaakt i.p.v. Alles schuiven op hekserijen etc.
Sigmund Freud is bekend door zijn overtuiging van de connectie tussen
levenservaringen en gedrag. Hij kwam met ideeën over de onbewuste
geest, de ontwikkeling van seksualiteit etc. hij stond ervoor om
psychologische principes te gebruiken om dagelijks gedrag te verklaren.
Humanistische psychologie (humanistic psychology) : een vorm van
psychologie die mensen ziet als goed van oorsprong en als gemotiveerd
om te leren.
Begin 20e eeuw werd voornamelijk gefocust op “behaviorism” dit houdt in
dat waarneembaar gedrag en de invloed van de omgeving hierop
bestudeerd wordt.
Ivan Petrovich Pavlov had een grote invloed op het behaviorisme en op de
psychologie. Hij vond het klassiek conditioneren uit (een oorspronkelijk
neutrale prikkel wordt gekoppeld aan een natuurlijke, automatische
reactie. Door herhaling van dit leerproces zorgt de stimulus zelf voor deze
reactie) bijv. honden na bel eten, uiteindelijk geen eten maar toch kwijlen
bij horen van een bel.
Thorndike kwam met de wet van het effect. Gedrag dat wordt beloond
wordt waarschijnlijker herhaald dan wanneer dit niet word beloond. (basis
voor operante conditionering: de invloed van consequenties op gedrag)
Rond 1950 werden behavioristen minder machtig in de psychologie door
te weinig interesse in mentaal welzijn. De cognitieve psychologie nam nu
de overhand (Ulric Neisser). Hierbij werd meer technologie gebruikt. Alan
Newell en Herbert Simon kwamen met AI-programma’s
De “soorten” psychologie:
1. Biologische psychologie (behavioral neuroscience) en evolutionaire
psychologie: onderzoeken de verbinding tussen biologische
processen. Hoe erfelijke factoren de werking van het lichaam het
, gedrag en psychisch welzijn beïnvloeden. Bij evolutionair gaat het
hierbij voornamelijk over natuurlijke selectie en zo overerven
2. Cognitieve psychologie (cognitive psychology): houdt zich bezig met
de complexe relatie tussen cognitie (kennis en begrip) en gedrag.
3. Ontwikkelingspsychologie (developmental psychology): onderzoekt
de veranderingen en ontwikkelingen in gedrag gedurende het leven.
4. Sociale psychologie (social psychology): onderzoekt de invloed van
de sociale omgeving op het gedrag van een individu.
5. Klinische psychologie (clinical psychology): houdt zich bezig met
abnormaal gedrag door bijvoorbeeld mentale aandoeningen.
Ook is er een vorm van sociale psychologie waarbij naast de omgeving ook
culturele verschillen en individuele verschillen meegenomen wordt. Dit
heet “social and personality psychology”
Pagina 46 – 68
Module 1.2 Kalat, Neurons and Other Cells
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 type cellen: neuronen en de glia cellen.
Neuronen (neurons) ontvangen informatie en transporteren deze
informatie naar andere cellen. Het aantal neuronen in de hersenen van de
mens varieert.
2 belangrijke wetenschappers in neurowetenschappen: Charles
Sherrington en Santiago Ramon y Cajal.
Cajal gebruikte zijn teken vaardigheden voor het illustreren van zijn
medische onderzoeken. Zo kon hij gedetailleerde tekeningen van het
zenuwstelsel maken. Een van zijn belangrijkste bijdrage was het idee dat
het brein uit individuele cellen bestaat.
De Italiaanse onderzoeker Camillo Golgi kleurde zenuwcellen met
zilverzouten. Zo kon de structuur van een individuele cel onderzocht
worden. Hij concludeerde dat de vezels in de hersenen allemaal
verbonden zijn. Zoals een gaasje. Cajal gebruikte deze methoden bij
zuigelingen. Hij kreeg hierdoor de conclusie dat de zenuwcellen individueel
blijven in plaats van verbonden zijn.
Een membraan (membrane) is het celoppervlak. De meeste chemicaliën
kunnen deze niet passeren. Behalve een aantal belangrijke chemicaliën
zoals water en calcium kunnen hier via bepaalde banen doorheen.
Bij alle cellen behalve de rode bloedcellen van zoogdieren, bevatten cellen
een celkern (nucleus). Deze bevat chromosomen. Cellen bevatten ook
ribosomen (ribosomes) voor het maken van nieuwe eiwitten. Sommige
1
H7 en H10 zijn hierin niet meegenomen
Pagina 3-29
The science of mind: The discipline of psychology
Vanuit verschillende perspectieven kun je de reacties van mensen op
bijvoorbeeld smaak verklaren. Zo kan dit biologisch, sociaal etc. maar toch
kom je pas op een compleet antwoord als je dit samenbundelt.
Wat is psychologie? Psychologie is de wetenschappelijke studie van de
geest (mind): gedachtes, emoties en gedrag. Letterlijk betekend
psychologie (psychology): de objectieve studie van de geest. Vroeger
waren dit soort studies onvolledig door het naleven van persoonlijke
observaties, gedachten, gevoelens etc. zonder hier duidelijk bewijs voor te
hebben. Dit noemen we introspectie (introspection.
De psychologie familie bestaat uit 2 voorouders: filosofie (philosophy):
onderzoekt systematische basisbegrippen waaronder de bron van kennis,
en natuurwetenschappen (natural sciences): onderzoekt fysieke en
biologische gebeurtenissen in de natuur.
De relatie tussen psychologie en filosofie: zijn beide onderzoekend naar de
balans tussen natuurlijke, aangeboren factoren (nature) en externe,
aangeleerde factoren (nurture).
De relatie tussen psychologie en natuurwetenschappen: deze artsen legde
de basis voor psychologie, denk aan methodes en nieuwe ontdekkingen
over het welzijn van een individu.
Vele vraagstukken hebben geleid tot experimenten die lijken op de
psychologie van nu.
Gustav Fechner: onderzocht hoe zacht een geluid kon zijn waarbij dit toch
waargenomen kon worden.
Helmholtz: teen-reflex duurt langer dan heup-reflex door langere afstand
naar hersenen
De eerste psycholoog was Wilhelm Wundt. Hij had het eerste
psychologische experiment over reactietijd. (hoelang nadat een bal valt
kan een persoon reageren?) Wundt zag mentale ervaringen als hierarchie.
Uit Wundt zijn opvattingen kwam het structuralisme (structuralism) voort.
(=de geest is gebroken in de kleinste elementen van mentale ervaringen)
,Duitse psychologen wezen het structuralisme af en vonden het gestalt
psychologie uit. (het geheel van een object, patroon of ervaring is altijd
groter dan de som der losse delen) zij zeiden dat het breken van perceptie
in losse delen ten koste zou gaan van psychologische informatie.
Hiernaast werd een andere vorm (losstaand) ontwikkeld. Het
functionalisme (functionalism): de interesse lag hierbij voornamelijk op
waarom gedrag en mentale processen op een bepaalde manier werkte.
William James was hiervan de hoofdvoorstander.
Tussen de 17e en 19e eeuw werd er steeds vaker anders naar mentale
aandoeningen gekeken. Er werd op psychologische manier een
behandelplan gemaakt i.p.v. Alles schuiven op hekserijen etc.
Sigmund Freud is bekend door zijn overtuiging van de connectie tussen
levenservaringen en gedrag. Hij kwam met ideeën over de onbewuste
geest, de ontwikkeling van seksualiteit etc. hij stond ervoor om
psychologische principes te gebruiken om dagelijks gedrag te verklaren.
Humanistische psychologie (humanistic psychology) : een vorm van
psychologie die mensen ziet als goed van oorsprong en als gemotiveerd
om te leren.
Begin 20e eeuw werd voornamelijk gefocust op “behaviorism” dit houdt in
dat waarneembaar gedrag en de invloed van de omgeving hierop
bestudeerd wordt.
Ivan Petrovich Pavlov had een grote invloed op het behaviorisme en op de
psychologie. Hij vond het klassiek conditioneren uit (een oorspronkelijk
neutrale prikkel wordt gekoppeld aan een natuurlijke, automatische
reactie. Door herhaling van dit leerproces zorgt de stimulus zelf voor deze
reactie) bijv. honden na bel eten, uiteindelijk geen eten maar toch kwijlen
bij horen van een bel.
Thorndike kwam met de wet van het effect. Gedrag dat wordt beloond
wordt waarschijnlijker herhaald dan wanneer dit niet word beloond. (basis
voor operante conditionering: de invloed van consequenties op gedrag)
Rond 1950 werden behavioristen minder machtig in de psychologie door
te weinig interesse in mentaal welzijn. De cognitieve psychologie nam nu
de overhand (Ulric Neisser). Hierbij werd meer technologie gebruikt. Alan
Newell en Herbert Simon kwamen met AI-programma’s
De “soorten” psychologie:
1. Biologische psychologie (behavioral neuroscience) en evolutionaire
psychologie: onderzoeken de verbinding tussen biologische
processen. Hoe erfelijke factoren de werking van het lichaam het
, gedrag en psychisch welzijn beïnvloeden. Bij evolutionair gaat het
hierbij voornamelijk over natuurlijke selectie en zo overerven
2. Cognitieve psychologie (cognitive psychology): houdt zich bezig met
de complexe relatie tussen cognitie (kennis en begrip) en gedrag.
3. Ontwikkelingspsychologie (developmental psychology): onderzoekt
de veranderingen en ontwikkelingen in gedrag gedurende het leven.
4. Sociale psychologie (social psychology): onderzoekt de invloed van
de sociale omgeving op het gedrag van een individu.
5. Klinische psychologie (clinical psychology): houdt zich bezig met
abnormaal gedrag door bijvoorbeeld mentale aandoeningen.
Ook is er een vorm van sociale psychologie waarbij naast de omgeving ook
culturele verschillen en individuele verschillen meegenomen wordt. Dit
heet “social and personality psychology”
Pagina 46 – 68
Module 1.2 Kalat, Neurons and Other Cells
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 type cellen: neuronen en de glia cellen.
Neuronen (neurons) ontvangen informatie en transporteren deze
informatie naar andere cellen. Het aantal neuronen in de hersenen van de
mens varieert.
2 belangrijke wetenschappers in neurowetenschappen: Charles
Sherrington en Santiago Ramon y Cajal.
Cajal gebruikte zijn teken vaardigheden voor het illustreren van zijn
medische onderzoeken. Zo kon hij gedetailleerde tekeningen van het
zenuwstelsel maken. Een van zijn belangrijkste bijdrage was het idee dat
het brein uit individuele cellen bestaat.
De Italiaanse onderzoeker Camillo Golgi kleurde zenuwcellen met
zilverzouten. Zo kon de structuur van een individuele cel onderzocht
worden. Hij concludeerde dat de vezels in de hersenen allemaal
verbonden zijn. Zoals een gaasje. Cajal gebruikte deze methoden bij
zuigelingen. Hij kreeg hierdoor de conclusie dat de zenuwcellen individueel
blijven in plaats van verbonden zijn.
Een membraan (membrane) is het celoppervlak. De meeste chemicaliën
kunnen deze niet passeren. Behalve een aantal belangrijke chemicaliën
zoals water en calcium kunnen hier via bepaalde banen doorheen.
Bij alle cellen behalve de rode bloedcellen van zoogdieren, bevatten cellen
een celkern (nucleus). Deze bevat chromosomen. Cellen bevatten ook
ribosomen (ribosomes) voor het maken van nieuwe eiwitten. Sommige